'Verwerking dierlijk afval nog altijd groot taboe'

© Flip Franssen, HH

Wat doen we met een koe die na twintig jaar trouwe dienst van pure ouderdom door haar benen zakt? Anne-Marie Oudejans schreef een boek over de verwerking van dierlijk afval.

Daar ligt Klaziena 13 dan. Slachten kan niet meer, omdat het dier door ziekte of ouderdom is bezweken.

Kort nadat Klaziena 13 in de berm is gelegd, zal er een vrachtwagen met vloeistofdichte laadbak stoppen bij de stoffelijke resten van het dier. Het kadaver zal met een grijper worden opgetild en in de laadbak worden gestort.

En dan?

Boek over kadavers
Dát wilde Anne-Marie Oudejans uit het Drentse Borger wel eens weten. Nu, twee jaar later, heeft ze over de verwerking van dierlijk afval een boek van 196 pagina's geschreven. Een boek over kadavers. Dat wordt vast geen bestseller. "Nou, het is net uit, ik hoop dat er veel belangstelling voor is", zegt Oudejans.

Ze vermoedt dat er best geïnteresseerden zullen zijn. Ze denkt dat ze met het schrijven een taboe heeft doorbroken. "Dit is door de eeuwen heen een onderwerp waar bijna niemand over sprak. Mensen die zich bezighielden met dierlijk afval werden als paria's beschouwd, er werd niet over gepraat. Dit ondanks de bittere noodzakelijkheid van hun werk."

Verwerking van dode dieren was smerig, stinkend werk. Er lagen altijd besmettingsziekten op de loer. Gevolg was dat de afvalverwerkers vaak onder totale uitsluiting en extreem slechte omstandigheden hun werk deden.

Anne-Marie Oudejans is procestechnicus van beroep. Ze zit in de pre-vut, na een werkzaam leven in de aardoliewinning en de bodemsanering. "Niks met dode dieren dus."

Het kwam zo: Oudejans organiseert jarenlang excursies voor de afdeling noord van de ingenieursvereniging Kivi Niria. De leden gaan dan meestal met een groepje geïnteresseerden op bedrijfsbezoek. Naar de Hoogovens bijvoorbeeld.

Wat spoken ze uit?
"Maar dat waren inkoppertjes. Ik vond het leuk om niet-alledaagse bedrijven te zoeken. Op internet kwam ik iets tegen over de geschiedenis van de dierlijk afvalwerking. Toen werd ik nieuwsgierig. Hoe ziet zo'n verwerkings- installatie er uit? Wat spoken ze uit in zo'n bedrijf?"

Zo kwam de ingenieur uit Borger met haar toenmalige collega's op bezoek bij Rendac in Son, het enige Nederlandse bedrijf dat dierlijk afvalrestmateriaal van 'Categorie 1' mag verwerken. Dat is afval dat uitsluitend geschikt is voor verwijdering.

Het zijn de resten van dieren die door ziekte dood zijn gegaan, afval dat niet mag worden hergebruikt voor dierlijke of menselijke consumptie. Het is ook de plek waar Poekie de kat of Bello de hond eindigen na een verlossend spuitje bij de dierenarts. En, de laatste gang van dieren met varkenspest, koeien met een BSE-besmetting en kippen met vogelgriep.

Historisch materiaal
Het bezoek aan Son was voor Anne-Marie Oudejans het begin van een lange, lange zoektocht, vooral op internet. Ze is gaan uitzoeken hoe door de eeuwen heen dode dieren werden verwerkt. Van de Middeleeuwen af, tot vandaag.

Heel makkelijk was er niet aan historisch materiaal te komen, vertelt Oudejans. Maar uiteindelijk had ze zo veel informatie, dat ze besloot er een boek van te maken. "Er zit een fascinerende wereld achter. Dat had ik nooit bevroed."

Buitengesloten
Wat haar vooral trof, was de tragiek van de mannen en vrouwen die hun werk hadden in de verwerking van dierlijk afval. "De oude vilders werden als paria's behandeld. Ze werden buitengesloten van het kerkelijk en maatschappelijk leven. Ze leefden ver buiten woongemeenschappen, omdat het natuurlijk ondraaglijk stonk.

"Het werd vroeger ook gezien als onrein materiaal. Een vilder mocht wel in het café komen, maar zijn beker zat met een ketting aan de muur vast. Dat was om te voorkomen dat anderen er per ongeluk uit zouden drinken. Ze stonken zo erbarmelijk dat je er onpasselijk van werd. En in de Middeleeuwen dachten mensen dat ze van die stank ziek werden. Het was hartverscheurend."

Nog altijd taboe
"Er rust naar mijn gevoel nog altijd een groot taboe op de verwerking van dierlijk afval. Je hoort nog altijd verhalen dat kinderen op school vroeger liever niet vertelden dat hun vader in de leerlooierij met dode dieren werkte."

Het is een heikel onderwerp, weet ze. Zelf herinnert ze zich de ophef toen een paard van een plaatselijke kinderboerderij was doodgegaan en de eigenaar het dier aan de kant van de weg had gelegd. Open en bloot. "Ik weet nog dat ik er met een buurvrouw langsliep, we gingen boodschappen doen en we zeiden tegen elkaar: ach, dat peerd is ook dood. Maar 's avonds stond er een groot stuk in de lokale krant, met foto van dat dode paard langs de weg.

"Er werd schande van gesproken dat het dier zomaar langs de weg was gelegd. Ik vind dat spastisch. Mensen gaan dood, dieren gaan dood. Je moet dat niet wegstoppen. Dit moet een normaal gespreksonderwerp zijn."

Term destructie klopt niet
De verwerking van dierlijk afval wordt vaak in de wandeling 'destructie' genoemd. Een heel foute term, vindt Oudejans: "Destructie betekent letterlijk 'vernietiging', terwijl kadavers nooit werden vernietigd. De huid alleen al werd door de Oudheid heen gebruikt voor kleding en schoeisel."

Al vanaf het verre verleden wordt dierlijk afval omgezet in bruikbare producten. "Het vet is bijvoorbeeld heel waardevol. Het was een goede grondstof voor zeep, kaarsen en brandstof voor lantaarnopstekers. Het haar van paardestaarten werd als garen gebruikt. Vroeger werd het vlees van kadavers verwerkt tot veevoer."

Ook bij de huidige verwerking van dierlijk afval is er een bruikbare herbestemming. Tegenwoordig wordt het afval omgezet in vaste en vloeibare biobrandstoffen. "Dat afval van dieren wordt nu gebruikt als brandstof voor energiecentrales. Het is vet met een behoorlijk hoge calorische waarde. Zo is er toch weer sprake van nuttig gebruik."

Categorie één. Dierlijk afvalverwerking door de eeuwen heen, € 24,90, 196 p., Uitgeverij VermeerBestseller.nl


Q-koorts zorgde voor piek in kadaververwerking

Dagelijks rijden er zo'n zeventig kadaverwagens door Nederland om bij veehouders dode dieren op te halen. De vrachtwagens leggen in een jaar zo'n vier miljoen kilometer af.


Binnen 24 uur na melding door een veehouder moet een kadaver zijn opgehaald. In 2009, de cijfers over 2010 zijn nog niet vastgesteld, heeft Rendac ruim 690.000 meldingen binnengekregen en meer dan 150.000 ton kadavers opgehaald in heel Nederland.

Het was het jaar van de Q-koorts en om die reden zijn er in 2009 veel meer geiten aangeboden voor verwerking, 44.000 stuks om precies te zijn. In 2008 waren dat er nog 33.000. In december 2009 werden bij geitenhouderijen de eerste ruimingen uitgevoerd ter bestrijding van de Q-koorts.

Jaarlijks worden zo'n vijf miljoen dode biggen naar Son vervoerd en ongeveer 5000 paarden.

Het bedrijf verwerkt uitsluitend voor vernietiging. Vooral bij grote uitbraken van dierziekten werkt het bedrijf op topcapaciteit. Volgens directeur S. Beerendonk is het bedrijf zo ingericht dat ook bij grote aanvoer de kadavers kunnen worden verwerkt. "In uitzonderlijke gevallen kunnen ook kadavers tijdelijk worden ingevroren."

Bij de verwerking van de kadavers blijven alleen vetten en droge stof (onder meer van de beenderen) over. De stoffen wordt uiteindelijk hergebruikt als biobrandstof.

Beerendonk vindt niet dat er een taboe heerst over de verwerking van dierlijk afval. "Nou ja, we schreeuwen niet van de daken wat ons werk is. Maar dat dieren doodgaan is inherent aan de agrarische bedrijfsvoering."

Massale veesterfte in 1907 in Australië door het eten van een giftig gewas. Zo'n 700 dieren vonden de dood. Foto uit het besproken boek
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden