'Vervolg extreem-rechtsen individueel'

GRONINGEN - Justitie heeft jarenlang de gerechtelijke vervolging van extreem-rechts laten sloffen.

Die kritiek uit de Groningse hoogleraar staatsrecht prof. mr. D. J. Elzinga. Hij pleit ervoor eerst eens een aantal jaren extreem-rechtse activisten individueel consequent te vervolgen wegens discriminatie en ze stevig te straffen. Pas als dat niet helpt, komt een aanklacht ex art. 140 Wetboek van strafrecht in beeld: het 'deelnemen aan een organisatie die als oogmerk het plegen van misdrijven heeft'.

In 1982 promoveerde Elzinga in Utrecht op een proefschrift over de politieke partij en het constitutionele recht. Daarin ging hij in op de vraag of de overheid een politieke partij moet verbieden. Die discussie is weer actueel geworden, nadat de Amsterdamse discriminatie-officier van justitie H. J. de Graaff twee maanden geleden de extreem-rechtse Centrumpartij '86 aanklaagde wegens discriminatie en deelname aan een criminele organisatie. Bij zijn aankondiging liet De Graaff doorschemeren dat hij overweegt een verbodsprocedure te beginnen als hij op beide punten wint. Vandaag wijst de Amsterdamse rechtbank vonnis.

Het zou de derde keer zijn sinds 1945 dat een politieke partij zou worden verboden, het verbod van landverraderlijke organisaties meteen na de tweede wereldoorlog even daargelaten. In de jaren '50 trof de Nationaal Europese Socialistische Beweging (NESB) van oud-Oostfrontstrijder en SS'er Paul van Tienen dat lot en in 1978 de Nederlandse Volksunie (NVU) van Joop Glimmerveen.

Maar bij de NVU liep het spaak. De partij werd weliswaar door de Amsterdamse rechtbank gekwalificeerd als 'verboden vereniging' maar de rechtbank kon de partij niet ontbinden. De Hoge Raad oordeelde daarop een jaar later dat, als een partij niet kan worden ontbonden, ze dan ook niet kan worden geweerd bij verkiezingen. Met als gevolg dat de NVU en Glimmerveen nog tot 1987 meededen met verkiezingen.

Het gebrek in het Burgerlijk wetboek dat de Hoge Raad aanwees, school in de ontbindingsvoorwaarden, zegt Elzinga. Een ontbinding van een organisatie was gekoppeld aan het bezit van vermogen. “Als een club geen vermogen had, kon-ie niet worden ontbonden.” De regering had de boodschap begrepen. De minister van justitie diende in 1982 een wetsontwerp in, dat na veel discussie pas in 1988 werd aangenomen. Daarin werden verbodsverklaring en ontbinding strikter aan elkaar gekoppeld.

In afwachting van de wetswijziging stond de strafvervolging van extreem-rechts op een laag pitje. “Dat is typisch Nederlands”, zegt Elzinga: “hangende de voorziening gebeurt er niets.” En dus konden de Centrumpartij en later de Centrumdemocraten van Janmaat relatief ongestoord hun gang gaan, dook aan hun rechterkant de extremistischer Centrumpartij '86 op, en vonden in de achtertuin van de Velpse villa van de zwarte weduwe Rost van Tonningen extreem-rechtse coterietjes plaats.

Nu de voorziening in het wetboek er is, staat justitie op een tweesprong. Moet ze extreem-rechtse activisten individueel strafrechtelijk vervolgen òf ze in partijverband aanpakken via het beruchte art. 140 Wetboek van strafrecht, gevolgd door een verbodsprocedure. Zoals gezegd, Elzinga houdt het op het eerste en wijst op Joop Glimmerveen. Vóór het verbod van de NVU in 1978 was Glimmerveen nog maar nauwelijks individueel vervolgd; erna werd hij systematisch strafrechtelijk vervolgd en bestraft. “En sindsdien horen we ook niets meer van hem.” En mocht het toch niet helpen, dàn is er nog de verbodsprocedure.

Maar eigenlijk wil hij de laatste twee instrumenten vermijden. Verbied CP'86 en binnen een half jaar heb je een nieuwe partij, voorspelt hij, waartegen justitie dan een procedure als 'Ersatzorganisation' zou moeten gaan voeren. “Een juridisch enorm ingewikkeld wespennest en daarnaast verschaf je hen er een boel gratis reclame mee.”

Ook vraagt hij zich af waar het verbod van één partij eindigt. “Als je met één club begint, kom je bij een andere club uit.” Neem de Staatkundig Gereformeerde Partij met haar verbod op vrouwenlidmaatschap. En waar ligt uiteindelijk de grens? Voorbij de VVD?

Met de tegenwerping dat het verbieden van de NESB en de NVU niet tot zo'n domino-effect hebben geleid, neemt Elzinga geen genoegen. Dat zijn toch andere gevallen. “De connotatie van de NESB met de NSB alleen al”. De CPN vindt hij een beter voorbeeld, in de jaren '50 cel-achtig georganiseerd en met een strakke oriëntatie op Moskou. “Daar hebben we in Nederland 20 jaar lang mee geworsteld wat we daarmee moesten. We zijn daar toch vrij verstandig mee omgegaan. Er zijn wel beperkende maatregelen genomen, maar afnemend. En ga je een partij ondergronds brengen, dan radicaliseert die zich. Het ontstaan van de Rote Armee Fraktion was een rechtstreeks gevolg van het verbieden van de communistische partij in Duitsland.”

Paardemiddel

Afgezien van alle praktische bezwaren zit er voor Elzinga ook een principieel kantje aan. Een partijverbod noemt hij 'een paardemiddel'. “Daarmee geef je als democratie aan, dat je een verbod nodig hebt om wat nauwere grenzen te stellen dan we gewend zijn. Dat moet je tot het uiterste toe proberen te vermijden. Ben je democratisch consequent, dan staan partijverboden in een reguliere situatie haaks op het beleid dat we hebben. Tolerantie, en dat geldt ook voor democratie, heeft een absolute consequentie in zich: als je tolerant bent, ben je dat ook naar intoleranten.”

Het sneller verbieden van extreme partijen in andere democratische landen, zoals Duitsland, wijt Elzinga aan de in vergelijking met Nederland jonge democratische traditie daar. “In landen waar de democratie aanzienlijk minder lange wortels heeft, komen partijverboden aanmerkelijk vaker voor. Jonge democratieën hebben een groter verdedigingsmechanisme nodig om de democratie te beschermen. Dat feit alleen al laat zien dat je met een partijverbod in Nederland iets doet wat niet nodig is.”

In internationaal verband, waar Nederland in de jaren '70 en '80 enkele keren op de vingers werd getikt omdat de NVU maar niet werd verboden, legden de Nederlandse vertegenwoordigers dat keer op keer uit. (Dat er uiteindelijk toch een verbodsprocedure werd aangespannen, deed het openbaar ministerie volgens Elzinga buiten medeweten van het ministerie van justitie, waar “enige paniek uitbrak” toen het bekend werd.) “In internationaal verband is altijd stelselmatig het verhaal gehouden: we hebben een zéér lange democratische traditie en gaan pas in het uiterste geval over tot een partijverbod. Op die manier heeft Nederland ook altijd verdedigd dat de Centrumdemocraten subsidie kregen.”

De rechtbankzittingen over CP'86 maken op hem de indruk van 'een proefproces'. Neem de artikelen 137 en 140 in de aanklacht. De NVU ontkwam in 1979 bij de Hoge Raad mede aan een verbod, omdat de officier van justitie artikel 140 over het hoofd had gezien. Dus voert De Graaff dat artikel nu wel op. Het verlost hem gelijk van de moeilijke bewijslast wie schuilgaat achter de discriminerende publikaties.

Toch vindt Elzinga het gebruik van artikel 140 misplaatst. “Het is bedoeld tegen stevige criminaliteit, niet tegen een bedrijf of politieke partij die iets onwettigs doet.” Bovendien leidt een veroordeling op grond van artikel 140 haast onherroepelijk tot een verbodsprocedure. “Je zwemt een fuik in. Het kan niet dat een partij die door de rechtbank wordt aangemerkt als misdadige organisatie in een aantal gemeenteraden zit en dus subsidies krijgt. Dat zou ik, als ik rechter was, wel zwaar mee laten wegen. Tenzij je wel naar een verbod toe wilt, natuurlijk.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden