VERTROUWEN

Het nieuwe boek van de Amerikaanse denker Francis Fukuyama heet Trust. Trust betekent 1. vertrouwen; 2. trust, kartel. De Nederlandse vertaling heet: Welvaart - De grondslagen van het economisch handelen. Fukuyama denkt dat vertrouwen bepalend is voor economisch succes. De Nederlandse uitgever denkt dat Vertrouwen niet verkoopt. De econoom Aljo Klamer sprak met Fukuyama over trust en vertrouwen.

Daar vertelde mijn vrouw dat dezelfde fietsenmaker haar had aangeraden te wachten met het kopen van een nieuwe fiets voor onze zoon, totdat hij naar de middelbare school gaat. “Anders staat u na twee jaar weer op mijn stoep voor een nieuwe.”

U begrijpt dat wij deze fietsenmaker vertrouwen. We zijn zonder meer van plan te zijner tijd de nieuwe fiets bij hem te kopen, ook als die elders goedkoper is. Zo gaat dat.

Maar zo gaat dat niet in de commerciële wereld. Het kapitalisme heeft de neiging vertrouwensrelaties te ondermijnen. Mijn fietsenmaker kan niet concurreren met de grote jongens. De voorstanders van 'meer markt' vinden dat we daar niet om moeten treuren. Zij hebben geen geduld voor moralistisch gedoe en nostalgisch gepraat over een vertrouwensband met kleine winkeliers. We moeten slagvaardig zijn om op de wereldmarkten te kunnen concurreren, zeggen ze. Begint een politieke leider over het belang van het gezin, dan lachen zij meewarig.

Ik ben het daar niet met eens, ook al ben ik econoom. Het gedrag van mijn fietsenmaker zie ik als aanwijzing dat de samenleving werkt. En als ondernemers in de Verenigde Staten geen stap meer durven te zetten zonder juridisch advies, duidt dat op problemen.

De Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama heeft nu een lijvig boek geschreven met de treffende titel Trust. Cultuur heeft een grote en directe invloed op de economie van een land, stelt Fukuyama. Hechte familiebanden, veel sociale instellingen en gemeenschappelijke waarden creëren 'sociaal kapitaal'. En het zijn de landen met veel sociaal kapitaal als Japan en Duitsland die het economisch goed doen.

Dit was toch de man die in 1989 wereldberoemd werd met het essay 'Het einde van de geschiedenis'? Met de val van het communisme was de strijd van de ideologieën ten einde. De liberale democratie en het kapitalisme hadden definitief gewonnen, aldus Fukuyama.

Een typisch voorbeeld van Amerikaanse hoogmoed, dacht ik toen. Geloofden de Amerikanen nu echt dat hun land tot het einde der tijden het ideologische en culturele middelpunt van de wereld zou zijn? Een conservatieve marktideoloog leek deze Fukuyama. Dat juist hij een boek moest schrijven over vertrouwen en de rol van cultuur in de economie.

“Ik krijg geregeld de vraag of mijn Japanse afkomst een grote rol speelt”, zegt Fukuyama, die ter gelegenheid van de Nederlandse vertaling afgelopen week Nederland bezocht voor enkele lezingen en discussies. “Maar dat is niet het geval. Thuis kreeg ik niets over de Japanse cultuur te horen. Op de universiteit kreeg ik voor de eerste keer een college over het Japanse regeringssysteem. Ik hield er snel mee op. Te ingewikkeld. Pas later ben ik me in Japan en de landen in het oosten gaan verdiepen.”

Is dat niet opmerkelijk voor een man, wiens familie pas aan het begin van deze eeuw naar de VS kwam? En die tijdens de oorlog met de andere Japanse Amerikanen geïnterneerd was, omdat de Amerikanen bang waren dat ze een vijfde kolonne waren van de vijand? “Ik ben juist Europees opgevoed. Op school leerde ik Grieks en Latijn. En thuis spraken we Engels, geen Japans. Dat mijn familie zo geassimileerd is, zegt iets over de Amerikaanse samenleving, maar niet over mij.”

Een wetenschappelijke carrière heeft hij nooit geambieerd. Jarenlang werkte hij als beleidsadviseur op het ministerie van Buitenlandse zaken in Washington. Maar sinds het succes van 'Het einde van de geschiedenis' is hij verbonden aan een conservatief privé-onderzoeksinstituut, Rand Corporation. “Ik heb daar een eigen kantoor en een secretaresse. Maar in de praktijk kan ik de gehele tijd aan mijn boeken werken.”

Dat zijn breed opgezette en goed leesbare werk - dat af en toe ook langdradig is en in herhalingen vervalt - hem geen wetenschappelijke erkenning oplevert, brengt Fukuyama niet van de wijs. “De sociale wetenschappen in Amerika zijn te gespecialiseerd en gebalkaniseerd. Ze kunnen niet meer in één taal met elkaar communiceren en een wijder thema aanpakken.”

Fukuyama maakt een onderscheid tussen high trust-landen - de staten waar de mensen in groot vertrouwen met elkaar om gaan - en landen met weinig onderling vertrouwen, low trust. Hij richt zich daarbij op de geïndustraliseerde wereld. Daarin plaatst hij Italië, Frankrijk, Taiwan en China onder de low trust-landen, en Amerika maar vooral Japan en Duitsland bij de high trust.

Veel vertrouwen alleen is geen garantie voor een florerende economie, zo benadrukt Fukuyama. Taiwan en China doen het economisch goed ondanks het lage vertrouwensniveau in hun samenlevingen. En Japan ervaart de laatste jaren dat te sterke vertrouwensrelaties ook negatief kunnen werken. “De Japanse samenleving is te sterk gericht op gelijkvormigheid. Daarom loopt het land ook niet voorop bij de technologische vernieuwingen die nu plaatsvinden.”

Zijn boodschap betreft vooral de VS waar Fukuyama een erosie in de vertrouwensrelaties ziet. Het hoge percentage echtscheidingen, éénoudergezinnen, tienerzwangerschappen en de eindeloze civiele processen wijzen er op dat de VS in een crisis zit. “Het was altijd de kracht van de Amerikaanse samenleving dat zij erin slaagde individualisme te combineren met een sterk besef van gemeenschapszin, dat vooral van protestantse sekten zoals mormonen en baptisten afkomstig was. Maar de laatste vijftig jaar is die balans weg en is de VS de individualistische samenleving geworden, waarvoor velen haar altijd al hielden.”

Voor een belangrijk deel komt die crisis op rekening van de multi-culturele samenleving. Die is op hol geslagen, volgens Fukuyama. “We hebben in de VS een burgerrechtenrevolutie gehad. Die heeft de verderfelijke rassendiscriminatie afgestraft, maar is uitgelopen op een 'rechtencultuur', waar de uitoefening van een recht een doel op zich is geworden, welke gevolgen dat ook voor de samenleving mag hebben.” De staat is daardoor de vijand geworden van veel Amerikaanse gemeenschappen. Met de bom die in april dit jaar een regeringsgebouw in Oklahoma-stad verwoestte als triest resultaat.

“Natuurlijk is het belangrijk dat mensen hun eigen culturele achtergrond kennen. Maar het is in Amerika nu zover dat je niet meer mag zeggen dat Amerika ooit één cultuur heeft gehad. En de dominante Europese cultuur mag geen model meer zijn want die is alleen maar onderdrukkend. Op scholen mag je niet meer leren dat Thomas Jefferson een goed president was, want hij hield slaven. En ook president Lincoln mag je niet meer positief bespreken, want hij mag dan de slavernij hebben afgeschaft, hij heeft zich ook eens neerbuigend over zwarten uitgelaten.”

“Diversiteit kan grote voordelen hebben, maar hier werpt het in de eerste plaats barrières op en staat het de vorming van sociale verbanden in de weg. Wil je vertrouwen in een samenleving hebben, wil je een gezonde economie, dan zullen de Amerikanen weer een gemeenschappelijke 'taal van goed en kwaad' moeten vinden.” Maar voorlopig maken zaken als het proces tegen O. J. Simpson en de mars in Washington van Louis Farrakhan volgens Fukuyama de kloof alleen maar groter.

Het stopzetten van immigratie is geen oplossing voor die ethische versplintering. “Integendeel, dat zou juist een ramp zijn. Het is altijd de kracht van de Amerikaanse economie geweest dat zij van buitenaf de juiste mensen wist aan te trekken. Nog altijd is één derde van de Amerikaanse ingenieurs nieuw in het land.”

“Maar het debat over immigratie is ook misleidend. Want daar gaat het helemaal niet om. Het zou over assimilatie moeten gaan. Hoe zorg je ervoor dat etniciteit toch het besef van één gemeenschap versterkt, waarvan de mensen elkaar vertrouwen?”

Maar hoe creëer je dat vertrouwen? Volgens sommigen in de Nederlandse politiek is het gezin het antwoord. Fukuyama ondersteunt dat, maar hij voegt er aan toe dat te sterke familiebanden juist remmend kunnen werken. Zo stelt het confucianisme in de Volksrepubliek China, maar ook in Taiwan en Singapore, de trouw aan de familie boven elk ander verband. Zolang het om kleine bedrijven gaat, is dat een groot voordeel, want de hele familie werkt eendrachtig mee aan het succes. Maar omdat Chinezen niet-familieleden en vreemdelingen wantrouwen, ontstijgen zij nooit het stadium van familiebedrijf. Het is deze Chinese versie van het confucianisme die volgens Fukuyama ervoor zorgt dat er geen Chinese of Taiwanese multinationals zijn en dat niemand Chinese merknamen kent.

Japan doet het veel beter. Daar is de familie ook sterk, maar kleiner en minder hecht dan in China. Bovendien is ze opener voor buitenstaanders. Dat is het gevolg van de Japanse versie van het confucianisme, die ook sociale verbanden buiten de familie, zoals de trouw aan de heer, belangrijk acht. Dat vermogen om sociale verbanden aan te gaan, verklaart in belangrijke mate de economische kracht van Japan, de vele multi-nationals en overbekende merknamen.

Duitsland is met Japan vergelijkbaar. En ook Nederland hoort in het rijtje thuis, zegt Fukuyama, al heeft hij nog weinig onderzoek naar ons land gedaan. Het gaat om de burgerlijke waarden die in een gezond gezin gekoesterd worden, zoals eerlijkheid, integriteit en de wil om hard te werken. Zo'n gezin gunt de leden ook voldoende ruimte om zich in de buitenwereld te manifesteren. En het leert de leden zich te conformeren aan haar gewoonten en ritme.

Deze dualiteit is volgens Fukuyama cruciaal in een kapitalistische samenleving. Die daagt zijn leden uit tot individualiteit, initiatief en ondernemingslust. Maar zij vraagt hen tegelijkertijd zich te schikken in haar bedrijfs- en overheidsorganisaties.

Juist deze combinatie van persoonlijk initiatief en dienstbaarheid aan de onderneming - in feite dus goede familiewaarden - is een voorwaarde voor het bestaan van grote bedrijven. Weinig economen houden rekenig met deze verklaring wanneer zij proberen te verklaren waarom grote bedrijven zo onevenredig over de wereld verdeeld zijn. Er zijn andere factoren te bedenken, zoals de wetgeving en het koloniale verleden, maar Fukuyama's verklaring lijkt me minstens zo plausibel.

Vooral Duitsland doet het goed in Fukuyama's verhaal. Door hun grote vertrouwen geven Duitse managers de werknemers meer verantwoordelijkheden. De vakbonden zijn op hun beurt niet snel geneigd zijn een militante houding aan te nemen. Uitgebreide regelgeving is overbodig en staat flexibele werkmethoden toe. “Bovendien zijn de Duitse arbeiders trots op hun werk. Daardoor voelen ze zich niet alleen verbonden met hun klasse, maar ook met het bedrijf en het management.”

Maar ontbreekt dat vertrouwen, dan kan altijd de staat nog proberen in te grijpen. Fukuyama's voorbeeld is Frankrijk met haar sterk gecentraliseerd bestuur. Het dirigisme van de staat - dat hij ook verklaart uit de Franse geschiedenis met zijn absolutisme en de familiestructuren - heeft resultaat gehad, maar het verlamt de particuliere sector. “Wil Frankrijk een rol blijven spelen in sectoren waar bedrijfsomvang belangrijk is, dan zal de overheid zich daar intensief mee moeten blijven bemoeien.”

Wat kunnen we in Nederland met Fukuyama's verhaal? Zoals gezegd, heeft hij zich niet bezig gehouden met onze corporatistische samenleving. Het zou hem geholpen hebben. Want per slot van rekening drijft onze samenleving op het familiegevoel. We houden het in Nederland gezellig en werken samen in onze eeuwige strijd tegen de (buitenlandse) elementen. We moéten wel gezien de omvang van ons land. Ons familiegevoel zou ook verklaren waarom dit kleine land zoveel grote bedrijven heeft voortgebracht.

Fukuyama's principe van spontane sociale verbanden, die uit een samenleving groeien, is dan ook een goed Nederlands principe, te weten het protestantse beginsel van soevereiniteit in eigen kring. Zoals de anti-revolutionair Abraham Kuyper aan het begin van deze eeuw verkondigde, is het zaak zoveel mogelijk verantwoordelijkheid bij de belanghebbenden te laten. Het is een kwestie van waardigheid, maar ook van vertrouwen.

Misschien schuilt ons probleem wel in het verzaken van dit oude protestantse principe (of zijn katholieke zusje: het subsidiariteits-beginsel). De afgelopen twintig jaar is onze samenleving steeds meer gaan vertrouwen op de overheid, met als gevolg dat ons familiegevoel met zijn ingebouwd wederzijds vertrouwen en zijn gevoel voor solidariteit ondermijnd wordt.

Is dit een conservatieve conclusie? Fukuyama verzet zich tegen het conservatieve label. Afgelopen maandag verdedigde Fukuyama in een discussie met VVD-leider Frits Bolkestein de Nederlandse consensustraditie. “Nederland beseft niet hoe gezegend het is.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden