Vertellen, nu het nog kan

Janny en Eva Beem in de Amsterdamse Jodenbreestraat, 1939 (UIT: DE OORLOG)

65 jaar na afloop van de oorlog zijn er steeds minder mensen die daar nog uit eerste hand over kunnen vertellen. Dat verklaart de massale eindspurt aan getuigenissen.

De Tweede Wereldoorlog vormt een onuitputtelijke bron van kleine en grote verhalen. Maar die bron begint onherroepelijk op te drogen. Met het wegvallen van de eerste generatie, de mensen die de oorlog bewust hebben meegemaakt en er uit de eerste hand over kunnen vertellen, zal de stroom afnemen.

Aangewakkerd door dit besef zetten de laatste ooggetuigen hun ervaringen op papier en worden archieven uitgeplozen op onbekende dagboeken en documenten. Historici, schrijvers en journalisten zijn bezig met een massale eindspurt om nog zoveel mogelijk verhalen op te tekenen.

Hoewel er de afgelopen 65 jaar al duizenden boeken over de Tweede Wereldoorlog zijn verschenen, bevatten nieuwe boeken soms toch nog onbekende, verrassende of onthutsende informatie. Uiteenlopend van petites histoires die het beeld van de oorlog verder inkleuren tot epische verhalen.

In ’Die oorlog; opgroeien in bezettingstijd’ vertellen bekende Nederlanders hoe zij als tiener de oorlog hebben ervaren. „Als ik mijn oorlog moet samenvatten, dan moet ik zeggen dat het een ongelooflijk leuke tijd was. Erg hè?”, zegt choreograaf Hans van Manen. Kardinaal Ad Simonis beleefde het begin van de oorlog heel anders: hij dacht dat hij zou worden gedood door ’soldaten met pieken’. „Dus ik dacht meteen: ’Mijn laatste dag is gekomen, ik kom voor het oordeel.’ Nu was het in die tijd heel gebruikelijk om doordeweeks naar de kerk te gaan. Ik ging ook elke dag naar de mis van half acht. Dat deed ik toen ook. En ik ben meteen gaan biechten, want ik was bang dat ik anders niet in de hemel zou komen.’’

Persoonlijke verhalen voeren de boventoon in de boeken die de afgelopen weken op de markt zijn gebracht. Mondeling overgeleverde geschiedenis, oral history, is een beproefd middel om droge historische feiten tot leven te brengen. De valkuil kan zijn dat een boek te anekdotisch wordt en de bredere context mist. Maar over de Tweede Wereldoorlog is al zoveel bekend dat de lezer eventuele hiaten zelf wel kan invullen.

De jodenvervolging in Nederland komt in verschillende boeken aan de orde. Het boek over Selma Engel-Wijnberg, ’de vrouw die Sobibor overleefde’, leidde 65 jaar na dato zelfs nog tot officiële excuses van de Nederlandse regering over de slechte behandeling van joden die uit de concentratiekampen terugkeerden. Engels’ verhaal is dan ook buitengewoon navrant. Met haar Poolse man Chaim wist ze uit Sobibor te ontvluchten en tot de bevrijding onder te duiken. Terug in Nederland kreeg ze te horen dat ze het land zou worden uitgezet omdat ze met een Poolse man was getrouwd en daardoor de Nederlandse nationaliteit had verloren. Toch is dit verhaal vooral een aanklacht tegen de overwegend passieve houding van de Nederlandse bevolking. ,,Hoe was het mogelijk dat al die mensen naar de gaskamer gingen? Wij Hollanders waren zo dom, we konden het niet geloven. Ik kan het nog steeds niet geloven, mijn hele familie is weg. Het is onbegrijpelijk.”

Pas in de jaren zestig ontstond in Nederland bredere aandacht voor de jodenvervolging. Door Jacques Pressers boek ’Ondergang’ en de tv-serie ’De bezetting’ van Loe de Jong groeide het besef dat de meeste Nederlanders werkeloos hebben toegekeken hoe tijdens de oorlog zo’n 100.000 Joodse medeburgers werden afgevoerd naar de vernietigingskampen. De woede over het lot van de Joden is tastbaar aanwezig in het oorlogsdagboek van Klaartje de Zwarte-Walvisch, uitgegeven onder de titel ’Alles ging aan flarden’. Het dagboek werd in het Joods Historisch Museum ontdekt door researchers van de tv-serie ’De Oorlog’. De Zwarte werd in juli 1943 in Sobibor vergast, maar haar dagboek is bewaard gebleven. „Ik hoop vurig dat alles wat ik hierin heb geschreven nog eens de buitenwereld zal bereiken”, schrijft ze.

Die drijfveer is ook terug te vinden bij overlevenden van de concentratiekampen, zoals Janny Moffie-Bolle (’Een hemel zonder vogels’, door Esther Göbel), Ana Novac (’De mooie dagen van mijn jeugd’) en Chil Rajchman. In ’Een van de laatsten’ doet Rajchman gedetailleerd verslag van zijn gevangenschap in Treblinka. Hij weet te overleven door zich als kapper voor te doen. Rajchman moet de haren afknippen van vrouwen vlak voordat ze de gaskamer in gaan. Later wordt hij lijkdrager en lid van het Dentistenkommando, dat gouden tanden en kronen uit de gebitten van vergaste Joden moet verwijderen. Aanvankelijk worden de lichamen in kuilen begraven, maar uit angst voor ontdekking laten de SS-troepen de lichamen weer opgraven om ze te verbranden.

Op 2 augustus 1943 breekt in Treblinka een opstand van gevangenen uit. Rajchman noemt die datum zijn ’tweede geboorte’. Hij weet uit Treblinka te ontsnappen. „Ja, ik ben in leven gebleven en bevind me onder vrije mensen. Maar waartoe? Dat vraag ik me vaak af. Om de wereld te vertellen over de miljoenen omgebrachte, onschuldige slachtoffers, om te getuigen van het onschuldige bloed dat is vergoten door de moordenaars.”

De jodenvervolging is door haar aard en omvang het icoon geworden van het absoluut slechte waartoe de mens in staat is. Het is dan enigszins ontnuchterend om in ’Klasgenoten van Anne Frank’ te lezen over de onhebbelijkheden van het ondergedoken meisje dat door haar dagboek wereldberoemd werd. „Mijn moeder zei altijd: ’God weet alles, maar Anne weet alles beter.’ En zelf geloof ik dat Anne werkelijk dacht dat ze alles beter wist’’, tekent Theo Coster op uit de mond van een klasgenoot. Anne Frank omschrijft Coster in haar dagboek als ’een van mijn vele aanbidders, maar het is een nogal vervelend joch’. Coster voelde zich hierdoor ’niet bepaald gevleid’. „Eerlijk gezegd vond ik het feit dát Anne had geschreven indrukwekkender dan wát ze had geschreven. (....) Er stonden naar mijn mening een hoop meisjesachtige dingen in het dagboek en al die ruzies in dat huis begonnen me na verloop van tijd wat te vervelen.”

Het is zeer de vraag of de hausse aan boeken rond de 65e herdenking van de bevrijding de laatste zal zijn. De Tweede Wereldoorlog, en in het bijzonder de jodenvervolging, blijft het morele ijkpunt waaraan wordt afgemeten of iets ’goed’ of ’fout’ is. Maar is er ook voldoende lering uit de oorlog getrokken? Voormalig minister en Eurocommissaris Frans Andriessen stelt in ’Die oorlog; opgroeien in bezettingstijd’ dat de ’grijp- en graaicultuur van nu’ haaks staat op zijn ervaringen tijdens de Hongerwinter van 1944/1945. „Gelukkig is de oorlog al lang voorbij, maar we hadden er iets van moeten meenemen. We hadden het besef van de betrekkelijkheid van de dingen beter kunnen doorgeven. We zijn de oorlog in deze tijd écht kwijt.’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden