’Vertalen is van kunst kunst maken’

Marja Wiebes (links) en collega-vertaalster Margriet Berg. 'Vroeger vertaalden ze bloemrijker.' (FOTO MAARTJE GEELS) Beeld
Marja Wiebes (links) en collega-vertaalster Margriet Berg. 'Vroeger vertaalden ze bloemrijker.' (FOTO MAARTJE GEELS)

Marja Wiebes vertaalt al 30 jaar poëzie en proza vanuit het Russisch naar het Nederlands. Onlangs kreeg ze daar voor de derde keer een prijs voor. Het is de waardering voor een verscholen vak.

Joost van Velzen

’Het mooie van het vak? De voldoening een kunstwerk in een vreemde taal tot een kunstwerk in de eigen taal te maken. Je moet in elk geval van lezen houden, want nooit lees je een boek zo intens als wanneer je het vertaalt.”

Aan het woord is Marja Wiebes, vertaalster van beroep.

Zij en haar collega Margriet Berg kregen onlangs van het Internationale Vertaalcentrum voor Russische literatuur te Sint-Petersburg een onderscheiding voor de ’beste vertaling vanuit het Russisch uit de afgelopen drie jaar’ voor hun vertaling ’Werken’ van Anna Achmatova (uitgeverij Van Oorschot).

Het is alweer de derde prijs voor Wiebes. Vorig jaar nog won zij de Martinus Nijhoff Prijs, de jaarlijkse trofee voor de beste vertaling van een literair werk uit of naar het Nederlands. Wiebes vertaalde onder meer ’Oorlog en Vrede’ van Tolstoj (samen met Yolanda Bloemen) en werk van Trotski, Sjamalov en Tsjechov.

Een onderscheiding als de Martinus Nijhoff Prijs of die van het Russisch Vertaalcentrum is een vorm van waardering die beoefenaars van dit vak verder niet veel krijgen. Het imago van de vertaler blijft immers dat van de ondergewaardeerde eenling; het is een verscholen vak. „Je staat als vertaler inderdaad meestal niet prominent op het boek vermeld. Het is nu eenmaal een beroep in de luwte en veel mensen realiseren zich niet wat erbij komt kijken”, zegt Wiebes.

Wat erbij komt kijken, is volgens haar vooral geduld. „En je moet meer dan één soort goed Nederlands kennen. Bij het vertalen van een moderne Rus kom je automatisch ook bij moderner Nederlands terecht.”

Bij het vertalen van poëzie wordt bovendien een flinke dosis ’empathisch taalvermogen’ verlangd. Aanvoelen wat de dichter heeft bedoeld. „Aanvoelen ook welke woorden je niet gebruikt. Een woord als ’kluns’, dat doe je niet bij poëzie. Bij het Russisch is het nog eens een apart verhaal omdat die taal kort is en geen lidwoorden kent.”

Iets van de schrijver afweten, is volgens Wiebes eveneens van wezenlijk belang. „Tolstoj sprak bijvoorbeeld deftig. Dat moet je in de gaten hebben als je met zijn werk aan de slag bent.”

Als je aan een vertaling in één oogopslag kunt zien wie de vertaler is, wordt nogal eens gesteld, dan is het geen goede vertaling.

Maar Wiebes merkt dat dat vrijwel niet meer voorkomt. „Vroeger vertaalden ze wat bloemrijker en was de hand van de vertaler erin terug te lezen. Daar zijn we nu wel vanaf. Het is minder opgeklopt.”

Voor het zover was dat een al te vrije invulling van de taal uit de mode raakte, is wel de nodige strijd geleverd. Karel van het Reve, destijds Wiebes’ hoogleraar Slavische talen en letterkunde aan de Universiteit van Leiden, ging daarin voorop. „Samen met Van het Reve vormden we een groepje dat pleitte voor meer sobere Russisch-Nederlandse vertalingen.”

Het moest anders dan collega Charles B. Timmer het deed, destijds dé man in dit ambacht. Wiebes benadrukt dat Timmer ontzettend veel gedaan heeft en wel degelijk van betekenis is geweest. Zo was hij een van de eersten die Russische literatuur rechtstreeks uit de moedertaal naar het Nederlands transformeerden, waar het destijds nog gebruikelijk was dat dit via de Duitse, Franse of Engelse vertalingen verliep. „Maar om met Karel van het Reve te spreken: ’Timmer strooide wel erg met de peperbus van uitdrukkingen’. Dan stond er bijvoorbeeld ’Het is bedtijd’, maar daar maakte hij dan van ’Het is zo langzamerhand tijd om de koffer op te zoeken’.”

Van het Reve, die na zijn emeritaat samen met zijn andere studenten regelmatig bij Wiebes thuis over de vloer kwam om gedichten te vertalen, is belangrijk geweest voor Wiebes’ beroepskeuze. Zijn enthousiasme en ontspannen uitstraling waren aanstekelijk. „Ik weet niet of ik er anders wel aan gedacht zou hebben om voor dit vak te kiezen.”

En het beeld van de eenzaam voortploeterende vertaler op de zolderkamer? Herkent Wiebes zich daar in? „Samenwerken is voor mij juist heel belangrijk. Ik doe bijvoorbeeld veel met collega-vertaalsters Yolanda Bloemen en Margriet Berg. We zitten dan vaak naast elkaar als we aan de slag gaan. Zo blijf je allebei scherp.”

Wiebes (74) kan zich voorstellen dat niet iedere jongere in eerste instantie denkt aan het vak van vertaler bij hun beroepskeuze. „Je moet er zin in hebben. Maar als je eenmaal bent begonnen, wil je er niet meer mee ophouden en steeds meer boeken vertalen.”

Ook wijst Wiebes, die naast haar vertaalinkomsten ook AOW heeft, op het belang van subsidies. „Als er geen Fonds voor de Letteren-beurzen bestonden, kon niemand van het vertalen van literatuur bestaan.”

Maar uiteindelijk zijn het toch de uitgevers die het beroep hoog moeten houden.

Wiebes prijst Wouter van Oorschot dan ook voor zijn durf om dichtbundels als die van Achmatova uit te geven. „Dichtbundels verkopen in Nederland meestal slecht. Dus zolang er nog uitgevers bestaan die hun nek durven uitsteken voor echte literatuur, zal het wel meevallen met het vak.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden