Verstopte Franse wegen

Op 8 september 1914, zo tegen elf uur 's ochtends, vertrok luitenant-kolonel Richard Hentsch per automobiel vanuit Luxemburg, waar het Duitse hoofdkwartier was gevestigd, naar het front, op zoek naar de legers die volgens het Schlieffen-Moltkeplan via een grootscheepse omsingelingsbeweging door België en Noord-Frankrijk de vijandige troepen in de rug moesten aanvallen en vernietigen. De Slag aan de Marne woedde reeds twee dagen en de volgende dag, 9 september, precies de veertigste dag van het offensief, zou volgens het strakke Duitse tijdschema de strijd beslist moeten zijn. Maar de Duitse opperbevelhebber Helmut von Moltke had geen idee waar zijn legers zich bevonden en hoe hun situatie was. Vandaar dat hij Hentsch op onderzoek uitstuurde.

Moltke was nogal pessimistisch over de goede afloop en hij gaf Hentsch volmacht om, indien nodig, de terugtocht te coördineren. Onzekerheid en pessimisme bestond ook aan de andere zijde van het front. In de loop van de avond van 8 september noteerde de Franse opperbevelhebber Joffre: ,,Mijn centrum stort in, mijn rechtervleugel trekt zich terug. Toestand excellent. Ik val aan.' Daarentegen was de aanvoerder van het Duitse Eerste leger, Kluck, vol vertrouwen: ,,Morgen valt de beslissing door een omsingelingsaanval.' Dit optimisme werd niet gedeeld door zijn collega van het Tweede leger, Bulow, met wie Hentsch tegen middernacht confereerde. Bulow vreesde dat de kloof tussen het Eerste en Tweede leger gevaarlijk groot was geworden. De vijand zou daar op desastreuze wijze gebruik van kunnen maken. Om dit te verhinderen moest naar beider oordeel tot de terugtocht besloten worden. De volgende ochtend, 9 september, gaf Bulow inderdaad daartoe bevel terwijl Hentsch op weg ging om ook Kluck daartoe te adviseren. Aldus werd de Slag van de Marne beslist. De Duitse legers begonnen hun terugtocht en groeven zich wat noordelijker aan de rivier de Aisne in.

Het grote Duitse waagstuk om in een bliksemoffensief eerst in het Westen de vijand te verslaan om vervolgens met alle beschikbare middelen Rusland aan te vallen was mislukt.

Moltke, die overigens op 14 september als opperbevelhebber werd ontslagen, zijn vele verwijten gemaakt. Was het niet bizar om zo'n ondergeschikte officier als Hentsch met zulke cruciale volmachten op pad te sturen? Had hij niet beter zijn legeraanvoerders moeten controleren zodat zij niet min of meer eigenhandig tot de terugtocht hadden kunnen besluiten? Andere kritiek is zwaarwegender. Moltke had, tegen de uitdrukkelijke opdracht van zijn voorganger graaf Alfred von Schlieffen in, de aanvalskracht van zijn rechtervleugel verzwakt waardoor bij de beslissende slag van de Marne slechts 30 Duitse tegenover 36 geallieerde divisies stonden. Een inferioriteit die hoe dan ook tot de terugtocht had moeten dwingen. Door Moltke's wijzigingen van het oorspronkelijke plan van Schlieffen moest het offensief wel mislukken.

Het gaat er nu niet om precies het belang van die wijzigingen uit te meten. Ook al is wellicht de belangrijkste wijziging dat Moltke, in tegenstelling tot Schlieffen, besloot de Nederlandse neutraliteit te eerbiedigen. Voor ons land een niet geringe bijkomstigheid. Het gaat erom de gedachte ter discussie te stellen dat het ongewijzigde Schlieffenplan wel grote kans op succes zou hebben gehad. Dat is immers de basis van de kritiek op Moltke.

Na jarenlange voorbereiding legde Schlieffen zijn plannen vast in het Grote Memorandum van december 1905. Wie dit stuk met al zijn voorontwerpen en annexen leest, kan niet anders dan constateren dat ook Schlieffen zelf niet geheel overtuigd is van succes. Of, sterker geformuleerd, op verschillende plaatsen stelt hij vast dat de Duitsers voor de hele onderneming te zwak zullen blijken te zijn: Ehe die Deutschen an die Somme oder Oise kommen, werden sie sich überzeugt haben dass sie fur das Unternehmen zu swach sind. Schlieffen berekende, om precies te zijn, dat hij op het beslissende moment op de plaats waar de grote slag zou plaatsvinden, zo'n 200000 man, acht legerkorpsen, tekort zou komen. Op zich zou het gezien de omvang van de Duitse bevolking geen probleem zijn geweest die extra soldaten te mobiliseren. Maar zelfs als dit gebeurd was en wanneer Moltke zonder enige wijziging Schlieffens plan voor de opmars zou hebben uitgevoerd, dan nog zou hij op die beslissende veertigste dag van het offensief aan de Marne die acht legerkorpsen tekort zijn gekomen. In zijn boek The First World War toont John Keegan op verbluffend eenvoudige wijze aan waarom dit onvermijdelijk was. Het is een simpele kwestie van militaire logistiek, die als het geheim van de militaire file kan worden aangeduid. In kolonne opgesteld strekt een legerkorps zich over een lengte van 29 kilometer uit. Een zwaar bepakte soldaat kan 32 kilometer per dag afleggen, hetgeen rijkelijk veel is, zeker wanneer ervan uit wordt gegaan dat de Duitse veldtocht vele honderden kilometers besloeg en er dus weken achtereen gemarcheerd moest worden. Schlieffen rekende met een gemiddelde van 20 kilometer. Dat betekent dat de staart van de kolonne 's avonds nog op het vertrekpunt staat. Dat schiet natuurlijk niet erg op. Naarmate er meer parallel wegen zijn, gaat het natuurlijk sneller. Maar uiteindelijk bepaalt de capaciteit van het wegennet hoe omvangrijk een opmarcherend leger kan zijn. Als militair vakman besefte Schlieffen dit zeer wel.

Uiteindelijk bepaalde niet de omvang van het Franse leger hoe groot het Duitse leger zou moeten zijn om de overwinning te behalen, zoals logisch zou zijn. Die omvang werd bepaald door de capaciteit van het Franse wegennet. Schlieffen rekende ermee dat hij mankracht tekort zou komen, precies dus die 200000 die de geallieerde overmacht op 9 september aan de Marne van 36 tegen 30 divisies in een Duits overwicht veranderd zou hebben. Hij wist ook dat hij die extra soldaten op de Franse wegen niet kwijt zou kunnen. Zij zouden slechts tot een geweldige verkeerschaos hebben geleid, die de bevoorrading van de frontlijnsoldaten, in september 1914 toch al problematisch, volledig gestagneerd zou hebben.

Dit was dus het probleem dat Schlieffen niet kon oplossen: voor een overwinning had hij meer soldaten nodig dan hij gezien de capaciteit van de Franse wegen op de juiste tijd en plaats kon krijgen. Zijn twijfel aan het welslagen van zijn eigen plan was dus alleszins begrijpelijk, het pessimisme waarmee Moltke aan de oorlog begon des te meer. Niet de moed van de Franse soldaten, het genie van Joffre, de onbezonnen beslissing Richard Hensch of het falen van Moltke, Kluck of Bulow, maar het Franse wegennet leidde tot het mislukken van het Duitse offensief. Het Schlieffenplan, ook in zijn oorspronkelijke vorm, was gedoemd te mislukken. Schlieffen maakte het zelf niet meer mee. Hij stierf op 4 januari 1913.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden