Versterkte kerken boden schuilplaats aan bedreigde burgers

In het noorden van Frankrijk staan kerken als forten. De weerbarstige gebouwen in het glooiende landschap zijn een ontdekkingsreis waard.

Grensgebieden kennen een eigen soort charme. Waar uiteenlopende culturen tegen elkaar botsen en het vreemde tot problemen leidt, ontstaan oplossingen met een onverwacht karakter, die voor een schilderachtig effect kunnen zorgen. Neem Noord-Frankrijk.

De streek van de Thiérache, het grensgebied met België dat begint zodra je Maubeuge in zuidelijke richting hebt verlaten, is geen groot gebied. Van oost tot west meet het niet meer dan zo'n 65 kilometer waarbij het zowel de noordoostelijke hoek van het departement Aisne bestrijkt als de westzijde van de Ardennes; noord-zuid bedraagt de afstand niet meer dan een kleine 40 km.

De Thiérache wordt doorsneden door vier rivieren (Oise, Thon, Serre en Brume) die ervoor hebben gezorgd dat de streek rijk aan valleien is. Tot grote steden heeft dat evenwel niet geleid: Hirson is met 10000 inwoners de belangrijkste stad in de streek. De twee andere plaatsen met een enigszins stedelijke allure, Vervins (5000 ) en Guise (2000), speelden in het verleden een belangrijke militaire rol maar hebben nu alleen nog maar een streekgebonden belang.

Naar de Thiérache ga je voor het platteland dat hier, vanwege die veel voorkomende valleien behoorlijk geaccidenteerd is. Zeker langs de bochtenrijke loop van de Oise, die ten noorden van de Thiérache in de Belgische Ardennen ontspringt, zie je van verre de kleine dorpen die allemaal opvallen door de markante kerken. Markant én monumentaal, want met hun militaire verschijning stralen ze nauwelijks een religieuze of mystieke sfeer uit. Ze hebben zelfs iets ongenaakbaars, met hun donjons, uitzichttorens met werpopeningen (machicoulis) en spied- en schietgaten in de metersdikke muren die de kerkgangers voor de indringers moest beschermen.

Plunderende soldaten

Want met die indringers wist dit van huis uit vrome volk geen raad. Zoals het in een echt grensgebied toegaat, moesten de Fransen in de 16de en 17de eeuw met lede ogen zien hoe een vreemde mogendheid van tijd tot tijd hun land binnenviel. In het noorden woedde de onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlanders waarvoor Spanje regelmatig een leger stuurde om de volgelingen van Willem van Oranje tot de orde te roepen. Die Spaanse soldaten kregen niet altijd op tijd hun soldij en trokken dan plunderend door het land op zoek naar buit die ze bij de plaatselijke bevolking meenden te vinden. De Franse boeren werden de plunderaars al snel beu -gezegd moet worden dat ook de troepen van de eigen vorsten zich wel eens aan dergelijk gedrag overgaven- en besloten om midden in hun dorp een toevluchtsoord te maken.

Eigenlijk was dat een taak voor de adel, maar die was niet altijd in staat om met de nodige defensieve middelen op te treden. In bijna elk dorp besloot men daarop om voortaan heil en toevlucht in de kerk te zoeken. Die werd voorzien van dikke muren en vaak ook van een donjon compleet met (schiet)gaten, waardoorheen kogels en hete pek geworpen kon worden op de vijand als die zich aan de voordeur durfde te vertonen.

Norse donjon

Nog altijd staan er in de Thiérache een kleine 70 kerken die op de een of andere wijze van een versterking zijn voorzien. Het aantal moet veel groter zijn geweest, want door de voortdurende oorlogen die het gebied nadien hebben getroffen (de Dertigjarige Oorlog, de godsdienstoorlogen) is menige vestingkerk vernietigd. En lang niet altijd kwam er een gelijksoortige nieuwbouw voor in de plaats.

In Beaurain gebeurde dat wel. Daar werd, op zichtafstand van Guise (in de vallei van de Oise staan de versterkte kerken in visueel contact met elkaar) na de Spaanse vernietiging van het nabijgelegen Flavigny in 1650 een kerk gebouwd die eruitziet als een middeleeuwse burcht. De klokkentoren is uitgegroeid tot een norse donjon die aan weerszijden door geblindeerde torens wordt geflankeerd. Deze torens keren ook aan de oostzijde terug, waardoor er geen sprake kan zijn van een koornis. Onder het dak bevindt zich een vluchtzaal die toegankelijk is via een smalle trap die direct bij de entree in de donjon is te vinden. Op de begane grond, waar in barre tijden het vee werd gestald, bevinden zich nog een schoorsteen voor een vuurplaats, een put voor drinkwater en, tamelijk uitzonderlijk, ook een broodoven. In het interieur zijn in de zijmuren schietgaten te vinden. Tegenwoordig zijn die met een eenvoudig stuk glas afgedicht, maar je vindt er ook nog wel die open zijn gebleven.

Vogelnestjes

De kerk van Beaurain is niet als een eenduidig type voor de hele Thiérache te beschouwen. Elke kerk is in de loop der tijd volgens lokale maatstaven versterkt, waarbij wel steeds dezelfde elementen terugkeren. Zo is er meestal in het interieur een stookplaats te vinden, maar kent de kerk van Wimy, niet ver van Hirson, er zelfs twee. Machicoulis (Nederlands mezenkouw, oftewel de gaten van waaruit brandende stoffen en kogels naar beneden werden geworpen) zijn overal te vinden, maar die van Burelles, Aouste en Liart in het departement Ardennes (waar de donjon bij uitzondering niet vierkant maar breed en rechthoekig is) zijn uit architectonisch oogpunt ware schatten. En voor de mooiste échauguettes (de uitkragende torentjes die als vogelnestjes aan de donjon hangen) komen Plomion, Englancourt en Jeantes (waar in het interieur muurschilderingen van de Limburger Charles Eyck zijn te zien) in aanmerking.

Vee op stal

De ontwerpers van dit defensief vertoon waren al in hun eigen tijd anoniem, laat staan dat hun namen de tijd hebben getrotseerd. Vreemd genoeg zijn er ook weinig bronnen die getuigenis geven van het gebruik in nood van de kerken.

Pascal Rodriguez en Marcel Mehaut, die respectievelijk de versterkte kerken in de Aisne en in de Ardennes hebben bestudeerd, zijn vrijwel geen archiefstukken tegengekomen waarin sprake is van een langdurig verblijf van de dorpelingen in de kerk. Rodriguez: ,,We mogen ervan uitgaan dat de boeren hun vee voor drie, hoogstens vier dagen in het schip van de kerk op 'stal' zetten en vervolgens in de refugezaal de nacht doorbrachten. Langer zal het niet hebben geduurd, want de vreemde soldaten waren meestal ook op doortocht en konden zich een langer verblijf in het dorp dat werd platgebrand, niet permitteren. Als ze de kerk wilden innemen, werden ze getrakteerd op kogels en teer.'' Mehaut: ,,De rol van de kerk is evenmin belicht. We weten nauwelijks wat de positie van de plaatselijke pastoor of priester was. Bood hij de mensen op eigen instigatie gastvrijheid in zijn godshuis of moest hij alles maar gedogen?''

Napoleon

Naarmate het defensieve belang van de versterkte kerken afnam, raakten ze in de vergetelheid. Onder Napoleon, die bekendstond als een apert tegenstander van de kerk, werden overigens nog wel kerken gesloopt of voor andere doeleinden gebruikt (niets leukers bestond voor hem om zijn manschappen op het hoogaltaar te laten slapen als ze op weg waren naar de Zuidelijke Nederlanden).

In deze tijd zijn de kerken meestal nog open, in de kleine dorpen wordt bij uitzondering de mis een enkele keer op zondag opgedragen. Het tekort aan priesters is zo groot dat iedereen wordt opgeroepen op zondag naar de grote stad ter kerke te gaan. Sommige kerken worden nog wel gebruikt voor huwelijksvoltrekkingen. Of ze stromen die enkele keer vol voor een begrafenis. Dat hebben alle 66 fortkerken in de Thiérache gemeen: ze worden allemaal omgeven door een kerkhof dat volgepakt staat met vaak de mooiste oude zerken.

Voor dit verhaal werd medewerking verleend door de VVV's van het departement Aisne, de gemeente Hirson en de Conseil General de Tourisme van de regio Champagne-Ardennes.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden