Verstaat gij wat gij leest

“Waar geen sterveling het in zijn hoofd haalt zich te schamen voor de Griekse Oudheid, geneert men zich voor de cultuur van de Bijbel. Want de christelijke cultuur komt uit Staphorst en de antieke cultuur uit Athene. Kortom, het wordt tijd voor Bijbelse geschiedenis als eindexamenvak. Verplicht.” Een pleidooi voor de school met de Bijbel.

Voor ons, lezende stervelingen, ligt het even anders. Wij begrijpen van de geschiedenis van Quinten Quist de helft niet als we niet op de hoogte zijn van een groot aantal bijbelse verhalen. Zonder kennis van bijvoorbeeld de geschiedenis van Mozes, de betekenis van de Ark des Verbonds, het boek Job, dat als een soort voorbeeld dient voor de latere mysteriespelen waarvan De ontdekking van de hemel er een is, ontgaat ons de symboliek en structuur van Mulisch' roman. De lezer kan zich een goddelijke onnozelheid à la Quinten Quist niet permitteren.

Het is een platitude vast te stellen dat wij het gros van de produkten uit de Westerse cultuur niet kunnen plaatsen zonder gedegen bijbelkennis. Dat geldt in de eerste plaats voor de oudere kunst. Om maar eens iets te noemen, de zestiende-eeuwse beeldende kunst bestond voor negentig procent uit bijbels geïnspireerde schilderijen, of die nu voor kerken of voor koopmanshuizen bestemd waren. Voor de literatuur gold hetzelfde. Tot diep in de achttiende eeuw werd het aanzien van de kunst bepaald door de religie. Onze wereld is er nog altijd van doordesemd.

Iedereen realiseert zich dat je 'De aanbidding van het Lam Gods' van de gebroeders van Eyck of, om een voorbeeld van later tijd aan te halen, de Jozef-trilogie van Thomas Mann, niet buiten bijbelse voorkennis kunt begrijpen. Maar de omvang van de invloed van de Bijbel wordt pas duidelijk als je je de problemen voorstelt bij het interpreteren van niet-bijbelse kunst, zonder dat je enig benul hebt van de bijbelse iconografie.

Niet alleen Ben Hur of Quo Vadis zou ik dan niet begrijpen maar ook niet het gemaskeerde optreden van Jezus in Dostojevski's De idioot. De Salome van Richard Strauss zou even onbegrijpelijk blijven als die van Audrey Beardsley. Wat zou ik niet missen als ik in de hoofdpersoon uit Günther Grass' roman (en de ernaar gemaakte film) Die Blechtrommel niet de Jezus- en Maria-symboliek herkende. Kafka's Der Prozess is zonder het Bijbelboek Job ondenkbaar. En wie de gedichten van Trakl wil lezen zonder iets van de beelden en de taal van de Apocalyps te weten is als een marsman die de betekenis van de Kamasoetra probeert te achterhalen.

Zelfs uitgesproken profane kunst wordt grotendeels onverstaanbaar zonder bijbelkennis. Neem een passage uit een van de atheïstische gedichten van Hugo Claus: 'De man van Tarsus (vrijgezel of gescheiden of / weduwnaar) zendt nog zijn brieven met de klemtoon / op het kwaad. Met zijn boodschap brengt de postbode / dodelijk poeder in ons huis.' Wat te doen als de naam 'Tarsus' niets in je wakker roept?

Iets vergelijkbaars geldt voor Bunuels surrealistische film La voie lactée, een uiterst onchristelijk produkt over uiteenlopende ketterijen, die zonder kennis van de christelijke cultuur volslagen in de lucht blijft hangen.

En dat is allemaal nog kunst met een grote K, maar ook van de videoclipjes van Madonna begrijp ik zonder de bijbelse allusies niet veel, noch waar de negro-spiritual Go down Moses (of William Faulkners gelijknamige roman) aan refereert. Ook de Messiaanse heilssymboliek in films als Being there of The Lion King zou in het geheel niet aan me besteed zijn.

Iemand die niets van de Bijbel weet loopt in onze cultuur rond als een vreemdeling in China die geen letter Chinees kan lezen. Men kan, zoals de criticus Carel Peeters ooit deed, de Bijbel een 'achterlijk' boek vinden vanwege de erin verkondigde moraal, maar dat neemt niet weg dat het, in de woorden van de dichter/schilder William Blake, tegelijkertijd 'de Grote Code van de Kunst' is. En de literatuurwetenschapper Northrop Frye formuleerde het als volgt: 'Waarom zit daar raadselachtig in het midden van onze culturele erfenis dat kolossale, vormloze, tactloze boek, en waarom kan men er niet omheen?'

Intussen is het juist met de kennis van dat kolossale boek vrij treurig gesteld aan het raken. Over de kleinere geschiedenissen, het verhaal van Bileam en de sprekende ezel bijvoorbeeld, of de bekering van Paulus op weg naar Damascus, weet de gemiddelde student, om maar iets veelbelovends te noemen, inmiddels niks meer.

Toen ik onlangs tijdens een college een dichtregel van Robert Anker 'Laat mij daar achter in de Unico een roos ontbloeien' in verband bracht met Jesaja 35 : 1 (oude vertaling: 'De wildernis zal bloeien als een roos') en via Nijhoffs regel 'Laat mij daar midden uit de oneindigheid / een stem vernemen dat mijn oren klonken' ook met de geschiedenis van de roeping van Samuel, bleek niemand die teksten te kennen (nou ja, geen doodzonde), maar ook wisten ze niet wie Jesaja en Samuel meer waren dan 'figuren uit de Bijbel'. 'Verstaat gij wat gij leest,' riep ik er nog quasi-wanhopig achteraan, maar de blikken bleven blanco.

De oorzaken voor dit verschijnsel zijn duidelijk aan te wijzen. Sinds ontzuiling en secularisatie in onze cultuur onverbiddelijk hebben doorgezet is ook het boek van de bijbehorende religie, de Bijbel, naar de achtergrond gedrongen. Het lijkt een vanzelfsprekende ontwikkeling, maar is het dat ook?

Als boek voor hedendaagse lezers heeft de Bijbel last van het haar toegedichte religieuze, morele en propagandistische gehalte en die besmetting heeft zich ook uitgebreid over het boek als bron van geschiedenissen en cultuurhistorische symbolen. Waar geen sterveling het in zijn hoofd haalt de moraal en het menselijk gehalte van de antieke kunst te betwijfelen (integendeel, onze kunst baadt in de oude tragedies), daar geneert men zich voor de cultuur van de Bijbel. Want de christelijke cultuur komt uit Staphorst en de antieke cultuur uit Athene.

Iedereen die zich met literatuur, beeldende kunst of muziek bezighoudt erkent het belang van die oude Bijbel, maar er zijn nauwelijks instanties die het onderwijs erin voor hun rekening nemen. Je hoort er tenminste, behalve in theologische kringen, niemand over; men realiseert zich niet dat met het badwater het kind dreigt te worden weggegooid.

Vroeger kwam de Bijbel op allerlei manieren tot je. Thuis werd er uit voorgelezen, aan het eind van de week hoorde je de preek. Als je naar de preek niet beliefde te luisteren, omdat er vanaf de kansel zulke onzin werd verkondigd, bladerde je in het enige boekje onder bereik, het handbijbeltje. Het ging vanzelf; zonder dat je het in de gaten had, wist je na enige tijd wie Sadrach, Mesach en Abednego waren, en wat Gehazi had misdreven. Terwijl men je vanaf de kansel vooral probeerde te bepalen bij het offer van Christus las je op eigen houtje de vreemdste verhalen, zoals die over 'De schanddaad te Gibea' in Richteren 19 (een verhaal waarover ze op de vrouwenconferentie in Peking eens hadden moeten discussiëren).

Deze vanzelfsprekende voedingsbodem is, behoudens in een aantal orthodoxe enclaven die juist niet de meest prominente bijdrage aan onze kunst leveren, allang weggeslagen. Het verlies van de Bijbel als familie-voorlees en -vertelboek wordt niet opgevangen of gecompenseerd door het onderwijs.

Het dienstdoende vak, Religie of Godsdienst geheten, bestaat uit het verschaffen van inzichten in maatschappelijk relevante religieuze denominaties; alleen als het strikt noodzakelijk is, komt men daarbij over de feitelijke inhoud van de religieuze werken te spreken. Dat Gehazi heenging, 'melaats als sneeuw', komt op die manier niemand aan de weet.

Het merkwaardige verschijnsel doet zich daardoor voor dat in onze neo-hellenistische, op de nieuw-ontdekte wereld om ons heen gerichte cultuur de eigen oorsprong allengs vergeten raakt. Een gevolg daarvan is dat een gymnasiast uitgebreid wordt ingelicht over de Goden, Godjes en helden uit de antieke geschiedenis maar niet over de figuren uit de Bijbel die zijn wereld in minstens even grote mate hebben bepaald.

De vraag is of de schade, nu de Bijbel als vanzelfsprekende aanwezigheid uit onze wereld is verdwenen, nog valt te repareren. Er zijn boeken die de leek inlichten omtrent de bijbelse geschiedenis. Zo heb je naast het enigszins mislukte De schrift herschreven van Jaap Goedegebuure, verder een 'Prisma van de bijbelse persoonsnamen', Wie is wie in het Oude Testament en, nog veel mooier, de A-Z boeken van uitgeverij Sun, waarin voor het Oude en het Nieuwe Testament afzonderlijk alle religieuze thema's en hun weerslag in literatuur, beeldende kunst en muziek encyclopedisch worden behandeld.

Maar het probleem met deze boeken is dat het naslagwerken zijn, je moet al weten wat je zoekt voor je er wat aan hebt. Ze vertellen je wel wie Malchus is en in welk hoofdstuk je 'm kunt vinden, maar je moet eerst zelf op de vraag naar Malchus' bestaan komen.

Een belangrijke eigenschap van door de Bijbel, en trouwens door elk religieus werk, geïnspireerde kunst is dat ze zichzelf niet uitlegt. Wie een kathedraal zonder voorkennis betreedt, begrijpt niet zomaar wat er op al die deuren, panelen en ramen wordt uitgebeeld; je moet de Bijbel al terdege kennen alvorens de door de kunst weergegeven gestalten te herkennen.

Het onderwijs zou iets op die gaping aan kennis moeten verzinnen, met in het achterhoofd de gedachte dat de bijbelse geschiedenis even onmisbaar is voor het snappen van onze cultuur als kennis van de evolutietheorie dat is voor het begrijpen van fysische en geografische processen. Dat bijbelkennis als vak minder goed 'verkoopt' dan de evolutietheorie is juist een symptoom van de kwaal die bestreden moet worden. Kortom, het wordt tijd voor bijbelse geschiedenis als eindexamenvak. Verplicht. De school weer met de Bijbel.

Op het gymnasium lazen wij, om de antieke cultuur te begrijpen, het boek 'Goden- en heldensagen', een boek waarin de voornaamste geschiedenissen uit de Griekse mythologie werden verteld. Het had geen religieuze bedoeling, niemand hoefde het te geloven, er stond gewoon in wat Sisyphus en Phaëton overkwam, aan welke ondernemingen Herakles begon. Zo'n boek over de bijbelse mythologie zou in elk geval in de eerste behoeften kunnen voorzien.

Maar terwijl ik dit opschrijf, twijfel ik. Want bij een deugdelijke samenvatting van de Bijbel ben je de taal kwijt. Hou zou je, in een dergelijk overzichtswerk, in vredesnaam de psalmen moeten samenvatten, waar ergens zou je geattendeerd worden op een tekst als 'De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets; / hij doet mij nederliggen in grazige weiden; / Hij voert mij aan rustige wateren; / Hij verkwikt mijn ziel.' zonder dewelke ik het werk van Rutger Kopland niet begrijp. Hoe zou ik de mystiek van Gerard Reve kunnen volgen zonder kennis van het bijbelse taalgebruik.

De Bijbel bestaat nog, maar de paplepel is weg. Toekomstige generaties zullen zich de inhoud van dat boek der boeken met moeite moeten eigen maken.

Het probleem is ook niet dat een vak 'Bijbelse geschiedenis' geen toekomst zou hebben maar dat de geseculariseerde maatschappij door pudeur wordt bevangen als het om het onderwijs ervan gaat. Bijbelse mythologie moeten we de privileges van de antieke cultuur durven geven, zodat ook in de toekomst de jongelingen in de oven van dit gedicht van Yeats niet onopgemerkt blijven:

O wijze mannen in Gods heilig vuur als in een gouden mozaiek gevangen, kom uit dat heilig vuur, die werveling, en leer mijn ziel dan uw gezangen, verteer mijn ziel geheel; ziek van verlangen, geketend aan een stervend dier, weet het niet wat het is; ik wens mij ingelijfd bij het kunstmatige dat eeuwig blijft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden