Verscheurd tussen angst en nieuwsgierigheid

Zoete mond, de nieuwe roman van Thomas Rosenboom, is anders dan alle voorgaande. Persoonlijker, zachter. Met een hoofdpersoon die bijna sympathiek is en een eind dat bijna happy is. In Tolkamer, een dorpje aan de Rijn tegen de Duitse grens, waar de roman zich afspeelt, praat Rosenboom over monomanie, eenzaamheid, onzekerheid. En over zijn konijn, waar het allemaal mee begon.

Aan zijn vijfde roman ’Zoete mond’, die morgen uitkomt, werkte Thomas Rosenboom vijf jaar – maar dat hadden er ook gemakkelijk zeven kunnen zijn. Doorgaans schrijft hij aan de hand van een strak ontworpen schema, dat als behangrol op de grond ligt of in grote vellen papier aan de muur hangt, en waarin alle hoofdstukken, personages en verhaallijnen hun plek kennen. Met ijzeren regelmaat en elke dag hetzelfde leefpatroon, hetzelfde eten zelfs. Die regelmaat werd dwangmatig en Rosenboom besloot het dit keer anders aan te pakken.

„Mijn eerdere boeken begonnen altijd met een verhaallijn. Zonder dat ik al wist wat de thema’s zouden worden; die verhaallijn was leidend. ’Zoete mond’ is heel anders begonnen, namelijk met een gevoel. Een jaar of zes geleden kreeg ik een konijn in huis. En dat wekte zo veel dierenliefde, zo veel vertedering bij mij op. Het was alsof er iets in mij open ging. Ik voelde een zachte kant van mijzelf beschikbaar komen. Daar wilde ik iets mee doen.

„Een konijn, ja, dat was voor mij zelf ook een verrassing. De liefde voor zo’n dier, die je kan overweldigen, kan bedwelmen haast. Ik wilde een zacht boek schrijven in plaats van een benauwend boek. Een meanderend verhaal, zonder zo’n voortstuwende intrige.

„De hoofdfiguren kwamen pas later. Ik had bedacht dat die dierenliefde die mij zelf was overkomen, een heel dorp in de greep zou moeten krijgen. En die moest weer veroorzaakt worden door een buitenstaander. Dat werd een dierenarts, Rebert van Buyten, een eenzame man die hunkert naar contact met mensen. Een ander gegeven kwam van een documentaire die ik een aantal jaar geleden zag, over een witte walvis die in 1966 de Rijn opzwom, tot het Ruhrgebied, en toen weer terug ging naar zee. Daardoor dacht ik ook aan dit gebied als plaats van handeling. Later kwam er een tegenspeler bij, Jan de Loper, gemodelleerd naar de historische figuur Kees de Tippelaar; een man uit Breukelen wiens ouders genoeg geld hadden verdiend, waardoor hij zijn tijd doorbracht met lange-afstandwandelen en grappen maken. Een uitermate irritante man, die Jan de Loper, ik heb me verschrikkelijk aan hem geërgerd.

„Al die gegevens, personages, locaties, gebeurtenissen vormen de losse elementen. Die krijgen vorm tijdens het wandelen, of tijdens het wachten. Wandelen en wachten, dat is heel belangrijk in die fase.

„In die hele beginperiode werk ik nog niet aan de tekst. Ik onderscheid altijd twee kanten aan het schrijven: de scheppende kant, het verzinnen, en de uitvoerende kant, het uitwerken. Ik doe dat niet tegelijkertijd. Ik ben geen improviserend kunstenaar, ik bedenk van te voren precies wat ik ga doen.

„Daarna ga ik een schema ontwerpen. Dat is niets bijzonders, hoor. Het is meer...het is soms makkelijker een bootje te tekenen dan uit te leggen hoe een bootje eruit ziet. Het schema voor ’Gewassen vlees’ schreef ik op een behangrol. Nu waren het drie grote vlakken, voor de drie delen. Daar waren papiertjes op geplakt, een voor elk hoofdstuk. Die papiertjes zijn niet zo groot, ik knip ze van een A4’tje af. Daar staat dan een titel op, of alleen ’Hoofdstuk 14’. En wat daar in komt te staan.

„Tijdens het schrijven kan ik nog onderdelen in het schema wijzigen, maar alleen van wat nog moet komen. Niet van wat al geweest is. De hoofdstukken die ik geschreven heb, print ik uit. Ik lees ze, kijk of alles er goed staat. Dan stop ik ze in een mapje, dat ik links van me neerleg. Hoofdstuk 1 bovenaan, het nieuwe onderop. Die hoofdstukken in het mapje lees ik dan helemaal niet meer. Puur uit angst, hoor. Ik ben bang dat ze tegenvallen. Dat ik weer van alles wil veranderen. Dat kost me dan weer een week – het is ook om het tempo er een beetje in te houden.

„Over het algemeen houd ik tot in detail vast aan een bepaalde orde. Elke dag opstaan om een uur of twaalf, een. Uitstelgedrag tot de avond. Dan een uur of vier schrijven. Dan tv kijken en een fles wijn drinken. En inderdaad, elke dag chili con carne.

„Dit keer lukte dat niet goed meer. Hoe moet ik dat zeggen. Ik kon die onbegrensde vrijheid niet meer goed dragen. Ik was net gescheiden, voelde me helemaal niet goed. Ik stond steeds later op, ik kwam niet voor drie, vier uur mijn bed uit. En dan urenlang uitstellen: een wasje doen, een wandeling maken, een boodschap doen. En wéér een wandeling maken. Het werd een aandoening. Ik denk een vorm van depressiviteit, al voelde ik me niet heel ongelukkig.

„Ik had de mogelijkheid een tijdje in Wassenaar door te brengen, in het NIAS; een instituut waar eminente geleerden in alle rust, afgezonderd van dagelijkse beslommeringen, kunnen werken. Voor de sier zit daar ook altijd een schrijver bij. Ik dacht: ik probeer dat eens. Een andere omgeving.

„Wat mij daar enorm heeft geholpen, was dat al die professoren normale mensen waren, met een normaal bestaan. Ze begonnen om negen uur ’s morgens! Ze gingen om half een lunchen! Ik deed dat nooit, ik at nooit overdag. Maar hier was ’s middags een warme lunch. En ze hielden om zes uur op! Ik was onderdeel van een grotere groep, kon mee in hun ritme. Het was een geweldige ervaring.

„Niet dat ik daar nou om negen uur begon...maar ik stond in ieder geval om negen uur op. Ik was helemaal niet in een conditie om te schrijven, maar ik vond dat ik daar op zijn minst moest rondlopen. Ik werkte dan misschien niet, maar ik bewóóg in elk geval. Ik liep hard door de duinen, deed yogadingen. Alles wat me sterker kon maken.

„Veel geschreven heb ik er niet, misschien twintig pagina’s in vijf maanden. Maar het kantoorleven was me goed bevallen. Toen zeiden ze bij de uitgeverij: wij kunnen ook wel een kamertje voor je vrijmaken. Dat heb ik in dankbaarheid aanvaard. En uit diezelfde dankbaarheid zorgde ik dat ik er dan ook iedere dag was.

„Ik kon daar niets wat ik thuis niet kon, ik kon daar iets níet doen wat ik thuis wél kon, namelijk ’s avonds doorwerken. Het gebouw sloot om half zeven of zo. Dat was een reden om op tijd te beginnen. Daardoor moest ik op tijd opstaan, en dus op een redelijke tijd naar bed gaan. Iets minder drinken dan anders.

„Het was de eerste keer dat ik een boek schreef buiten mijn normale patroon. En ik vond het fantastisch, echt waar. Ik begon iedere dag uitgerust aan mijn werk. Thuis zat ik altijd maar uit te stellen, en dat was afmattend. Je bent als schrijver zo afhankelijk van invallen. Ik ben elke dag weer bang dat het vandaag niet lukt, dat de inval niet komt. Dat ik het niet op papier krijg. En als dat niet lukt, kan ik een hoofdstuk ook niet even laten liggen en met het volgende verder. Daar ben ik te neurotisch voor.”

Rosenbooms eerdere boeken waren vaak meer of minder historische romans. ’Gewassen vlees’ beschrijft het leven van een Friese burgemeesterszoon halverwege de achttiende eeuw. ’Publieke werken’ speelt eind negentiende eeuw in Amsterdam, ’De nieuwe man’ op een scheepswerf in Groningen in de jaren twintig van de twintigste eeuw, ’Vriend van verdienste’ is gebaseerd op de Baarnse moordzaak van begin jaren zestig. Met ’Zoete mond’ schreef Rosenboom voor het eerst een boek dat gesitueerd is in het landschap van zijn jeugd, in de tijd waarin hij zelf opgroeide.

„Ik kies nooit van te voren voor een historische roman of niet. Het begint altijd met een idee, een gegeven waar een verhaallijn op gebouwd wordt. Bij ’Publieke werken’ was dat het Victoria Hotel, met die twee huisjes waar het hotel omheen gebouwd is. Dat impliceert een historische periode, in dit geval het eind van de negentiende eeuw. Dan weet ik dat ik daarover moet gaan lezen, omdat het verhaal daarom vraagt. Niet omdat ik nou een roman over de negentiende eeuw wil schrijven.

„Dit boek speelt in de jaren zestig. Die tijd heb ik zelf meegemaakt, en er komen natuurlijk gegevens uit die periode voor. De opkomst van de televisie, de hippies die langs de Rijn zitten. Maar ik wilde geen heel scherp beeld van die tijd neerzetten. Het is achtergrond. Ik ben allerlei details vergeten: merknamen, muziek. Dat heb ik allemaal niet opgezocht, dit boek werd wat dat betreft wat algemener.

„Ik ben opgegroeid in Arnhem. Wij brachten veel vakanties door in deze omgeving, bij de rivier, vlakbij Duitsland. Dus ja, dat beeld van die voortdurend passerende schepen, daarvoor hoefde ik er niet te gaan kijken.

„Of het daardoor een persoonlijker boek is geworden...ik weet het niet. Mijn eerdere boeken waren ook persoonlijk. Ik voelde bijvoorbeeld altijd een bepaalde gêne als ik ze aan mijn ouders gaf. Er waren karaktertrekken van mij in de hoofdpersonen terechtgekomen, fixaties, dingen die je normaal gesproken liever voor jezelf houdt. Dit boek is wat dat betreft anders. Maar het blijft natuurlijk wel raar dat je als volwassen man ineens zo bezeten van een konijn kunt zijn. Het is toch een dier dat je vooral associeert met kinderen. En dan, die eenzaamheid van Rebert, dat hunkeren naar anderen. Dat is mij natuurlijk ook niet vreemd.”

’Gewassen vlees’ begint met een scène waarin een kat met zijn pootjes in de pek wordt gedoopt, waarna er notendoppen op de pootjes worden gedrukt en de kat op het ijs wordt gezet. Daar glijdt hij, meegevoerd door de wind, een wisse dood tegemoet. In ’Vriend van verdienste’ is de kraai, Rocco, wel het enige wezen waar hoofdpersoon Theo vriendschap of liefde voor voelt, maar hij vangt hem door hem te vergiftigen en richt hem af door hem bijna uit te hongeren. Dieren spelen dus wel vaker een rol in Rosenbooms werk, maar ’Zoete mond’ is het eerste waarin de verhouding tot dieren zo ondubbelzinnig liefdevol is.

„Als je moeite hebt om aansluiting te vinden, om contact te maken met mensen, maken mensen je onzeker. Dieren nooit. Bij een koe zal iedereen zich volledig op zijn gemak voelen. Je kunt een koe benaderen, aaien, toespreken. Dat is wel bevrijdend, in de omgang met dieren. Je hoeft je geen houding te geven.

„Dat ontdekte ik bij mezelf pas toen ik een konijn in huis kreeg. Hoe dat kwam, daar wil ik eigenlijk niet veel over kwijt. Ik had me samen met mijn ex-vrouw opgegeven om pleegouder te worden van een puppy die dan later blindengeleidehond wordt. Er kwam een medewerker kijken of wij daar de geschikte mensen voor waren. Nou komt daar van alles bij kijken, bij zo’n puppy in huis. Wij zullen een onzekere indruk hebben gemaakt. Hoe dan ook, we werden afgewezen. En toen zei mijn vrouw: ’En nu gaan we een konijn kopen’.

„Konijnen zijn echt onderschatte dieren. Ze kunnen zich niet verdedigen. Ze kunnen alleen vluchten of zich verbergen. Voor een konijn is een gevoel van veiligheid hetzelfde als een gevoel van geluk. Dat geldt eigenlijk ook voor mij, ja. Altijd bang, altijd verscheurd tussen angst en nieuwsgierigheid.

„Een konijn kan geen geluid maken, maar wel geluid voortbrengen. Mijn konijn ritselt bijvoorbeeld met een plastic zak, als hij vindt dat ik te laat opsta. ’s Avonds, voor ik ga slapen, lig ik op de grond en aai hem. Dan likt hij mij. Als groet, een soort dagsluiting. Al moet ik hem altijd veel langer aaien dan hij mij likt.

„Inmiddels gaat het veel beter met me. Het gaat fantastisch, eigenlijk. Ik heb een vriendin. Ik woon met mijn konijn. Ik ben een gelukkig mens.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden