Verrassend Stellingwerfs

Sinds jaar en dag ben ik in het gelukkige bezit van een klein Hans-en-Grietje-huisje, verscholen in de rietlanden van zuid-Friesland. Er wordt in die streek geen Fries gesproken maar Stellingwerfs, en uit liefde voor die mooie taal beijvert de Stellingwarver Schrieversronte zich om met regelmaat boeken in het Stellingwerfs het licht te doen zien. Ik spreek noch schrijf die taal, maar lid van die Schrieversronte ben ik wel, de lectuur van het blad De Ovend (waarin we die streektaal warm moeten houden) is een maandelijks weerkerende vreugde, bij ons in het riet.

Laatst belden ze me op, in het Nederlands: of ik het eerste exemplaar van Verrassend Stellingwarfs in ontvangst wilde nemen, een door Johan Veenstra vertaalde verzameling van verhalen van Simon Carmiggelt, Marga Minco, Adriaan van Dis, Marjan Berk, Vonne van der Meer en nog een paar anderen. Ik zei dat ik dat verzoek 'verrassend Stellingwarfs' vond en dat ik graag kwam. In zaal Dragt moest ik zijn, in Wolvega.

Het was een mooie avond. Er was een forumgesprek waarin ook het Fries en Drents klonk, Marjan Berk en Vonne van der Meer lazen twee verhalen voor in het Nederlands, Johan Veenstra bracht zijn vertaling ervan in het Stellingwerfs. Tot slot mocht ik het boek in ontvangst nemen en een paar woorden zeggen:

“Het gaat vanavond over taal, in het bijzonder over uw taal, het Stellingwerfs. Ik moet mij verontschuldigen, ik spreek uw taal niet. Ik spreek Nederlands en ik spreek een beetje Amsterdams. Van professor Mönnich is de uitspraak: Ik begrijp God het beste wanneer hij Amsterdams spreekt. U zult die uitspraak van harte beamen, mits voor Amsterdams het Stellingwerfs komt te staan. Als het over je ziel of over je hart gaat, dan kun je je van geen betere taal bedienen dan de taal die je moeder je leerde.

Ik had wat dat betreft een bijzondere moeder. Als Neerlandica was zij aangezocht door de weduwe van de zendeling-taalgeleerde Nico Adriani om haar te helpen bij het publiceren van het nog onuitgegeven werk van haar plotseling overleden man. Die had jarenlang het Bar'e-'e bestudeerd, taal van de bevolking van Sulawesi, Midden-Celebes, toen nog Toradja's, thans Posso-people geheten. Met grote liefde voor de mensen die daar woonden - koppensnellers - had Nico Adriani hun taal te boek gesteld. Speciaal voor de volksverhalen die hij er met toewijding noteerde had ik reeds als jongetje een bijzondere belangstelling, bijvoorbeeld voor de Tijl Uilenspiegelverhalen die ook daar de ronde bleken te doen. Geboeid was ik door Adriani's niet-aflatend pogen door te dringen in de ziel van het volk door door te dringen in hun taal. Ik citeer uit de biografie die Hendrik Kraemer aan hem wijdde: 'Een taal in al zijn fijnheid, smijdigheid en litteraire nuances te kunnen beheerschen, was zijn hoogste vreugde. Behalve de liefde tot talen, bracht hem daartoe ook een behoefte en een inzicht van zuiver-innerlijken aard. Hij had behoefte aan intimiteit, een na-staan aan de menschen en hij voelde zich ongelukkig wanneer zijn tong geboeid was, omdat hij dan van de menschen gescheiden was.'

Liefde voor je moedertaal, eerbied voor de moedertaal van een ander, ik kreeg het met de moedermelk naar binnen, en toen ik vroeg waarom ik Nico Marius Adriaan heette zei mijn moeder: 'Uit eerbied voor het werk van Nico Adriani en uit dankbaarheid voor de liefde die wij ontvingen van Maria Gunning, zijn vrouw. Zelf hadden zij geen kinderen. Mevrouw Adriani heeft je ten doop gehouden, in de Nieuwe Kerk op de Dam.'

Mijn grootvader heeft mij daar toen gedoopt, hij was dominee in Amsterdam en sprak die zondag over God op z'n Amsterdams, dat kan niet missen, want mijn grootvader had net als mijn 'peetvader' behoefte aan intimiteit.

Predikant in West-Friesland geworden genoot ik van de taal die daar gesproken wordt. In het voorjaar onen de schapen, dan brengen zij lammeren ter wereld. Weer een mooi woord geleerd: onen. Ik vroeg boer Groot aan de overkant of hij mij even wilde waarschuwen wanneer er een oning plaatsvond, dat wilde ik wel eens meemaken.

'Oning?' zei hij, 'oning, dat woord kennen wij niet.' Ik dacht in mijn eenvoud: bevallen-bevalling, onen-oning, maar taal is niet logisch, dat leerde mijn moeder mij ook al in de wieg. 'Dominee is in de war met het land van melk en oning,' zei boer Groot.

Het zal duidelijk zijn waarom ik mij in het rietland niet aan het Stellingwerfs heb gewaagd, ik spreek het met geen woord maar ik mag er graag naar luisteren, en het doet mij deugd dat ik de sporen ervan ook in mijn Amsterdamse woning opvang wanneer ik Jeltje van Nieuwenhoven uit Noordwolde in de Tweede Kamer hoor. Kort na haar verkiezing tot voorzitter ontmoette ik haar op een receptie, omringd door een aantal politici uit het Haagse. Ik wenste haar geluk met haar benoeming en wij spraken over de schone Stellingwerven in het algemeen en over haar en mijn dorp in het bijzonder. 'Waar ligt dat rietland van u?' vroegen de Hollanders belangstellend. 'Bij Langelille', zei Jeltje, tot niet geringe verbazing van het volk uit de randstad. Tot hun geruststelling zei ze erbij dat ze Langelille in de bibliotheekbus waarmee zij rondreed op z'n Frans uitsprak: Lange-Lille.

Uw uitnodiging het eerste exemplaar van dit boek in ontvangst te nemen, heeft mij vereerd. Johan Veenstra heeft zijn vertaling met zoveel liefde gemaakt, ik heb er met vreugde in zitten lezen. Het inspireert mij om op mijn beurt in de rust van het rietland dapper door te schrijven aan mijn hervertelling van de bijbel op z'n Amsterdams, zeg maar. Ik hoop dat ik niet al te onbescheiden ben, wanneer ik de wens uitspreek dat hij misschien eens een kleine bloemlezing eruit in het Stellingwerfs wil vertalen.''

“Et liekt d'r op dat Johan Veenstra die uutdaeging angaon zal,” schreef De Stellingwerver Courant. Ik las het verheugende nieuws in dezelfde week dat ik bericht ontving dat mijn boek ook in Amerika gaat verschijnen. Op naar Los Angeles en Langelille!

Hoe een bijbelverhaal in het Engels klinkt, daar kunt u zich wel een voorstelling van maken. Om u enig idee te geven hoe het er op z'n Stellingwerfs uitziet, schrijf ik het begin van de geliekenis van de verleuren zeune in een vertaling van H. J. Bergveld voor u over:

Een heit har twie zeunen. De jongste zee op een dag tegen zien heit: “Heit, geef mi'j mien kiendspat, dat mi'j toekomt.” Doe dielde die heit zien bezit onder heur beiden. En kot daorop verkochte de jongste zien pat en hi'j trok de wiede wereld in en going naor een veer laand, waor ie ommeraeck in 't geld ommesleug en et verdee in een leven van overdaod.

Doe ie alles d'r deur brocht har, wodde 't een minne tied in dat laand, ja, d'r kwam alderdeegst hongersnood en ok de jongkerel kreeg et krap. Hi'j schooide op 't laest bi'j ien van de burgers daor en die leut him op zien loslopende varkens passen. Hi'j har zoe'n honger, dat ie wel graeg mit de varkens uut de bak eten wol, mar gien iene gaf him doar permissie veur.

Doe kwam ie tot himzels en zee: 'Hoeveule van mien heiten arbeiders hebben brood genog en ik vergao van de honger. Weej' wat? Ik neem de bienen en ik gao naor heit en dan za'k tegen him zeggen: Heit, ik heb verkeerd daon, tegen God en tegen jow en ik heb miene naeme verspeuld. Beschouw mi'j mar niet meer as jouw zeune, mar laot mi'j arbeider bi'j jow wodden.' En mit dat ie zo dochte, gong ie op reize: op huus an!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden