Vermeer was zijn tijd vooruit

Museumbezoekers blijven gemiddeld negen seconden voor een schilderij staan. Veel te kort om er recht aan te doen. Maar als je langer wilt kijken, hoe moet je dat doen? In samenspraak met Peter Henk Steenhuis onderricht filosofe Mieke Boon over de filosofie van het kijken. Vandaag het tweede deel van aflevering 14: Het Melkmeisje.

Het melkmeisje. Wat een vrouw. Dachten we aanvankelijk te kunnen zeggen dat ze niet echt mooi genoemd kon worden, hoe langer we door haar in beslag genomen worden, hoe gracieuzer, grootser en grandiozer ze oogt. Alleen al de manier waarop ze die melkkan vasthoudt, losjes, eerder teder dan krachtig. Toch is zij geen dromerig wezen, ze is niet afwezig, want ze kijkt naar de melk, ze schenkt secuur, zonder haast. Je zou kunnen zeggen dat die combinatie van sereniteit en aandacht haar iets waardigs geeft. Mieke Boon: „Ja, als ik naar haar kijk zie ik iemand met innerlijke beschaving.”

Dit oordeel roept de vraag op of er destijds zulke keukenmeiden bestaan zouden kunnen hebben. Dichten we haar niet een waardigheid toe die geen melkmeid toen had? Of dichtte Vermeer haar een waardigheid toe die ze helemaal niet had? Of heeft Vermeer een melkmeid geschilderd met een waardigheid die voorheen ondenkbaar was, maar nu, in de zeventiende eeuw, nog weliswaar zeldzaam is maar niet meer onmogelijk?

Mieke Boon: „Lastige vragen. Zeker is dat onze gedachten een subjectieve beoordeling zijn van wie zij is. Je zou kunnen zeggen: omdat je dit soort oordelen nooit objectief kunt onderbouwen, moet je je er verre van houden. Dan zouden we ons een onmenselijke beperking opleggen. Want we oordelen allemaal voortdurend.”

Je bedoelt dat we bijna niet anders kunnen kijken?

„Inderdaad. Denk maar aan de regentessen van Frans Hals, die we ook beoordeelden en zelfs bekritiseerden. Wanneer we een personage op een schilderij proberen te begrijpen, doen we dat altijd binnen een moreel kader van waaruit we onze oordelen vormen. Zonder zo’n moreel kader zou alles wat we zien betekenisloos zijn.”

Moreel kader?

„Dat is een soort raamwerk waardoor we kijken, en dat de dingen betekenis geeft. Een moreel kader bepaalt wat we belangrijk, waardevol en goed vinden. Het bepaalt hoe we ons leven zien, hoe we onszelf en anderen zien, en wat we nastrevenswaardig vinden. Daardoor gaat het kijken en oordelen vaak onlosmakelijk samen.”

Dus ik heb ook zo’n kader?

„Ja.”

Ben ik me absoluut niet van bewust.

„Nee, gewoonlijk blijven de kaders die ons kijken, denken en oordelen bepalen onbewust. Filosofen proberen ze bloot te leggen.”

Zoals een archeoloog een bouwwerk blootlegt.

„Niet helemaal. Een bouwwerk ligt op één plek, en is onveranderlijk. Morele kaders kunnen in de loop van de geschiedenis veranderen. Ik vertelde je al hoe opvallend het is dat Vermeer zo’n alledaagse huiselijke gebeurtenis als onderwerp kiest. Voor de zeventiende eeuw kozen schilders vooral religieuze thema’s en verhalen uit de Griekse en Romeinse oudheid. Er zijn culturele en economische redenen te geven voor de verandering van onderwerpen in de Nederlandse Gouden Eeuw, maar daarmee verklaar je die verandering niet afdoende. Er is meer aan de hand. Dat Vermeer deze melkmeid sereen, stil en toch ook realistisch schildert, duidt ook op een verandering in de manier waarop mensen zichzelf beschouwen.

Ik bedoel daarmee dat het ondenkbaar is dat een kunstenaar vóór de zeventiende eeuw een keukenmeid op deze manier zou uitbeelden, en überhaupt zo’n huiselijk tafereel als onderwerp zou kiezen. Daarom was jouw vraag of ze als keukenmeid realistisch is zo interessant, want ik heb het gevoel dat er iets merkwaardigs aan de hand is, zelfs in vergelijking met andere Nederlandse schilders uit de zeventiende eeuw.”

Waarom? Jan Steen schilderde toch ook zulke huiselijke taferelen?

„Ja. Daarin zie je ook een aspect van de verandering van het morele kader in die tijd. Uit die verandering in onderwerpkeuze valt op te maken dat er waarde wordt gehecht aan het gewone alledaagse leven, aan het leven hier en nu. In de zeventiende eeuw gaat men anders over het leven denken dan daarvoor, toen de nadruk op het leven in het hiernamaals lag - wij kunnen ons dat bijna niet voorstellen, dat ons leven niet zou draaien om het leven in deze wereld.”

In de zeventiende eeuw speelt religie en het eren en dienen van God toch nog steeds een centrale rol?

„Klopt. Maar het eren en dienen van God moest nu, behalve in de kerk, ook vorm krijgen in het dagelijks leven, in het huiselijke leven en in het maatschappelijke leven. Vandaar dat niet meer hoofdzakelijk religieuze schilderijen worden gemaakt die moeten vertellen waar het in het leven om draait, maar ook alledaagse taferelen. Jan Steen doet dat ook. Maar in spiegelbeeld. Hij laat zien hoe een deugdzaam en goed leven niet geleid hoort te worden.”

Vermeer doet dat anders?

„Groot verschil is dat bij veel van de mensen die Jan Steen uitbeeldt de ’innerlijke beschaving’ juist ontbreekt.”

Kun je me dat laten zien?

„Een prachtig voorbeeld daarvan is het ’Vrolijk huisgezin’, een van Jan Steens beroemdste schilderijen. Het hangt hier verderop.”

Even later belanden we in een volkomen andere sfeer, aan tafel bij een jolige familie: moeder en grootmoeder zingen een lied, twee zonen maken muziek, terwijl hun broers en een zusje een pijpje roken. Vader staakt zijn vioolspel om het glas te heffen. Goed voorbeeld doet goed volgen, de kleintjes op de voorgrond zijn daarom ook al aan de wijn.

„Over die voorbeeldfunctie gaat dit schilderij ook, want ondanks die vrolijkheid is dit gezellige, rommelige ’huishoudens van Jan Steen’ moralistisch bedoeld. Dat zie je ook al aan het opschrift rechts aan de schoorsteenmantel: ’Soo d’Oude Songen, Soo Pypen de Jonge’, staat er: kinderen volgen het voorbeeld van de ouders, ook als dat, zoals hier, een slecht voorbeeld is.

Jan Steen waarschuwt tegen de gevolgen van een slechte opvoeding.

„Ja. Behalve aan dat opschrift zie je het ook aan allerlei symbolen voor menselijke deugden en ondeugden op het schilderij: een hond, een pijp, een gebroken eierschaal.”

Ook dit schilderij gaat dus over deugden en ondeugden. Wat is nou precies het verschil met de Keukenmeid van Vermeer?

„Je zou het ’Vrolijk huisgezin’ de tegenhanger kunnen noemen van ’De keukenmeid’, want haar deugdzaamheid komt van binnenuit. Die innerlijke beschaving hoeft niet te worden toegelicht. Daarom zie je op dit schilderij ook geen symbolisch bedoelde voorwerpen.”

Die innerlijke beschaving blijf ik een lastig begrip vinden. De mensen op de schilderijen van Jan Steen zijn toch gewoon onbeschaafd?

„Dat is ook zo, maar het is heel lastig te zeggen wat beschaafd is. Is dat het ontbreken van die ondeugden alleen? Heeft het een eigen kwaliteit? Meer concreet: wij dachten dat deze vrouw in een andere situatie niet mee zal brallen. Waarop stoelden wij dat oordeel? Wat is volgens jou de reden dat deze vrouw zich beschaafd zal gedragen?”

Mee brallen in het huishouden van Jan Steen zou tegen haar gevoel ingaan. Ze zou zich, denk ik, schamen voor haar eigen gedrag.

„Ja. Haar gedrag wordt niet geleid door van buitenaf opgelegde regels. Wie dat doet trekt zich de moralistische boodschap van Jan Steens schilderijen aan. Terwijl wij zo naar deze vrouw kijken en over haar nadenken, schrijven we haar een innerlijk toe van waaruit ze waardig handelt.”

En dat klopt niet?

„Jawel. We stuiten hier op een tweede, heel wezenlijke verandering van het morele kader die in de zeventiende eeuw op kwam. De eerste verandering in het morele kader van de zeventiende-eeuwse mens was dat er steeds meer waarde wordt gehecht aan het gewone alledaagse leven. De Canadese filosoof Charles Taylor (1931) beschrijft dit in ’Sources of the Self: The Making of Modern Identity’ (1989). De tweede verandering die hij beschrijft, is dat het verbinden van moraliteit met het innerlijk, in die tijd een heel nieuwe manier is om over mensen te denken. De mens wordt daardoor anders gezien dan daarvoor.”

Vóór de zeventiende eeuw bestond het menselijke innerlijk niet?

„Dat weet ik niet, in elk geval werd het niet gezíen. Het zien ervan ontstond natuurlijk niet plotseling, want zo’n verandering in onze manier van kijken gaat heel langzaam. Wat Taylor beweert, is dat toen pas het idee ontstond dat moraliteit verinnerlijkt kan zijn. Voordien werden mensen gezien als wezens die zich moreel of beschaafd gedroegen omdat dit van buitenaf, door God of kerk, werd afgedwongen. De bron voor moraliteit lag buiten de mens.”

Hoe is deze verandering in z’n werk gegaan?

„Het nieuwe idee dat moraliteit verbonden is met het innerlijk, betekent eigenlijk dat mensen zichzelf anders zijn gaan zien. Die ontwikkeling is dan al veel langer gaande. In de Renaissance ontstaat de opvatting dat mensen zelf moeten nadenken en oordelen. Deze gedachte zie je opduiken in het werk van Erasmus; hervormers als Luther en Calvijn nemen dit idee over. Zij stellen dat mensen zelf in staat zijn de Bijbel te lezen, zelf te begrijpen wat ze lezen, zelf te concluderen in hoeverre dat op hen van toepassing is. Kortom, zij ontwikkelen het idee dat mensen in staat zijn zichzelf te sturen, zichzelf regels en beperkingen op te leggen, in plaats van dat dit van buitenaf moet gebeuren. Zulke ideeën hebben langzamerhand postgevat waardoor het zelfbeeld van mensen is veranderd en daarmee het morele kader van waaruit ze zichzelf en anderen zien en beoordelen.”

Frans Hals en Jan Steen zagen dat dus anders dan Johannes Vermeer?

„Het is moeilijk te zeggen of Frans Hals en Jan Steen mensen nog geen innerlijke beschaving toeschreven, terwijl Vermeer dat wel deed. Maar het zou best kunnen dat Jan Steen menselijke deugden zag als een soort vaardigheden die je ook een hond of een aap zou kunnen bijbrengen. Deugden zoals eerlijkheid, matigheid en kuisheid worden bij hen niet verinnerlijkt maar blijven aan de buitenkant, als regels die je moet opvolgen.”

Kijken die regentessen van Frans Hals niet zo naar hun ouden van dagen?

„Ja, dat is misschien een verklaring voor ons ongemak over hen. Hun idee van beschaving is duidelijk nog van buitenaf: disciplinering door beloning en straf. Wij zien dat nu als gebrek aan respect voor het innerlijk van de bewoners van het oudemannenhuis. Het gebrek aan inlevingsvermogen dat wij meenden te zien bij de regentessen kun je misschien ook opvatten als hun onvermogen om gevoel voor innerlijke beschaving te hebben. Het paste niet in hun mensbeeld, daardoor zagen zij het misschien niet.”

Een eeuw eerder zou een melkmeisje de melk niet op deze wijze hebben ingeschonken?

„Ze zou zelfs helemaal niet zijn verbeeld, en als ze al verbeeld was dan zonder de waardigheid die er nu uit spreekt.”

Is die innerlijke beschaving er dan wel echt of is dat een projectie van Vermeer?

„Misschien wel, misschien was het zijn manier van kijken. En dan zou hij zijn tijd ver vooruit zijn geweest. Mannen en vrouwen met innerlijke beschaving bestonden ongetwijfeld in die tijd. Vermeer had oog voor hen, Jan Steen niet. Vermeer heeft in deze vrouw een innerlijke beschaving gezien, die niet noodzakelijkerwijs door anderen ook zo werd gezien. Vermeers mensbeeld was misschien al verder ontwikkeld, zodat hij in staat was dat te zien en te schilderen.”

Voor alle duidelijkheid: een veranderd mensbeeld veronderstelt dus geen veranderde mensen.

„Ik denk dat verandering van het mensbeeld ook mensen verandert. Zo’n moreel kader is altijd een combinatie van hoe mensen zijn, hoe ze willen zijn, hoe ze zichzelf zien en hoe ze gezien willen worden. Als het verandert, denken mensen ook anders over zichzelf en anderen – en ze gaan zich daarnaar gedragen.

Het kan dus goed zijn dat eerst het beeld verandert en dan pas de mensen. Vóór de zeventiende eeuw hadden mensen vooral het idee dat ze gehoorzaam en devoot moesten zijn. Er heerste angst. Angst voor God, angst voor de duivel, angst voor de wereld, angst voor het hiernamaals. Discipline en deugdzaam gedrag werden gedreven door die angst. Van dat mensbeeld heeft dit melkmeisje van Vermeer geen last meer, zij heeft de discipline verinnerlijkt. Tenminste, zo heeft Vermeer haar verbeeld.”

Dr. ir. Mieke Boon is als universitair docent verbonden aan de Universiteit Twente.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden