Vermakelijke oubolligheid

Wat wil Piet Meeuse? De verhalen van deze essayist zitten vol grappen; hij spot met alle ideeën over goede smaak. Die Spielerei is wel onderhoudend, maar graaft niet diep.

Bas Belleman

Piet Meeuse: Het lied van de ezelin. De Bezige Bij, Amsterdam. ISBN 9789023426844; 204 blz. euro 18,50

Elf jaar na zijn eerste verhalenbundel publiceert essayist en vertaler Piet Meeuse zijn tweede: ’Het lied van de ezelin’. Het is een wonderlijke bundel: de auteur bedient zich van zulke oubollige verteltechnieken dat hij soms een amateuristische indruk maakt.

Maar Piet Meeuse (1947), auteur van bekroonde essays en geprezen verhalen, kan wel degelijk schrijven. Misschien is die oubolligheid bedoeld als provocatie.

Op het randje is bijvoorbeeld het verhaal waarin een oude professor op een congres over Atlantische betrekkingen begint te zwatelen over de mythe van Atlantis: dat eiland ligt verzonken in onszelf! Het zweet breekt dagvoorzitster Thérèse uit, want zij kent de professor nog als huisvriend van haar ouders en weet hoe hij kan zwammen. Atlantis, gaat de professor verder, moet je bijvoorbeeld zien als de herinnering aan een liefdevolle kus. Enkele aanwezigen verlaten uit gêne de zaal, de professor diept zijn herinnering uit en Thérèse probeert hem voorzichtig te onderbreken. De climax van zijn betoog blijkt een bekentenis: „Thérèse, liefje, waar blijf je? Gun je arme vader het genoegen om je eindelijk in zijn armen te sluiten!”

Een recensent dient de plot niet te verraden, maar deze clou is illustratief voor de bundel: hij ligt er duimendik bovenop en tegelijkertijd kun je je niet voorstellen dat Meeuse hem daadwerkelijk van stal haalt. Toch doet hij dat.

Zo gaat het in deze bundel vaker. Raamvertellingen, babbelige alwetende vertellers, gevonden manuscripten, noem maar op, Meeuse gebruikt zonder blikken of blozen de stoffigste verhaalopzetjes, alsof hij wil zeggen: waarom niet?

Zijn gevoel voor humor houdt de vertellingen niettemin overeind. In het titelverhaal over de profeet Bileam bijvoorbeeld kan de ezelin opeens praten. Ze protesteert ertegen dat haar baas haar drie keer heeft geslagen. „Met enig ontzag keek Bileam naar zijn ezelin. Toen werd hij bang en knielde. ’Zijt gij het, Heer?’ ’Nee’, zei de ezelin, ’Ik spreek voor mezelf.’”

Het dier barst daarna los in een profetie over profeteren. „Vervloekt zijn de woorden die vervloeken, en op de woorden die zegenen rust geen zegen, want het zijn woorden die verblinden.” Profeten dienen alleen het Woord, maar ze zijn doof voor de andere talen van de schepping, aldus de ezelin.

Mooie passages. Ze doen vermoeden dat Meeuse expres zo flauw doet; om de lezer te pesten. Denkt die te weten wat een goed verhaal is: Meeuse laat zien dat het ook met afgeschreven verteltechnieken best gaat. Alsof hij in een oldtimer tussen de racewagens rijdt.

Dat verklaart misschien ook de rode draad van deze bundel: de spot met ons respect voor boeken en boekenwijsheid. Een voormalig kopiist sluit zich aan bij de Tartaren en verbrandt heilige boeken. Iemand promoveert op een Koptisch tekstfragment uit de derde eeuw en roept dan: weg met die boeken, hoog tijd om iets nuttigs te gaan doen. Een amateurschrijver beschrijft zijn eigen geniale, maar niet-bestaande oeuvre. Een ingenieur richt een meetkundige sekte op die aan corruptie ten onder gaat.

Het is duidelijk dat de auteur niet veel moet hebben van autoriteiten en conventies. Maar waar houdt hij dan wel van? Waar leidt zijn in oubolligheid verpakte spot toe? Wat wil hij bereiken?

Eén van zijn personages noemt taal een toverdoos waarmee je prachtige illusies kunt scheppen. Die schept Meeuse ook en hij gebruikt er de oudst mogelijke trucjes voor. Het is alsof je weer eens een goede goochelaar een konijn tevoorschijn ziet toveren of een vrouw doormidden ziet zagen. Een knipoog erbij, want iedereen kent de act, maar toch: daar hebben we weer een konijn, daar gaat weer een vrouw doormidden.

In één van de verhalen lijdt bijvoorbeeld iemand aan gewichtloosheid („Dat lijkt misschien aardig, maar de ernst van die kwaal wordt onderschat”), even verderop wordt hij een giraffe („Hij doet onhandige pogingen op zijn vier ranke poten te gaan staan”), nog wat later koopt hij een doosje snavels: „Nooit eerder heeft hij zo’n aankoop zelfs maar overwogen. Tot voor kort is de hele rage zelfs aan hem voorbij gegaan. Maar nu lijkt het hem opeens toch wel handig om over een behoorlijk assortiment snavels te beschikken.”

Het is grappig en overtuigend, het is aangenaam verpozen, maar de verhalen blijven wel een beetje dun. Waarschijnlijk is dat ook Meeuse’s bedoeling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden