Verlos ons van onze vrijheid

Verbrugge, Kuiper en Harchaoui (Jörgen Caris/Trouw) Beeld
Verbrugge, Kuiper en Harchaoui (Jörgen Caris/Trouw)

Wil Nederland de crisis te boven komen, dan moet het naarstig bouwen aan nieuwe eenheid. Maar waar haal je die vandaan in een land waar ’red uzelf’ een groot goed is? Drie denkers op zoek naar ’betekenisvolle verbanden’.

Het Eerste Kamerlid voor de ChristenUnie en voormalig directeur van het wetenschappelijk instituut van die partij, Roel Kuiper, schreef een boek ’Moreel kapitaal’, waarin hij ingaat op de stand van de samenleving.

De historicus Kuiper constateert drie grote ontwikkelingen die op elkaar inwerken: de globalisering, de individualisering en het daarmee gepaard gaande sociaal isolement en tenslotte de nadruk op risico’s in de wereld.

„De individuele mens vraagt zich in die situatie af: wie is er nog voor mij?”, aldus Kuiper. „De culturele boodschap achter al deze ontwikkelingen is dat je voor jezelf dient te zorgen. Individualisering op zich is geen slechte ontwikkeling, maar wel als ze leidt tot uitsluiting.”

In zo’n wereld is de moraliteit de verliezer, meent hij. „Die morele crisis uit zich ook in de stijl van opereren van banken en bedrijfsleven.”

Meneer Harchaoui, kunnen we de globalisering inderdaad als hoofdoorzaak aanwijzen?

Sadik Harchaoui, voorzitter van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en directeur van Forum: „Die speelt uiteraard een rol, maar het probleem is breder. We hebben de klimaatcrisis en de mondiale armoedekloof, maar acuut is de wereldwijde, enorme groei van de middenklasse. Die leidt tot een houding: ik wil het en ik wil het nú. In die context hebben instituties, binnen de overheid maar ook daarbuiten, grote moeite richting te geven. Hun gezag en hun autoriteit is uitgehold, wellicht voor altijd. Deze crisis is een crisis rond legitimiteit en dat terwijl, zeker in het westen en dus ook in Nederland, sociale daling van mensen voor het eerst in de moderne geschiedenis het issue wordt in plaats van sociale stijging.”

Kuiper: „Dus wordt de vraag ’wie is er nog voor mij’ indringender. Ik constateer dat het ook het maatschappelijk middenveld niet lukt daarop in te spelen. Dat is gebureaucratiseerd, mensen herkennen zich er niet meer in.”

Harchaoui kwalificeert de migratie die onze samenleving zoveel parten speelt, als niet meer dan een bijzondere verschijningsvorm van de globalisering, waarbij het vergrijzende Nederland een sterk eigenbelang heeft.

„Maar de politiek en andere maatschappelijke sferen zitten in een kramp. Het onvermogen om de migratie op de agenda te zetten is groot. Over dijken kunnen wij wel denken in het tijdbestek van een eeuw, over immigratie niet.”

Meneer Verbrugge, u zegt andere accenten te willen leggen. Welke?

Filosoof Ad Verbrugge wijst op de enorme invloed van technische ontwikkelingen op mens en samenleving. „De techniek zorgt voor een transformatie van ruimte en tijd. We kunnen ons terugtrekken uit de fysieke wereld in een eigen, virtuele wereld.”

Deze fundamentele veranderingen hebben volgens hem grote invloed op de wijze waarop de individualisering zich voltrekt. „Er is een nieuw type burger ontstaan sinds de jaren zestig, de jaren waarin je iemand kon verwijten burgerlijk te zijn. Vind je het gek dat we burgerschap tegenwoordig als zo’n groot probleem ervaren? De burger is bij gebrek aan een idee daarover volkomen geëconomiseerd. Hij is in de eerste plaats consument.”

Tegelijkertijd heeft de formele democratie door de ontwikkelingen geen besef meer van wat het gemeenschappelijke in de samenleving is. Niet alleen binnen de overheid, maar ook daarbuiten worden vooral technocratische oplossingen gezocht, meent hij. „De vermoeidheid over democratie is groot, ook op de universiteit. Welke student wil nog in de universiteitsraad?”

Individualisering leidt tot democratische vermoeidheid?

Verbrugge: „We hebben te maken met het bevrijde individu, maar het gevolg van die bevrijding is dat Nederland in een paar decennia van de strakst georganiseerde samenleving tot de minst georganiseerde samenleving is geworden. De ene macht of autoriteit wordt afgebroken, zonder dat de andere een reëel alternatief kan bieden.”

Volgens de filosoof is dit de culturele setting achter de economische crisis. „De bonussen bij banken zijn niet meer dan een neveneffect. De kern is dat het onbehagen enorm gegroeid is. Binnen de economie zie je dat geld nog slechts naar geld verwijst. Aandelenbezit betekent niet langer een identificatie met het bedrijf waar je aandelen in hebt. Aandelen zijn, door de ontwikkeling van opties en andere derivaten en door de rekenkracht van computers – daar heb je de techniek weer – de fiches geworden van het world wide casino.”

Verbrugge meent dat de crisis begon vlak na de eeuwwisseling, toen de internetzeepbel uiteenspatte. „De reactie van overheden was het bestrijden van symptomen. Wereldwijd werd meer geld geproduceerd zonder onderliggende waarde. Op weg naar de volgende bel, die wel moest leeglopen. Politiek en samenleving zijn niet in staat de werkelijke oorzaken te herkennen en te erkennen. Die werkelijke oorzaken zijn, vanuit die culturele setting van de crisis, te veel consumptie en te weinig waardecreatie. Een spijkerbroek wordt in Azië geproduceerd voor een kostprijs van 2 euro. In de winkel hier kost die broek 100 euro. Onze economie draait op de 98 euro die blijft hangen tussen oorspronkelijke producent en consument. Een minimum aan toegevoegde waarde tegen een maximale prijs. En opnieuw is het antwoord hetzelfde. De volgende crisis zal de crisis zijn rond de staatsschulden. Er heerst een volkomen zorgeloosheid, ook bij de burger. Hij én de overheid zijn groeiverslaafd.”

Een achterhaald systeem?

Kuiper: „We investeren inderdaad nog steeds in een oud systeem. En dat komt door die belangengemeenschap tussen overheid en burger. Op de vraag van een journalist aan een Engelse bankier wat er zou gebeuren als al die miljarden niet helpen, durfde de bankier geen antwoord te geven.”

Moeten we op een of andere manier terug naar af?

Nee, is de conclusie. Maar een fundamentele wijziging in oriëntatie is urgent. Het lijkt tegenstrijdig, maar terwijl voortgaande globalisering onontkoombaar is, zal de directe omgeving van de burger een centralere plaats moeten krijgen.

Kuiper: „Dit zijn gigantische processen die je niet in één keer in een andere richting kunt sturen. Maar ik zie wel een paar mogelijkheden voor een keer ten goede, zoals een hernieuwde aandacht voor het lokale niveau. Je ziet dat burgers in hun omgeving dingen aanpakken, los van de overheid en het middenveld. Ook economisch. Burgers denken weer na over hoe ze samen zaken kunnen organiseren in hun omgeving en ze halen daar energie uit.”

„Ik hoorde het verhaal van een boer die de smoor in had over de lage prijs die hij voor zijn aardappels kreeg, terwijl ze voor veel meer in de winkel lagen. Hij dacht: ik bied mijn piepers voor een redelijke prijs direct aan mijn dorpsgenoten aan. Als je lijnen lang maakt, weet je niet wat er allemaal tussen zit, het is niet te overzien en te controleren. Er is behoefte aan herstel van een meer directe relatie tussen producent en consument.”

„Gaat ook op voor energie. We hebben ons afhankelijk gemaakt van energie uit andere delen van de wereld. Dat hoeft niet. We kunnen met de juiste middelen zelf energie produceren. Niet terug naar af, dat kan niet, maar bouwen aan een overzienbare, kleinschalige ordening die herkenbaar en direct is. De mens is g een autonoom, vrijgevochten en op zichzelf staand individu, maar afhankelijk van anderen, vooral als hij kwetsbaar is.”

„En we moeten de vertrouwenssamenleving herstellen. Je voelt op je klompen aan dat het produceren van nullen, zonder relatie met de reële economie niet goed is. Het is nodig het moreel kapitaal weer te ontvouwen: zorgen voor elkaar, verbindingen aangaan, er gewoon zijn voor een ander.”

Kan de overheid dat afdwingen?

Kuiper: „Nee, dit zijn ontwikkelingen van onderop. Door de verzorgingsstaat is er een mentaliteit ontstaan dat je bij de overheid moet zijn. De overheid heeft dat sterk in de hand gewerkt door de houding: wij reguleren de samenleving. Maar je voelt hier wel een verandering.”

Harchaoui: ,,Die verbanden waar u naar verwijst zijn er nauwelijks nog of ze zijn aangetast. In Amsterdam is het aantal alleenstaanden vijftig procent, het aantal echtscheidingen dertig procent, het aantal één-oudergezinnen neemt explosief toe, ga maar door. Het gezin is allang niet meer de hoeksteen van de samenleving.”

Kuiper: „Oké. Instituties zoals de kerken zijn naar de periferie gedrongen, maar dat wil niet zeggen dat je ze moet weggooien. Je moet ze juist herwaarderen na een periode waarin ze belachelijk zijn gemaakt. Voor het sociale bestaan zijn ze noodzakelijk.”

Harchaoui: „Ik denk dat de overheid niet minder, maar meer is gaan geloven in maakbaarheid dan in de periode direct na de oorlog. Er is nu zelfs een handvest voor verantwoord burgerschap. Ik vind dat mesjogge. Daar moet de overheid zich helemaal niet mee bemoeien.”

Kuiper: „Dat handvest beoogt juist mensen ertoe te brengen hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. Dat kan ontwikkelingen van onderop alleen maar stimuleren.”

Harchaoui: ,,Dat begrijp ik echt niet. Nederland heeft een hele sterke traditie als democratische rechtsstaat. Dat is het fundament van de samenleving, dat door allerlei processen onder druk staat. Je herstelt het vertrouwen van mensen niet door als overheid achter de voordeur te komen. Zo ontneem je burgers hun verantwoordelijkheid.”

Kuiper: „Voor mij komt eerst de samenleving, dan de overheid.”

Verbrugge: „Dat is theoretisch mooi, maar de overheid bemoeit zich met zaken omdat een deel van de burgers dat wil. Die doen een beroep op de overheid, omdat ze zelf niet meer in staat zijn samen met de buren, de straat of de buurt op orde te houden, misschien door etnische vervreemding. Maar de reflex is: er moet orde zijn, meer blauw op straat. Dus neemt de overheid de controle over.”

LEES VERDER OP DE VERDIEPING 21

VERVOLG VAN DE VERDIEPING 19

Het individu heeft zich wel bevrijd, maar heeft de verantwoordelijkheid aan de overheid gedelegeerd.

Verbrugge: „Nee, het individu is bevrijd door de overheid, door middel van onderwijs, uitkeringen, subsidies aan éénoudergezinnen. Je moest alleen verder kunnen. We hebben daar collectief voor gezorgd. Maar in wezen houdt de verzorgingsstaat in dat je een deel van je inkomen afstaat aan je buren. Dat is weliswaar geanonimiseerd, maar daar komt de klad in als jij hard werkt en de buren niks doen en met een kratje bier voor de deur zitten. Dan vinden die hardwerkende mensen dat de overheid moet ingrijpen, anders verliest ze aan legitimiteit.”

Harchaoui: „De solidariteit staat steeds meer onder druk. Met wie wil je solidair zijn? Die vraag speelt in de AOW-discussie, maar ook in het debat over ontwikkelingshulp.”

Verbrugge: „Het is niet alleen een kwestie van solidariteit. Als ik betaal is dat niet alleen een morele eis aan mij maar ook aan de ontvanger. Als anderen op jouw kosten niks doen, denken mensen: potverdrie!”

Harchaoui: „Dat denken ze niet. In het waardenpatroon van de Nederlanders scoort solidariteit met minderbedeelden hoog. Jonge generaties hebben jouw klassieke verzorgingsstaat uit de jaren zeventig nooit meegemaakt. Onder de 27 jaar krijg je geen uitkering.”

De belangrijkste uitdaging lijkt hoe individu en gemeenschap weer te verbinden.

Verbugge: „In mijn analyse hebben we tegelijkertijd met de eeuwwisseling een beslissend omslagpunt gehad. Het einde van een langdurig project dat leidde tot toenemende emancipatie en in 1968 zijn hoogtepunt beleefde. Het individu was bevrijd en hoefde niet meer vast te zitten in een kleine biotoop, maar kon zich overgeven aan een kosmopolitische geest. Dat gevoel werd versterkt door de popcultuur, film, televisie en helemaal door internet. Na 2000 kwam de reactie. Met het bevrijde individu hebben we het eindpunt bereikt. We moeten ergens terug, maar dat kan niet, de geschiedenis gaat alleen maar vooruit.”

Net als Kuiper ziet Verbrugge nieuwe vormen van lokaliteit opkomen, die tot een nieuwe evenwicht kunnen leiden. „De globalisering heeft ons wel verlost van tijd en ruimte, maar niet van plaats. De onvrede van mensen heeft voor een deel te maken met het gevoel dat ze geen greep meer hebben op de dingen. Dat betekent politieke machteloosheid.”

Anders dan Verbrugge is Kuiper optimistisch over het vermogen van mensen die greep op de dingen te herstellen. Hij ziet wel degelijk pogingen om individu en gemeenschap weer met elkaar te verbinden. De overheid moet dat niet regelen, maar kan wel vooropgaan met de gedachte dat we er niet louter voor onszelf zijn.

Verbrugge: „Dat kan meebrengen dat de overheid grenzen stelt aan de economie. Herman Wijffels constateerde onlangs dat het ecologisch, sociaal en qua energievoorziening onverantwoord is op het huidige spoor door te gaan. Dat betekent dat de politiek met een echte visie moet komen. Die moet beginnen met de erkenning dat we het verlies moeten nemen. Vervolgens moet je een perspectief bieden: waar gaan we naartoe? Van mij mag de overheid tegenover de banken meer tanden laten zien. Dat verwacht het publiek. Mensen willen best bloeden, maar er moet wel perspectief zijn.”

Het perspectief voor immigranten is anders dan voor autochtonen.

Harchaoui: „Dat is een misverstand. Uit de meeste onderzoeken blijkt dat allochtonen en autochtonen wat betreft waarden en idealen eerder naar elkaar toe groeien dan van elkaar vervreemden. Er is nogal wat verschil tussen de politieke en sociale realiteit, maar het verhaal over migratie kan niet in die nieuwe visie ontbreken. Migratie is een blijvend verschijnsel, al is het allerminst zeker dat de migranten naar Nederland blijven komen. Dat is nogal arrogant gedacht.”

Verbrugge: „Dat is nu niet haalbaar. Je zult eerst orde op zaken moeten stellen. Je kunt migratie niet tot uitgangspunt van je sociale politiek maken, zolang de werkloosheid onder allochtonen groot is.”

Harchaoui: „Veel migranten zorgen voor een toegevoegde waarde, bijvoorbeeld door hun vakmanschap of ambachtelijkheid. Dat zeg ik tegen wethouders die alarm slaan over de aanwezigheid van vele Polenin hun gemeentes. Uiterst onverstandig, als je ziet welke bijdrage die Polen aan onze economie leveren. Als je niet het eerlijke verhaal vertelt, raak je straks talenten en vakmanschap kwijt. Nu al keren Polen terug naar huis. Anderen, ook autochtonen, vertrekken naar elders, naar Dubai, Zweden, Spanje, Frankrijk.”

„ Ik ben niet bang voor een kosten-/batenanalyse van allochtonen, maar vergelijk dan wel de generaties. De gastarbeiders die in de jaren tachtig in de WAO belandden, hebben het land veel gekost, maar de tijden zijn veranderd. De sociale stijging van allochtonen is relatief hoger dan van autochtonen.”

Harchaoui denkt niet dat de overheid de luxe heeft om te pleiten voor welvaartsdaling. „De groei van de middenklassen in China en India gaat door. Wij kunnen het niet even rustiger aan doen. Nu al zie je dat de rekening van de crisis terechtkomt bij de harde kern van de werklozen, de wajongers, de mindervaliden en jonge allochtonen. Dat zijn de verliezers. Het zal al moeilijk genoeg zijn die mensen erbij te houden.”

Verbrugge vindt dat de welvaartsdaling voor de samenleving als geheel moet gelden. „Op enig moment moeten we terugbetalen wat we te veel hebben uitgegeven. Dan is het belangrijk dat we afraken van het idee dat financiële voorspoed of tegenslag ook sociale voor- of achteruitgang betekent. Dat is een misvatting, een gevaarlijke misvatting.”

Harchaoui is ook voor zo’n mentale trendbreuk. Hij denkt dat er zoveel vermogenscriminaliteit is vanwege het idee dat sociale status gepaard gaat met de omvang van de portemonnee. „Probeer liever het vakmanschap te herstellen, waardoor kinderen van het vmbo en mbo een beroepsidentiteit opbouwen en een gevoel van eigenwaarde ontwikkelen. Als we het over technologische innovatie hebben, denkt iedereen als vanzelf aan het hoogste niveau, maar je kunt ook innoveren in de installatietechniek.”

Verbrugge verbindt die gedachte met de lokalisering waar Kuiper voor pleitte. „Huizen en buurten zijn nu consumptief. Je kunt ze ook productief maken, bijvoorbeeld voor de energievoorziening. Het midden- en kleinbedrijf, de ambachtslieden, kunnen daarvan profiteren. Nederland heeft fantastische infrastructuur om dat te doen. Daarom alleen al moet je de energiebedrijven niet verkopen. Je kunt met de verschuiving van consumptie naar productie op lokaal niveau een elan losmaken vergelijkbaar met dat van de jaren zestig.”

Waar haalt een politicus in coalitieland Nederland met smalle marges dat elan vandaan?

Kuiper: „Het beeld van wederopbouw spreekt me aan. Na de wereldoorlog ging de overheid voorop, nu is het andersom en komt de beweging van onderop. Als we lokaliteit en wederkerigheid herstellen, is dat grote winst en veel belangrijker dan de koopkrachtplaatjes, waar het vandaag, op Prinsjesdag, weer over zal gaan. Het gemeenschappelijk goed omvat veel meer. Ik geloof dat je een hoop positieve kracht kunt losmaken als je daar op inspeelt. Ik ben onder de indruk van wat burgers nu al doen in hun omgeving. Daar zit je morele kapitaal.”

„Maar er is meer nodig. Van een bankier verwacht ik rentmeesterschap. Je brengt geld naar de bank en zegt tegen de bankier: zorgt u daar voor. In plaats daarvan zijn de banken met dat geld gaan spelen. Het vertrouwen dat ik had, is opgerekt tot een bubbel die uit elkaar is gespat. Dat is geen rentmeesterschap. We moeten weer leren te zorgen voor spullen die niet van ons zijn, voor geld, maar ook voor de natuur. Als we dat niet kunnen opbrengen, krijgen we geen grip meer op de dingen.”

Harchaoui gelooft niet in grote nieuwe concepten, maar is ook geen doemdenker. Hij denkt dat positieve impulsen nodig zijn, maar wil het niet overdrijven. „Wanneer zijn mensen het gelukkigst? Als ze leven in een vrij land, ertoe doen en betekenisvolle relaties hebben.”

Met de solidariteit is volgens hem niks mis. In de Europese Unie besteden Nederlanders de meeste uren aan vrijwilligerswerk. Daarom moet de overheid de arbeidsparticipatie niet verder opjagen, daar worden mensen totaal overspannen van. Hij ziet wel iets in gemeenschappen, maar meer georganiseerd via belangen dan identiteit, omdat de variëteit in de bevolking in zijn visie verder zal toenemen.

Harchaoui vindt het absoluut noodzakelijk dat de overheid op het belang van de migratie wijst. „Welk deel van het nationaal product wordt verdiend in de Randstad? Waar wonen de meeste immigranten? Daar moet je eerlijk over zijn, anders kun je het welbegrepen eigenbelang niet aanspreken.”

Verbrugge werpt tegen dat hij de multiculturele samenleving niet moet idealiseren. Harchaoui: „Dat doe ik ook niet. Ik ga uit van de werkelijkheid. Hoe ziet de samenstelling van de Nederlandse bevolking er nu uit en hoe in 2050. Je moet de werkelijkheid niet ontkennen, anders blijf je in een kramp zitten en kun je niet zindelijk debatteren over wat er nodig is.”

Verbrugge: „Die kramp komt ergens vandaan, is reëel.”

Harchaoui: ,,Migratie ook en die gaat door. Mensen blijven komen en gaan, dat is een uiting van de globalisering. Ondertussen moet je zorgen dat je hier de boel overeind houdt.”

Verbrugge: „Maar er is wel iets aan de hand als de helft van Volendam op Wilders stemt. Daar moet je over nadenken. Migratie brengt bij het publiek veel te weeg.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden