Verloren in een zee van mooie plannen

Dat de zeespiegel rijst en dat dijkverhoging ons polderland niet meer kan beschermen is de boodschap van de zogeheten ’nieuwe waterbouwers’. Die gaat er bij pers en publiek in als zoete koek, constateert hoogleraar waterbouwkunde Han Vrijling. Ten onrechte, vindt hij. „Het is merkwaardig te zien dat de nieuwe waterbouwers plotseling en selectief het vertrouwen in polders verliezen.”

Er gaat geen dag voorbij of de media melden dat het klimaat verandert, de zeespiegel rijst, de stormen heviger en frequenter worden en de neerslag extremer wordt. Ook vertelt menig ’nieuwe waterbouwer’ dat dijkversterking niet meer mogelijk is. Er is nog maar één oplossing is: het water de ruimte geven omdat het die anders zelf neemt.

Gaat het hier om feiten, of zijn het meningen? In hoeverre ademt het zojuist verschenen rapport van de Deltacommissie onder leiding van oud-minister Cees Veerman de geest van dit ’nieuwe waterbouwen’? Ook na het verschijnen van deze aanbevelingen aan de regering moet het debat voortgaan. Dat is nodig om verstandige besluiten te kunnen nemen over de toekomst van het Nederlandse polderland.

Het waterkeringssysteem dat wij door de eeuwen heen hebben aangelegd bestaat uit polders, omringd door dijken en duinen, en uit het verkorten van de kustlijn door in zee uitstromende rivieren af te dammen. Het heeft ons de ruimte en de veiligheid verschaft om een grote welvaart op te bouwen.

Het succes van de polder is tevens zijn probleem: door de economische groei wordt de waarde van de polder groter, stijgt het inkomen per inwoner en ook de levensverwachting. Daardoor neemt ook de potentiële schade bij een overstroming toe.

De aanhoudende discussie over klimaatverandering heeft de belangstelling voor waterbouw sterk doen toenemen. De nieuwe waterbouwers zijn het eens over twee dingen: de zeespiegel rijst en dijkverhoging is geen oplossing meer. Daarom komen zij met ’nieuwe’ oplossingen: het bouwen van terpen, drijvend wonen, het water de ruimte geven, het bestrijden van de gevolgen van een overstroming omdat een overstroming niet te voorkomen is. Daarnaast huldigen zij ook meer filosofische gedachten, bijvoorbeeld dat duurzaamheid beter is dan techniek, dat ecologie en natuurlijke processen een betere beveiliging geven dan harde oplossingen. Stellingen die zo plezierig klinken dat bewijs overbodig lijkt.

De klassieke waterbouw met dijken, dammen en gemalen lijkt achterhaald. De Britse hoogleraar Richard Ashley formuleerde het zo: „Klimaatverandering vraagt om aanpassing aan het klimaat, maar helaas komen de ingenieurs steeds met dezelfde oude oplossingen aanzetten.”

De bewijsvoering dat dijkverhoging geen oplossing biedt, is voor de nieuwe waterbouwers vrij eenvoudig. De zeespiegel rijst, de rivierafvoeren worden extremer, het land zet. Daardoor komt er geen einde aan dijkverhoging en is het geen oplossing. In de pers wordt deze opvatting unaniem gesteund. De toenmalige directeur-generaal Water Dierikx stelde in 2006 een retorische vraag: „Daarbij stuit ik op de vraag in hoeverre we kunnen doorgaan op de bekende, tot dusver zo succesvolle, weg: met de beproefde ingenieursrationaliteit die op elke waterstand of golfaanval een technisch antwoord kent. Misschien een beetje een karikatuur, maar toch* Is daar in onze verstedelijkte omgeving wel plek voor? Wat moet daarvoor wijken? Is dat eigenlijk wel handig?”

Zo komt de nieuwe waterbouw op de aanleg van terpen als oplossing. Maar als de zeespiegel rijst, de rivierafvoeren extremer worden, het land zet onder het gewicht van de hoge terp dan zal ook de terp op korte termijn verhoogd moeten worden. En dat is niet eenvoudig met al die bebouwing erop.

De tweede oplossing van de nieuwe waterbouw is om het water de ruimte te geven. Bij beperkte toevloed, zoals volgt uit neerslag en rivieren, helpt dat, bij een stormvloed op zee biedt het geen uitkomst. Het is mogelijk om hoge rivierwaterstanden in Nederland te voorkomen door bij Lobith een deel van de Rijnafvoer tijdelijk op te slaan in een noodoverloopgebied. Uitgaande van hoeveelheden water in de Rijn kom je al gauw tot een gebied met een oppervlakte van 520 vierkante kilometer: dat is ongeveer de Betuwe.

De rivier zou ook in de breedte ruimte kunnen krijgen. In plaats van een verhoging van de dijken van vijf naar zes meter kan ook het, zeg duizend meter brede, winterbed met twintig procent worden verbreed. De bandijk (de rivierdijk die de hoogst voorkomende waterstand moet tegenhouden) zou dan tweehonderd meter moeten worden teruggelegd. Maar omdat het water in een door dijkverhoging verdiepte rivier sneller stroomt, zou dit al snel neerkomen op een verbreding met 320 meter. De verhoging van de twee bandijken met één meter zou (bij taludhellingen met een verloop van 1:3) links en rechts van de rivier zes meter ruimte hebben gekost, dus slechts twaalf in totaal. En aan rivierverruiming komt evenmin een einde als de zeespiegel rijst.

Ook zijn de kosten van rivierverbreding logischerwijs veel hoger, aangezien er volledig nieuwe dijken moeten worden aangelegd. Het budget van het project ’Ruimte voor de Rivier’ bedraagt 2,2 miljard euro terwijl het alternatief, dijkversterking, op 0,7 miljard was begroot.

Tegenover die 1,5 miljard verschil staan, als baten, de nieuwe natuurgebieden. Het teruggeven van de Biesbosch aan de rivier is het grootste deelproject. De ontpolderde Noordwaard wordt een fantastisch natuurgebied, maar onder de enigszins misleidende leuze: „Het water moet de ruimte krijgen anders neemt het die.”

Hoeveel mensen zouden weten dat ’Ruimte voor de Rivier’ in werkelijkheid voor tweederde een natuurproject is en slechts voor eenderde om hoogwaterbestrijding gaat?

Ook het wonen in diepe polders vinden de nieuwe waterbouwers niet langer verstandig. Ze wijzen op dezelfde fenomenen: de zeespiegel rijst, de rivierafvoeren worden extremer, het land zet, de zoute kwel neemt toe en door de grote diepte is het gevaarlijk. Zo wordt de uitbreiding van Gouda met de wijk Westergouwe in de Zuidplaspolder op zes meter onder NAP zeer kritisch bezien. Zelfs de econoom prof. dr. Jaap van Duijn, tevens lid van de nieuwe Deltacommissie, schrijft in zijn boek ’De groei voorbij’: „Onze voorouders zouden het niet in hun hoofd gehaald hebben om op de laagste plekken van het land te gaan bouwen, maar hedendaagse planners zien er geen been in.” De planners van Westergouwe hebben de moeite genomen de woningen op terpjes van 1.30 meter hoog te ontwerpen, terwijl de polder toch echt zes meter onder water komt te staan als het mis gaat.

Het is merkwaardig te zien dat de nieuwe waterbouwers plotseling en selectief het vertrouwen in polders verliezen. Nederlanders wonen al meer dan vier eeuwen op de bodem van diepe meren als de Beemster. En onze voorvaderen kozen ervoor om Rotterdam uit te breiden in de diepste polder van alle: de Alexanderpolder (1873). De eerste woonwijk noemden zij nog het Lage Land, later volgden Ommoord, Zevenkamp en Oosterflank. Als laatste wordt nu Nesselande aangelegd, maar Westergouwe gaat kennelijk te ver. En misschien gaat het ook wel te ver omdat men terpjes bouwt en niet de dijk langs de Hollandse IJssel flink versterkt, zoals de ’klassieke’ waterbouw adviseert.

Wij kunnen zeer veilig in diepe polders wonen mits de dijken goed onderhouden en op peil gehouden worden.

De nieuwste waterbouwinnovatie is het idee van de aanleg van een reeks eilanden voor de Nederlandse kust of één indrukwekkend tulpeiland. Deze eilanden, die bestemd zijn voor nieuwe natuur, zouden helpen tegen de zeespiegelrijzing. Maar deze rijzing wordt helemaal niet opgevangen door de eilanden, alleen de golfaanval op de kust wordt enigszins gedempt. Met de eilanden bezorgen wij onszelf vooral een tweede kustlijn, die ook onderhouden moet worden, net als de huidige strandkust. Die eilanden zijn ook bijzonder kostbaar.

Eenvoudiger zou het zijn de eilanden tegen de kust aan te leggen. Dan verschuift de kustlijn één tot twee kilometer naar zee en blijft het onderhoud beperkt tot de ene nieuwe kustlijn. Ronald Waterman, lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, pleit al vele jaren voor deze oplossing, die bij uitstek multifunctioneel kan worden ingericht. Ook de Deltacommissie doet precies deze aanbeveling: versterk de Noordzeekust door er een duizend meter brede strook zandduin voor te leggen. Er schuilt wel een dilemma van kostenverdeling in het plan, omdat strikt voor de veiligheid een strook van honderd meter voldoende is. Ook als de zeespiegel rijst. De overige negenhonderd meter zijn bedoeld voor nieuwe natuur of projectontwikkeling. De kosten zouden naar mijn mening niet zonder meer uit een waterkeringsbudget gedekt mogen worden.

Een jaar geleden trad de zo-even genoemde Deltacommissie onder leiding van oud-minister Cees Veerman aan. Mede gezien de samenstelling van de commissie wachtte ik haar rapport in angstige spanning af. De trend leek gezet toen Veerman eerder al eens in de PZC zijn mening glashelder gaf: „Wij kunnen niet langer eenvoudigweg dijken versterken.” Maar in het zo juist uitgekomen rapport wordt een andere koers gevaren, hoewel er nog wel rudimenten van de nieuwe waterbouw te herkennen zijn.

De eerste aanbeveling van de commissie is om de veiligheid van alle waterkeringen met een factor tien te verbeteren. Dat is geheel in lijn met de toegenomen waarde, de gegroeide bevolking en de aversie tegen risico bij het publiek. Het voorkómen van overstromingen voert de boventoon, schadebeperkende maatregelen als verzekeren en evacueren krijgen in het geheel geen aandacht, terwijl dat na de overstromingen in New Orleans plotseling de nieuwste trend in politiek Den Haag leek te worden.

Op 29 augustus 2005 braken de dijken rond New Orleans. Daarna gebeurde er iets merkwaardigs. De falende keringen waren naar Nederlandse maatstaven volstrekt onvoldoende. De Nederlandse regering richtte zich na deze les vreemd genoeg niet op het perfect onderhouden van onze waterkeringen, maar op de lessen uit Amerika. Men meende van Amerika te kunnen leren hoe je de gevolgen van een overstroming vermindert. Evacueren, verzekeren tegen overstroming, compartimentering, terpen en overstromingsbestendig bouwen kregen volop aandacht.

De grote nadruk in het beleid op repressie – op de bestrijding van de gevolgen – werd gemotiveerd vanuit de aandacht die jarenlang is besteed aan preventie. In de waterkeringswereld is de aandacht van oudsher hoofdzakelijk gericht op preventie door veilige keringen. Aan repressie werd weinig energie besteed. Kennelijk dacht de regering snel verbetering te kunnen bereiken door de aandacht te verleggen naar bijvoorbeeld het oprichten van een evacuatieorganisatie.

De meeste Nederlanders zullen trouwens ook denken dat het gezien onze reputatie in het buitenland wel goed zit met de veiligheid van onze waterkeringen. Dat is onjuist. Volgens de Wet op de Waterkering moeten onze keringen sinds 2001 elke vijf jaar getoetst worden. Het resultaat van deze toetsing (een APK-keuring voor dijken) is onthutsend; bijna een kwart van de keringen voldeed in 2006 niet aan de eisen.

Dat was geen verrassing want in 2001 voldeed een vijfde deel niet. Politiek leidde dat evenwel tot geen enkele actie, zelfs niet nadat de beelden van New Orleans hadden laten zien wat een overstroming van een moderne stad betekent. Tot schrik van de klassieke waterbouwers richtten de politici zich zoals gezegd op het bestrijden van de gevolgen en niet op het voorkomen van de ramp door onmiddellijk een grootscheepse onderhoudsactie van de waterkeringen te gelasten.

Pas in 2007 veranderde de stemming, kwam geld beschikbaar en werden plannen gemaakt. Momenteel zitten veel plannen in de procedure, maar is nog weinig werk voltooid.

De resultaten van de toetsing staan overigens niet alleen. In het project ’Veiligheid Nederland in Kaart’ worden de overstromingskansen van de Nederlandse polders met de modernste wiskundige methoden berekend. Daarbij wordt niet alleen rekening gehouden met de kans dat het water over de dijk stroomt, maar ook met de kans dat de dijk wegschuift (denk aan New Orleans en Wilnis), dat de dijk ondermijnd wordt of dat hij doorbreekt door een golfaanval. Hieruit blijkt dat Nederland niet zo onveilig is als New Orleans, dat in de afgelopen zestig jaar tweemaal onderliep, maar ons rivierengebied gaat volgens deze berekeningen wel die kant op. Ook Zuid-Holland komt niet in de buurt van de veiligheidsambitie die hoort bij een tweemaal zo grote bevolking en een vijfmaal zo waardevolle economie. Integendeel, het haalt volgens deze berekeningen de norm van 1960 niet eens.

De merkwaardigste uitkomst van het jongste Deltarapport is daarom wel dat het slechte resultaat van de toetsing van de waterkeringen wel genoemd wordt, maar dat het pijlsnel uitvoeren van het achterstallig onderhoud geen aanbeveling waard is. Zo dreigt de hoofdzaak toch verloren te gaan in een zee van mooie plannen.

Een ander belangrijk punt is onze omgang met voorspellingen over de zeespiegelrijzing, die – wanneer we de media mogen geloven – onze grootste bedreiging is. De ene voorspelling is nog niet gepubliceerd of de waarneming van een nieuw fenomeen volgt erop. ’Het ijs van Groenland glijdt sneller naar beneden en kalft in hoog tempo af.’ ’Er is nog nooit zo weinig zeeijs rond de Noordpool geweest als dit jaar.’

Het Intergovernmental Panel on Climate Change gaf in 2007 de scenario’s voor de veranderingen van het klimaat als gevolg van de uitstoot van broeikasgassen. Het KNMI maakt op grond van die scenario’s schattingen van de zeespiegelrijzing tot 2100. Hun berekeningen geven een stijging aan van tussen de 40 en 85 centimeter in het jaar 2100.

Bij al dit publicitaire geweld wordt meestal vergeten dat wij al jaren de feitelijke zeespiegelrijzing meten omdat dat een factor van belang is voor de beveiliging van ons land. Deze Nederlandse metingen van Rijkswaterstaat laten zien dat de zeespiegel nog steeds twee millimeter per jaar stijgt, dus 20 centimeter per eeuw, en niet sneller. Het verschil tussen de voorspelde en de gemeten zeespiegelrijzing is een groot probleem, dat verbazend weinig aandacht krijgt.

Ik had gehoopt dat de nieuwe Deltacommissie aandacht zou vragen voor dit dilemma en werkelijke metingen naast de extreme voorspellingen zou leggen. Maar helaas: de commissie neemt het somberste scenario en gaat uit van een extreme zeespiegelrijzing van 1,30 meter per eeuw. De werkelijk gemeten rijzing van 20 centimeter per eeuw wordt wel genoemd, maar het verschil krijgt niet de aandacht die nodig is. Alle plannen worden op de hoge waarde gebaseerd.

Maar voor het nemen van goede beslissingen zijn beide getallen nodig. Als wij de waterkeringen versterken met kleine ingrepen – voor een periode van, zeg, tien jaar – dan moeten wij ons baseren op de lage waarde van 20 centimeter per eeuw. Na tien jaar is bekend of de zeespiegelrijzing sneller is gegaan. Daar kan dan voor de volgende periode rekening mee worden gehouden. Het versterken van de Noordzeekust met zandsuppleties is een goed voorbeeld van zo’n aanpassing met kleine stappen.

Veel moeilijker is het als we een stormvloedkering moeten bouwen die honderd jaar meegaat. Dan moeten we rekening houden met een hoge schatting van de zeespiegelrijzing om te voorkomen dat de dure constructie na tien of twintig jaar al te laag is.

Bij een extreme zeespiegelstijging bereiken de Maeslantkering en de Oosterscheldekering rond 2075 het einde van hun technische levensduur. De commissie wil dan de getijdendynamiek in de Oosterschelde herstellen. Ook de Westerschelde blijft als waardevol estuarium open. De dijken langs de lange oevers moeten aanzienlijk worden verhoogd en schilderachtige havens als Zierikzee moeten van een stormvloedkering worden voorzien. Men verlaat hier het idee van het getemde zeegat, waaraan de oude havenstadjes met een open havenfront kunnen blijven liggen.

Voor de Waddenzee schetst de commissie een somberder beeld. Hier zal de aanwas van de platen de zeespiegelrijzing niet bij kunnen houden, zodat er een gerede kans is dat de Waddenzee verdrinkt, aldus de commissie. Het lijkt mij dan onvermijdelijk dat de Ooster- en de Westerschelde ondanks alle moeite ook verdrinken.

Het uitgaan van een extreme zeespiegelrijzing heeft het grootste gevolg voor het IJsselmeer door het besluit van de commissie hier het waterpeil anderhalve meter mee te laten stijgen. Hierdoor wordt een gemaal op de Afsluitdijk vermeden en ontstaat een groot zoetwaterreservoir. De klimaatverandering zou dat reservoir noodzakelijk maken. De gevolgen zullen enorm zijn. Alle pittoreske haventjes moeten worden aangepast, dijken verhoogd en eilanden als de Makkummerwaard zullen, inclusief noordse woelmuizen en bungalowparken, onder water verdwijnen. Ook steden langs de IJssel als Kampen en Zwolle komen in moeilijkheden

Een veel beter plan zou zijn het IJsselmeer op peil te houden door te malen, en wateropslag te scheppen door nieuwe meren aan te leggen In Noord-Holland denkt men al aan het ’Lago Wierensis’ en in Friesland zouden het Makkummer-, het Workummer- en het Parregaastermeer weer gevuld kunnen worden. Zo’n oplossing zou de waterrecreatie stimuleren in plaats van schaden.

Al met al lijkt het erop dat de grote belangstelling van alle disciplines voor de problematiek van het water het wetenschappelijk debat heeft verschraald. Naar mijn mening worden sociaal-wenselijke opinies als feiten gepresenteerd. Het debat wordt gevoerd met kreten: de zeespiegel rijst, dijkverhoging kan niet meer, het water moet de ruimte krijgen, pompen is niet duurzaam, et cetera. Maar hoewel het in deze tijd ongepast lijkt om de kreten kritisch te analyseren, blijven de natuurwetten gelden, ook voor de grootste natuurminnaars.

De discussie in kreten ontneemt ons het zicht op alternatieven. Er is geen enkele reden waarom dijkverhoging niet mogelijk zou zijn. Het is onjuist dat het water de ruimte moet krijgen, omdat het die anders neemt. Dijkverhoging en dijkverlegging zijn alternatieven, die elk hun voor- en nadelen hebben.

Het grootste gevaar is dat wij het zicht verliezen op de beveiliging tegen hoogwater die essentieel is voor ons land. Enerzijds voor de fysieke veiligheid van Nederland, anderzijds voor ons internationale imago als investeringsland. Hoe zal het buitenland oordelen over een land dat overstroomd is, maar excellent geëvacueerd?

Wat moet er nu gebeuren? Zoals gezegd is de Deltacommissie de belangrijkste aanbeveling vergeten, want allereerst moet de achterstand in het onderhoud van de waterkeringen worden ingehaald.

Nadat de dijken in perfecte staat zijn gebracht en in 2011 of 2012 de toetsing glansrijk hebben doorstaan, komt de vraag aan bod of het beschermingsniveau wel voldoende is. De laatste ijking van dat basisveiligheidsniveau werd in 1960 uitgevoerd. Omdat er nu twee maal meer mensen wonen en vijfmaal meer waarde is neergezet, komt dezelfde redenering van 1960 nu uit op een minstens vijfmaal veiliger systeem. Het nieuwe normenstelsel voor ons waterkeringssyteem wordt een van de belangrijkste keuzen van de eenentwintigste eeuw.

Aan het einde van een volgende verbeteringsronde, in 2040 of eerder, staat het vast of de zeespiegel versneld rijst zoals nu voorspeld wordt. Als de rijzing circa één meter bedraagt geeft dat in mijn ogen technisch en economisch geen problemen.

Pas als de zeespiegel meer dan twee meter rijst wordt het moeilijker. Dan komt de afsluiting van de Westerschelde met een stormvloedkering aan de orde, het beschermen van de Zeeuwse en Hollandse kust met een hoge, zware duinkering. Dan moeten we kiezen of de Waddenzee binnen of buiten de waterkering blijft. Met nieuw te bouwen supergemalen kan het water van Rijn en Maas naar zee uitgeslagen. Dat klinkt misschien gek, maar de Rotte en de Amstel eindigen tegenwoordig al in gemalen.

Als het debat evenwichtig wordt gevoerd, kunnen we net als vroeger tot prachtige combinaties komen van stedenbouw, natuurbouw en waterbouw om ons lage land veilig, aantrekkelijk en welvarend te houden.

Essentieel daarvoor is dat de vraag naar de waarheid blijft bestaan. Want de natuur gehoorzaamt alleen aan haar eigen wetten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden