Verleden overschaduwt bouwen in Zuid-Afrika

Het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) besteedde dit jaar speciaal aandacht aan de architectuur en cultuur van Zuid-Afrika. Deze 'South African Seasons' worden nu afgesloten met de grote tentoonstelling 'Blank _ Architecture, apartheid and after'. Het moment van het themajaar is interessant, doordat zowel de prille pogingen voor een nieuwe huisvestingspolitiek getoond kunnen worden als de lasten uit het verleden die dat proces voorlopig nog zullen dicteren. Robbert Roos reisde met het NAi naar Zuid-Afrika en bezocht daar zowel overheidsprojecten als initiatieven van individuele architecten.

ROBBERT ROOS

“Waardeloos.” Vol afkeur in zijn stem wijst architect en stedenbouwkundige Dave Dewar in de richting van huisjes van staalplaat die strak in het gelid op een onmetelijke zandvlakte staan. We zijn in Delft 5, een wijk op de uitgestrekte Cape Flats buiten Kaapstad, waar de zwarte bevolking vanaf de jaren vijftig gedwongen naar toe werd verhuisd, tientallen kilometers van het stadscentrum. “Delft is een wreed voorbeeld van de grote projecten van de overheid. Er wordt niet gewerkt aan het creëren van een stad die voor iedereen open staat. De aandacht is louter gericht op acute woningverbetering voor de zwarten in feitelijk net zulke gescheiden wijken als tijdens de apartheid. Er worden geen straatwanden gemaakt, er is geen ontspanning, de voetganger wordt genegeerd, dit zijn rijtjes slaapunits in een volstrekt onaanvaardbare leefomgeving.”

Het spanningsveld tussen de volkshuisvestingsprogramma's van de nieuwe zwarte overheid en de visies van individuele architecten en stedenbouwkundigen is groot. De overheid is bezig aan een soort wederopbouw-programma: zo veel mogelijk huizen voor de zwarten bouwen in een zo kort mogelijke tijd. Teveel mensen leven nog in krotten, de woonomstandigheden in de townships zijn abonimabel. De architecten zien dit probleem natuurlijk ook. En ze steunen de voortvarendheid van de overheid, maar hun strategieën zijn totaal anders.

Een sleutelwoord in de concepten van de architecten is 'dichtheid'. Ze willen steden creëren, waarin mensen dichter op elkaar wonen zodat een straatleven ontstaat, waarin ook winkelen en werken is geïntegreerd. Niet twaalf of dertig huizen per hectare, maar tweehonderdvijftig. Dit vergt echter een lange termijn-planning en de overheid heeft haast. Dus worden in wijken als Delft 5 de huisjes als broodjes naast elkaar gelegd. Dewar: “Het concept is gebaseerd op dezelfde politiek die achter de Group Areas Act en Slumps Act tijdens de apartheid zat en die in essentie anti-stad was. Het presenteerde het suburbane leven als een goed stadsleven vol vrijheid: een enkel huis op een individueel kavel. Die filosofie is nog steeds verankerd in het denken.”

Delft maakt onderdeel uit van het omvangrijke Reconstruction and Development Program, waarmee de overheid sinds 1994 de hoge woningnood wil oplossen. Met subsidies van 17 500 rand kunnen bouwers een plot kopen, voorzieningen aan laten leggen en een constructie neerzetten. Een paar jaar geleden was dit nog een alleszins redelijk bedrag, maar door de enorme inflatie is het tegenwoordig nog maar een schijntje, zo'n 6 000 gulden. In Delft is de devaluatie van het bedrag fysiek te zien. Aan het begin van de wijk zijn de huisjes nog van steen, aan het eind bestaat het grootste deel uit golfplaat. Voor de constructie blijft steeds minder over.

Dave Dewar heeft tijdens zijn rondleiding door de Cape Flats soms moeite om de weg te vinden. Het is duidelijk dat hij er al een tijdje niet meer is geweest. Regelmatig slaat hij een verkeerde weg ingeslagen of twijfelt hij op een kruispunt. Niet verwonderlijk, want op de Cape Flats lijkt alles op elkaar. Stalen hekken omzomen krottenwijken. De wegen zijn vlak en eindeloos. Eigenlijk biedt alleen de Tafelberg enige oriëntatie, de toeristenattractie in de binnenstad van Kaapstad, die steeds verder aan de einder verdwijnt naarmate je dieper in de Cape Flats doordringt. Op de punten van hekken wapperen stukken plastic. 'Cape Town flowers' worden ze cynisch genoemd.

Dit is de omgeving waar in de jaren vijftig de zwarte en gekleurde bevolking onder de Group Areas Act naar toe moest verhuizen. Ze kwamen onder meer uit District Six, een lap land die aanschurkt tegen downtown Kaapstad. Het was een levendige wijk, een beetje zoals het New Yorkse Harlem voor de tweede wereldoorlog. Er heerste armoede, maar de gemeenschapszin was groot. Kunstenaars, bohémiens, arbeiders en kleine ondernemers zorgden ervoor dat er altijd iets te doen was. En het was een gemengde wijk, al woonden er niet veel blanken. Het was kortom een wijk, zoals de hedendaagse Zuidafrikaanse architecten ze nu stiekem zouden willen bouwen, al zouden ze voor meer comfort kiezen.

In een industriegebied leidt David Dewar ons naar een krottenwijk die tussen bedrijventerreinen ligt ingeklemd. In Zuid-Afrika zijn landinvasies nog steeds aan de orde van de dag. Een leeg stuk land kan in één nacht worden gekolonialiseerd. Marconi Beam _ zoals de krottenwijk heet _ ontsproot in de schaduw van de paardenrenbaan er niet ver vandaan, waar werk te vinden was. Ook Marconi Beam is omzoomd door een stevig stalen hek, wat het ghetto-achtige karakter ervan accentueert. De nederzetting is onderwerp van een interessant project, dat voorziet in het verplaatsen van de inwoners van Marconi Beam naar een nieuwbouwwijk een paar kilometer verderop: het 'Joe Slovo Park' _ genoemd naar de drie jaar geleden overleden voorman van het ANC, die de laatste maanden van zijn leven nog even minister van huisvesting was.

Het contrast is enorm. De zandwegen met kuilen, de wankele hutjes opgebouwd uit alles dat handen kunnen vinden en de unheimische sfeer in het oude Marconi Beam zijn in het Joe Slovo Park vervangen door lusvormige asfaltwegen, stenen huisjes met een puntdak en een veel leefbaarder klimaat. Al blijft Dewar mopperen dat het om slaapsteden gaat, waarin niet is geprobeerd echte straten te maken of voorwaarden voor een echt stadsleven te scheppen. Maar het ziet er beduidend vriendelijker uit dan Delft 5, waar het zand genadeloos rond de golfplaten huthuizen waait.

Zelf heeft Dewar twee pogingen ondernomen om wel wijken met straten en huizenblokken te maken. Onder de rook van District Six bouwde Dewar 133 units in twee- tot drie verdiepingen hoge complexen. Het oogt een beetje als een woonerf bij ons in Nederland met een architectuur die wel iets weg heeft van de sociale woningbouw in de Forum-stijl, zoals Piet Blom en Aldo van Eyck in de jaren zeventig propageerden. Straten zijn breed, waardoor ze soms meer binnenplein zijn en daarmee voor leefruimte zorgen. Er heerst een gemoedelijke sfeer, maar ook hier ligt criminaliteit op de loer, zoals overal in Zuid-Afrika.

Dewar is tevreden over het resultaat. Vooral de dichtheid _ volgens hem de kern van succes _ bevalt hem: 238 huizen per hectare. Toch beantwoordt het resultaat nog niet helemaal aan zijn ideaal. “We wilden een mix van lage-, midden- en hoge inkomens, maar we hebben het klasseprobleem onderschat. De mensen met hogere inkomens waren bang voor bendes. Uiteindelijk hebben we wel alle woningen verkocht, maar niet voor een goede prijs. Toch is het één van de eerste niet-raciale projecten die van de grond is gekomen tijdens het apartheidsregime.”

Een ander project is Belhar in het oosten van de Cape Flats. Opnieuw heeft Dewar de moeite genomen om pleinen te creëren, bomen te planten en straatwanden te maken. “Het beleid van de overheid was en is het uitrollen van een tapijt van enkele huizen op individuele kavels over de Cape Flats. Daartussen worden grote wegen aangelegd. Er was geen enkele consideratie met de voetganger. Terwijl een wijk als Belhar twintig kilometer van de binnenstad af ligt. Binnen de stringente eisen van de apartheid hebben we toch geprobeerd een vriendelijke omgeving te maken, waarin ook een gemeenschapshuis is opgenomen als sociaal bindmiddel. Daar worden cursussen gegeven, en er worden vergaderingen en kerkdiensten gehouden.”

Dave Dewar is gewend om zijn hart te laten spreken en daarom doet hij nogal eens ondiplomatieke uitspraken. Vlak na de oplevering van de eerste straten in Belhar wist hij een minister te beledigen en prompt werd hij van het project afgehaald. Andere architecten _ meer loyaal aan de staat _ maakten de wijk af. “Ze keken wel naar wat wij hadden gedaan, maar ze begrepen er eigenlijk niets van.” Dewar demonstreert dit aan de hand van een straatje dat hij na enig zoeken vindt. Van het korte weggetje zijn de laatste vijf meter krap een meter breder dan de rest. “In hun ogen is dat een plein”, zegt Dewar met leedvermaak, maar ook een beetje lijdzaam.

Soms gaat het idealisme wel eens met Dave Dewar op de loop en raakt hij bitter van wat hij om zich heen aan architectonische en stedenbouwkundige rampen ziet gebeuren. Het is typerend voor de generatie architecten die in de jaren zestig en zeventig aan het werk ging en die tegen de stroom in probeerde om fatsoenlijke huisvesting voor zwarten en kleurlingen te realiseren. Opvallend is, dat hierbij onder meer naar Nederland wordt gekeken. Het principe van woningbouwverenigingen spreekt architecten als Dave Dewar erg aan.

Ook architect Peter Rich ziet veel in collectieve verantwoordelijkheid. In de buitenwijk Lombardy East van Johannesburg zette hij een project op, waarbij alle subsidies van de toekomstige bewoners in één pot werden gegooid; met dat geld werden het stuk land gekocht en de huizen gebouwd. Gelegen op een heuveltje kijken de bewoners uit over de township Alexandra. Aan hun voeten ligt London Road, berucht door de vele 'carnappings': auto's die, ook op klaarlichte dag, worden overvallen en gestolen. De meeste mensen uit Lombardy East komen uit Beirut, een deel van Alexandra waar de criminaliteit welig tiert en het bestaan hard is.

De huizen van Rich zijn totaal anders dan de blokkendozen-met-laag-puntdak (tijdens de apartheid het 51/9-type gedoopt) die elders de toon zetten. Rich creëerde met een aantal basismodellen _ waarvan sommigen een boerderij-achtig uiterlijk hebben _ een breed scala aan woningen. Eenlaags, tweelaags, met uitbouw, zonder, langgerekt, vierkant. Iedere woning is in twee kleuren gepleisterd: voor de helft bruin en voor de andere helft geel. Ook dit spel zorgt voor levendigheid in het architectonische beeld, waar in andere wijken de eenkleurigheid troef is. Iedere familie kreeg een casco zonder elektriciteit. Wie dat wil kan zelf uitbouwen of voorzieningen aan laten leggen. Hiermee wordt zelfwerkzaamheid gestimuleerd. De bewoners zijn in ieder geval trots op hun bezit en leggen in de rode aarde de eerste tuintjes aan.

De interieurs zijn van kaal beton en sommige families moeten zich met twee kamers blijven behelpen. Doodgemoedereerd staat bijvoorbeeld een moeder te strijken in de slaapkamer. Langs de wanden staat huisraad en kleding hoog opgestapeld. Loopruimte is er niet meer. Een walmend kacheltje zet de kamer in een penetrante rook. Voor westerse ogen verre van ideaal, maar altijd nog beter dan het ghetto van Alexandra.

Zo krap als het binnen kan zijn, zo weldadig is de ruimte rond de huizen. En daarin schuilt meteen een gevaar. Het kolonialiseren van land is bijna een automatisme geworden in townships. Wanneer de financiële nood hoog is, is de verleiding groot om stukjes van je land onder te verhuren aan squatters, de echte 'krotbewoners'. Een wrakkige caravan heeft zich nu al tussen twee huizen genesteld.

In april van dit jaar werden in Lombardy East de eerste woningen opgeleverd. Het is de vraag of volgend jaar april de ruimte rond de huizen nog steeds alleen maar voor tuintjes wordt gebruikt. Stedenbouw blijft in Zuid-Afrika voorlopig een combinatie van vastgeroeste overheidspatronen, ad hoc beslissingen van planners, persoonlijk engagement van individuele architecten en informele impulsen van de bevolking zelf.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden