VERLANGEN GEEFT VINDING

,,Niet toetreden wordt verlating door God, zoals Willem Jan Otten zich bewust maakt, wel toetreden wordt verlating door vakbroeders. Die keuze is als het gevecht met de engel. Ik herinner me dat Adriaan van Dis daarom tot nu toe van de Kerk moest afzien. Hij vreesde zijn vrienden te verliezen.''

door Antoine Bodar

Priester Antoine Bodar reageert op Carl Friedman (Letter & Geest, 15 januari) en de rede van Willem Jan Otten 'tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie'.

'Het is beter te luisteren naar verwijten van een wijze dan naar toejuichingen van dwazen.' Aldus Prediker (7 vers 5), de favoriete Bijbelschrijver van Carl Friedman die zich moet realiseren -naar het Boek der Spreuken (17 vers 10)- dat de berisping bij iemand met verstand meer beklijft dan honderd stokslagen bij iemand die dwaas is. Zo althans ervaar ik de wijze waarop Friedman de rede van Willem Jan Otten tot de wijzen onder de verachters van het christendom tegemoet treedt.

,,Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt?'' herinnert zich Paulus (1 Corinthiërs 1 vers 20-21). Want ,,in Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden. Daarom heeft God besloten de gelovigen te redden door de dwaasheid van de verkondinging''.

Zonder verkondiging geen geloof. Zonder geloof geen gebed. Zonder gebed geen getuigenis. Zonder getuigenis geen lef. Zonder lef in het geloof geen aangaan van de strijd met de wereld. 'Alleen van horen zeggen kende ik U', bekent Job (42,5), nadat hij zich aan God heeft overgegeven. Maar wie beleeft zo'n beproeving als Job? Toch is Job bondgenoot van elke beproefde.

Waarvan het gemoed is vervuld, daarvan spreekt de mond. Waarmee het innerlijk strijdt, daarvan geeft het uiterlijk blijk. Wat opgaat voor eenieder, gaat stellig op voor hem wiens hoedanigheid het is gewaarwordingen te uiten en woorden te geven. Zo de spreker en de schrijver, de profeet en de dichter. De schrijver gaat te rade bij zijn vakbroeders en verzamelt hetgeen zij passend hebben vormgegeven om het opnieuw aan te wenden en te weven in eigen betoog. In variëring op de raadgeving van Leon Battista Alberti: Zoals de ene schilder de andere aanhaalt, zo de ene schrijver de ander. Het citaat is herkenning en erkennig, verschaft vreugde en inzicht, verduidelijkt en vermildert. Het geeft kloppend en bondig een gedachte weer, die zich daarom beter laat nazeggen dan anders gezegd verbeteren. Wie verwantschap in weergave ervaart, stelt zich in de rij van de overlevering en citeert. Daarom spijt het mij hier in Rome geen andere boeken van Willem Jan Otten dan zijn rede naar Friedrich Schleiermacher te hebben om hem zelf aan te halen.

Wellicht houdt Carl Friedman niet van herhaaldelijk aanhalen -,,Het boekje van Otten bestaat voor vijftig procent uit wrok en voor de rest uit citaten''- want dat beduidt ook aanvaarding van autoriteit. Zeker weet zij waaromtrent men niet spreekt. Niet omdat het beter is te zwijgen waaromtrent men niet weet te spreken -om nog eens te citeren- maar omdat zij eenvoudigweg weet dat over twee onderwerpen altijd 'fatsoenshalve' gezwegen behoort te worden vermits het ene (het weer) 'banaal is' en het andere (God) 'banaal maakt'. Het komt mij daarentegen voor dat geen enkel onderwerp uit zichzelf banaal is of maakt omdat zulks geheel afhankelijk is van de wijze waarop en de vorm waarin zulks ter sprake wordt gebracht.

Voor de schrijver en meer nog voor de dichter is geen onderwerp te banaal of te gewoon. In tegendeel. De meesterlijkheid van een idee vindt de dichter veelal in het gewone en alledaagse. En een idee vertoont zich bij voorkeur in een bijzonderheid, een ogenschijnlijk detail. De dichter geeft het banale vorm. Hij verwoordt de gewone bijzonderheid en heft die op naar algemeenheid. Zo zie ik de terugkerende wending omtrent de zon bij Prediker, die mijns inziens alleszins met het weer van doen heeft, als aanduiding van eentonigheid van hete dagen waarin alles zijn verveling van tijd kent.

Niet alleen het ogenschijnlijk te gewone zoekt de dichter te verwoorden maar ook het ternauwernood of slechts bij benadering zegbare. Hier raakt poëzie religie. Vandaar het door de dichter Otten gekozen gezegde, ontleend aan de Australische dichter Les Murray, volgens wie gedichten kleine godsdiensten en godsdiensten grote gedichten zijn. Vandaar de door hem van W.H. Auden geleende gedachtengang dat gebeden zeggen lijkt op gedichten lezen: de luisteraar luistert in bidden naar God en in lezen naar de dichter. Hoe vaak was tot voor kort het gebed geen gedicht en het gedicht geen gebed? Zoals bij Gezelle en Nijhoff, bij Achterberg en Gerhardt?

,,Ergens van overtuigd zijn maar niet geloofd worden, dat is de natuurlijke aanvangstoestand van een schrijver.'' Ik citeer Otten uit zijn rede waar hij zijn jeugdherinnering van het wonder van de losse olifanten ophaalt. Het is de eigen ervaring van toen die zich helemaal niet of alleen weerbarstig liet delen. Het is de eigen overtuiging van nu die bij de tegenstander weerstand wekt maar ook bij de schrijver zelf. Weerbarstigheid naar twee kanten. Vandaar dat Otten ten aanzien van zijn beleden Godsgeloof zich niet uitspreekt over de inhoud maar alleen over de vorm, 'de mentale beweging van het geloven zelf'.

Paulus heeft meteen al ten aanzien van Christus' zending geleerd dat het geloof uit gehoor is. Het moet gehoord worden. Dit gebeurt niet alleen door verkondiging, hoe lispelend ook, maar tevens door getuigenis, hoe schaamtevol ook.

Friedman bekent zich als 'gelovige zonder kerk' aan wie het geloof 'niet zwaar' valt en 'zo weinig' weegt. Ik denk dat zij daarom niet door het steunen en citeren van Otten heeft willen heenhoren naar wat ik althans als de kern van Ottens woordenvloed heb beluisterd. Ik bedoel dit: de gelovige in God zonder de Kerk neemt aan of verwerpt wat individueel past. De gelovige in God met de Kerk houdt ook eigen verantwoordelijkheid maar maakt deel uit van publieke gemeenschap. De Kerk, waartoe de gelovige zich bekent of niet anders kan dan zich bekennen, is niet alleen Lichaam van Christus waarvan Hij het hoofd is of Volk Gods onderweg op de weg die Christus is naar het heil Gods, maar de Kerk is ook wereldlijke gestalte en werkzame instelling met richtlijnen en burelen, met klerken van beroep en gedrevenen van roeping. Want niets menselijks is de Kerk, voor zover zij menselijk instituut is, vreemd.

Met dit dubbele Kerkbegrip, dat wezenlijk slechts één enkel begrip is, leert met name de katholiek meesttijds omgaan. Hoe anders immers kan de Kerk zich, als door Christus bedoeld, tonen aan de wereld als zij niet tevens in de wereld feitelijk aanwezig is? Dus als menselijk bedrijf, als culturele instelling. Hier is de discussie over de zichtbare en de onzichtbare Kerk in het geding. Katholieken belijden de Kerk als zichtbaar teken voor de wereld. Protestanten zijn doorgaans terughoudender ten aanzien van die zichtbaarheid. Terwijl katholieken de Kerk beschouwen als sacrament van Christus, geven protestanten in de regel de voorkeur aan het duidelijke onderscheid tussen Christus en de Kerk. Zij zien die verbinding bescheidener. Maar of christenen nu de verschillende sacramenten afleiden uit de Kerk als sacrament van Christus, zoals katholieken, of die liever rechtstreeks en letterlijk tot Christus Zelf terugvoeren, zoals protestanten, het doopsel is voor alle christenen het sacrament van inlijving in Christus en Zijn Kerk.

Wie religieus bewogen geraakt en zich voelt aangetrokken tot de katholieke Kerk mag in het vergaand tolerante Nederland rekenen op scepsis, afkeer, vijandschap, zelfs op verwijten van achterlijkheid en meewarigheid wegens verlies van verstand. Deze houding doet vooral opgeld onder intellectuelen van oudere en middelbare leeftijd. In hun consequentie van wereldlijke wijsheid beperken zij de Kerk zo niet tot een instituut van ethiek dan toch tot een louter menselijke instelling. Hun ontgaat de natuurlijke spanning tussen de kerk als Lichaam van Christus en de kerk als instituut. Hun ontgaat daarom eveneens de natuurlijke spanning tussen het geheim van het omhelsde geloof en de orde van de voorgehouden moraal. Dit gebrek aan inzicht beperkt zich overigens niet alleen tot lieden buiten de Kerk, het doet zich ook onder gelovigen binnen de Kerk voor. De openbare mening, dagelijks gevoed door democratische bestuursvormen en multinationale ondernemingen, brengt de katholieke Kerk terug tot een wereldomvattende organisatie zonder meer waar niet influistering van Geest maar uitoefening van macht doorslaggevend is. En voorzover de publieke opinie wordt geleid door pers, radio en televisie, vernauwt zich de informatie over de Kerk niet minder tot enkel menselijke kanten: de Kerk als vermeend machtsinstrument van ethiek.

Wie het dus niet kan laten katholiek te worden -niemand wordt katholiek voor zijn verdriet- moet de huidige openbare mening weerstand bieden. Dat beduidt strijd, om niet te zeggen worsteling. De aantrekking blijkt Christus en Zijn Kerk in onzegbare zin. De vierschaar der logica blijft hier buiten bedrijf. Wie de aantrekking vatten kan, vatte die. Dat is alles.

Niet toetreden wordt verlating door God, zoals Otten zich bewust maakt, wel toetreden wordt verlating door vakbroeders. Die keuze is als het gevecht met de engel. Ik herinner me dat Adriaan van Dis daarom tot nu toe van de Kerk moest afzien. Hij vreesde zijn vrienden te verliezen. Alleszins menselijk.

Willem Jan Otten heeft zich in mei van het vorig jaar laten dopen in de kerk vlakbij zijn huis, de Vitus in Naarden. ,,Op dat punt aangekomen begreep ik dat verlangen naar geloof en geloven hetzelfde zijn,'' schrijft hij in zijn rede, daarmee eenzelfde gedachte uitend als in het vierde eucharistisch gebed: Gij, Heer, komt elke mens met alle hulp tegemoet, 'zodat wie U zoeken wil, U reeds heeft gevonden'. Verlangen geeft vinding. Geloven is halverwege tegemoet getreden worden. ,,Om mijzelf beter te begrijpen moest ik de Rubicon van de Doop over,'' beseft Otten. En hij laat in mannentaal volgen: ,,Liefst was ik bewusteloos geslagen en gedoopt ontwaakt, maar niemand sloeg mij bewusteloos''.

Met Julius Caesar het water over of met Mozes het water door? De tocht van het Joodse volk door het water van de Rode Zee geeft bevrijding van het Egyptische leger. 'Geen beeld is duidelijker voor het sacrament van het doopstel,' schrijft Tertullianus achttien eeuwen geleden. Vanwaar Ottens stoere verdichting liever bewusteloos gedoopt te zijn?

Voor de intellectueel, die zich heeft voorbereid, komt de dag om gedoopt te worden. Juist nu ontstaat aarzeling en stelt de rede zich teweer; want rede en geloof (fides et ratio) verdragen elkaar nog niet. Geestdrift wordt getemperd. Onzekerheid neemt toe. Wordt de stap gezet, de sprong gewaagd? Of wint alsnog het 'gezonde verstand'?

Opneming in de Kerk komt in beleving gelijk te staan met afwijzing door de wereld. Wachten biedt geen steun en onrust verdrijft geduld. Het dringt door dat voor het doopsel overgave voorwaarde is. Maar overgave is de intellectueel vreemd -niet zozeer in de menselijke liefdesverbintenis (want die is tastbaar), zeker wel aan God in de Kerk (want die is ontastbaar). De te zetten stap wordt de te wagen sprong die overgave heet. Troost alleen is dat het doopsel begin van toetreding in overgave betekent en overgave in bidden kan groeien.

Gesteld dat de intellectueel besluit de begonnen weg te volgen en de verbintenis concreet aan te gaan, waarom dan zich in het openbaar te laten begieten met water? Moet dat? Ja, dat moet. Hij wordt door het doopsel deel van de Kerkgemeenschap. Het water is het eenvoudige teken tot nieuw leven. In dit teken, in dit sacrament voltrekt zich de inlijving in Christus en Zijn Kerk. De intellectueel voelt zich alsnog vernederd en hij zou wensen dat de plechtigheid reeds voorbij was.

Geloven is naast tegemoettreding door God twijfel en dus zorg geloof te behouden; 'want een overtuiging kan ook sterven', beseft Otten. Ook hem kan overkomen wat de dominee in Ingmar Bergmans film 'Avondmaalsgasten' is geschied. Terwijl de kijker de dominee in gesprek ziet met een echtpaar waarvan de man in wanhoop is en weldra zelfmoord zal plegen, hangt achter hem groot de gestorven Christus aan het kruis. De dominee is nog geplaatst in dit teken van zijn herderlijk ambt, maar zijn geloof is reeds verdord. Het wordt hem verder afgepakt door de vrouw die laat blijken wel hem te beminnen, maar niet in hem zijn geloofsovertuiging. Wie evenwel in iemand gelooft, bemint hem. En wie iemand bemint, gelooft in hem. En zoals geloven beminnen is, zo is beminnen bidden. Wie niet bidt, verliest zijn liefde voor het geloof. Het is als bij de tuin van Voltaire. Het geloof moet worden onderhouden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden