Verlamd door het nieuws

'Hier krijgt een schilderij opnieuw betekenis. De schoolkinderen voelen het ook en spreken, rijp en groen, over Amerika, Europa en het Oosten.' De historicus Peter Sierksma ging naar Keulen om Hopper te zien.

'Dat wordt lastig. De treinen zitten vol. We zijn de hele maand al volgeboekt trouwens. Dus ik geef u weinig kans, tenzij u reserveert op incourante tijden', antwoordt de vrouw van de Service- en ticketafdeling van de Nederlandse Spoorwegen aan het loket op de vraag of ik een retour Keulen voor de volgende dag kan boeken.

'Allemaal naar Keulen?' vraag ik.

De vrouw aan het loket glimlacht vriendelijk. 'Vooral vrouwen hè. Ze komen af op die aanbieding in een van de damesbladen. De kerstmarkt.'

Ik wilde naar de overzichtstentoonstelling van Edward Hopper in het Ludwig Museum. De lokettiste legt mij nog eens geduldig uit dat de kerstmarkt van Keulen én die van Düsseldorf voor veel mensen een uitkomst zijn.

'Echte wintervakanties zijn voor veel mensen te duur geworden maar zo'n dagje is nog betaalbaar en je bent er toch even helemaal uit. Echt buitenland.'

En daarom waan ik me een dag later in (het per auto bereikte) Keulen werkelijk op wintersport zo tussen de skihutten met koopwaar, de dennentakken en mokken vol Glühwein. Net een sprookje in onzekere tijden. Keulen als dal onder de toppen van de grote Dom.

Onzekere tijden. We zijn van de kaart. De weg kwijt. Sinds de aanslagen op New York en Madrid, de moorden op Fortuyn en Van Gogh en de oorlogen in Afghanistan en Irak zijn we de oude niet meer. Van de kaart. Staat Europa na Madrid aan het begin van het einde of aan de vooravond van een nieuw begin? Hebben we met Turkije werkelijk het paard van Troje binnengehaald? Of staan we in de kinderschoenen van een nieuwe eenwording, een nieuw experiment waarin de tolerantie zal zegevieren, zoals de Amerikaanse grondwetsdeskundige Joseph Weiler 23 oktober jl. in NRC Handelsblad liet doorschemeren? Voor hem was Europa 'de enige plek waar mensen uit verschillende landen zich vrijwillig aan gemeenschappelijke regels onderwerpen, maar hun eigen nationale identiteit houden. En waar ze hun buurman bovendien uitdrukkelijk zijn eigen identiteit gunnen, zelfs als die buurman de anderen ooit bezet heeft, zoals de Duitsers met bijvoorbeeld de Hollanders hebben gedaan van 1940 tot 1945. Zo'n voorbeeld van tolerantie vind je nergens anders, niet in de geschiedenis, niet in de wereld'.

De weg kwijt. Het beeld dringt zich op van een konijn dat ergens midden op een snelweg staat en staart in de koplampen van een naderende auto: Paralysed by the dashboard light. Verlamd door het Nieuws.

Eerlijk gezegd was ik er niet op uit om over Hopper in Keulen te schrijven. Van een sensatie zoals tijdens de grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum van 1981 is allang geen sprake meer. Toen leken Hoppers schilderijen met al die eenzame mannen en vrouwen, die verdwaald leken in hun nauwelijks nog natuurlijk te noemen omgeving, toegesneden op het postmoderne levensgevoel dat we kenden.

Het was crisis, de toekomst uitzichtloos en zo ervoeren wij -studenten, krakers, punkliefhebbers -het ook. De stad, het betonnen symbool van de welvaart met haar snelwegen, kantoren, parkeergarages en grote winkelcentra, was aan het verloederen en bood paradoxaal genoeg het ideale decor voor dat sombere levensgevoel van no future, no fun.

De crisis zat diep. Banen waren er niet en als ze er waren zouden we die weigeren. Wat er ook op ons pad kwam, nooit zouden wij, Titaantjes, ons laten opslokken door het heersende Orwelliaanse systeem. De wezenloze gelaatstrekken van al de door Hopper geschilderde kantoorklerken zei ons genoeg. Trouwens, waarvoor zou je werken als de wereld onder Thatcher en Reagan sowieso verging, de dreiging van grote milieurampen en een kernwapenoorlog in het verschiet?

Dus studeerden we geschiedenis, bezochten we bioscopen, clubs en buurthuizen waar bandjes speelden met namen als de Tomahawks en The Dead Kennedys. We hingen rond in nachtcafés als 'Het Oerwoud', 'Weltschmerz' of 'de WW' en draaiden Joy Division: We knocked on the door of Hell's dark chamber/pushed to the limit, we dragged ourselves in./Watched from the wings as the scenes are replaying/We saw ourselves now as we never had seen./Portrayal of the trauma and degeneration/The sorrows we suffered and never be free.

We zagen de verlammende films van Chantal Akkerman, Jim Jarmusch en Wim Wenders. Films waarin net als in Hoppers schilderijen, een halve eeuw eerder, niets gebeurde. Waarin mensen, zo lijkt het, wegdromen in een zeker verlangen, maar ondertussen wachten. Op elkaar, op de trein, op wat eigenlijk? Weg van huis, maar zonder duidelijke bestemming tegen de achtergrond van lege straten, kille kantoren, verstilde hotellobby's, naar binnen gekeerde theaterimpressies en troosteloze snackbars en cafés zoals je ze ziet in 'Automat'(1927) en 'Nighthawks' (1942).

In die films kwam dat allemaal terug. News from Home, Permanent Vacation en Der Stand der Dinge -allemaal gingen ze over eenzame individuen in de grote stad, zoals Hopper ze eerder in een andere verschijning ook al was tegengekomen. Het meisje van 'Automat' had de studente uit News from Home kunnen zijn en de gleufhoed uit 'Nighthawks' zou zo weer kunnen opduiken bij Wenders, die in 1997 overigens daadwerkelijk Hoppers bar nabouwde voor zijn documentaire Ende der Gewalt.

De hoofdfiguren zitten allemaal gevangen in hun eigen isolement. Willy Wielek kon er niet tegen en schreef in Trouw over de laatstgenoemde film dat ze Wenders integere manier van filmmaken waardeerde, maar niet van zijn films kon houden: 'Ze zijn me te cerebraal. Ze raken me niet, ik kan Wenders wereld en de personen die die wereld bevolken niet bereiken... geen warmte, geen genegenheid... waarschijnlijk kan hij die altijd en overal een vreemdeling blieft te zijn alleen maar vervreemding overbrengen.'

Het was precies wat we wilden. We speelden de rol van vreemdeling in onze eigen film. Verveelde jongeren in de reprise van de oude film noir naar het motto van Raymond Chandler: 'The Streets were dark with something more than night.' Somber en cynisch. En dus zagen we onszelf onder het felgele tl-licht met de brandende sigaret van Humphrey Bogart of Edward G. Robinson als een van Hoppers nachtbrakers met een kon-het-ons-wat-schelen blonde diva aan zijn zijde, onder het gifgroene elektronische geluid van Joy Division 'zoals we onszelf nooit hadden gezien'.

Hopper (1882-1967) had zelf weinig moeite met alle interpretaties van zijn werk. Stoïcijns en nuchter stelde hij vast dat grote kunst altijd meer te maken heeft met het innerlijke leven van de kunstenaar dan met de tastbare dingen of omgevingen die je ziet. Hij rekende daarmee af met de manier waarop enkele Amerikaanse collega's en kunstcritici hem in de jaren dertig claimden als de kampioen van het Amerikaanse realisme. Daar hield hij niet van. Net zomin hij vergeleken wilde worden met de abstracte Mondriaan of tijd- en stadsgenoot Stuart Davis, wenste hij als realist ondergebracht te worden bij 'The American Scene'. Hoppers realisme was metafysisch van aard, geen poging om Amerika als een poster af te beelden: 'I never tried to be American. If I'm American, allright, I'm myself.'

Gelijk had hij. Hopper stond met zijn benen in twee werelden. Geboren in Nyack aan de Hudson River kende hij de grote, bijna romantische ervaringen die Ralph Waldo Emerson in zijn essays over de natuur beschreef. Tegelijkertijd was hij grootgebracht met de psychologie van schrijvers als Henry James die naar Europa hadden gekeken. En dat deed Hopper ook. In 1906 woonde hij een jaar lang in Parijs waar hij Courbet, Manet en Renoir ontdekte. Ook maakte hij later, tijdens een tweede reis, kennis met Nederland en bezocht hij het Rijksmuseum waar hij onder de indruk raakte van het mooiste schilderij dat hij ooit zou zien: 'De Nachtwacht'.

Dat Europese licht is belangrijk. Want al sloeg Hopper, eenmaal terug in Amerika, een heel eigen richting in, Europa liet hij nooit helemaal los. Zo is bekend dat hij altijd Europese dichters bleef lezen. Auden en Rilke met name. De laatste moet hij begrepen hebben toen deze in De elegieën van Duino (1912-1922) dichtte: Bij mensen vind je soms een stuk oersmart, gepolijst,/Of een brok toorn uit een oude vulkaan, versteend en vol slakken./Ja, dat kwam daarvandaan. Wij waren rijk, ooit. (vert. W.J.M. Bronzwaer) Van Auden zag hij vooral de blik in de spiegel uit Die avond dat ik de stad inliep (1937): Kijk in je zorg en pijn;/Leven blijft een zegen/al kun jij het niet zijn. (vert. Peter Verstegen) Het is waar dat de Eerste Wereldoorlog de Amerikanen, na hun traumatische avontuur in de loopgraven, terug in hun schulp deed keren. Zelfs Franklin Roosevelt neigde naar een nieuwe vorm van isolationisme voordat Amerika op 7 december 1941 met de aanslag op Pearl Harbour hardhandig wakker werd geschud.

Pearl Harbor: het hoge woord is eruit.

Maar eerst dit: Het nadeel van het toeëigenen van een beeld is dat het na verloop van tijd weer gaat vervelen. Met de jaren tachtig verdween voor mij in elk geval ook mijn belangstelling voor Hoppers stadsnomaden. Ze verschoof naar zijn kusten en vuurtorens.

Eigenlijk ging ik dan ook naar Keulen om die kust te zien. Het blauw en het licht van Cape Cod. Maar blijkbaar gaat dat zomaar niet. Zeker, na de koffie in de pas geopende loungebar van Starbucks en de overtocht door de zee van de aangekondigde kerststalletjes is het een verademing om 'Lighthouse Hill'(1927) te zien. Maar even verderop wordt alle aandacht toch weer getrokken door dat ene schilderij dat bijna 'Nachtwacht' heet.

Een gids met een Joost Eerdmans-bril, vertelt een grote groep scholieren alles over de achtergronden van het café op de hoek van New Yorks Greenwich Avenue dat, behalve met een schip in de nacht, ook wel met een aquarium met vier vissen vergeleken is. De gids laat me onberoerd tot hij met zijn Keuls accent op 'Pearl Harbor' komt. Die mensen zitten er net zo verslagen bij als wij na 'Madrid' en 'Elf september', wijst hij.

Nogmaals Auden: O dompel diep je handen/In 't water bij de kraan; Staar in de wasbak, stilstaand/Bij wat je is ontgaan.

Weg zijn de jaren tachtig. Weg is de zee, ja Jona is weer terug in Ninevé. Hier krijgt een schilderij opnieuw betekenis.

De schoolkinderen voelen het ook en spreken, rijp en groen, over Amerika, Europa en het Oosten.

De ironie is groot. Hopper, conservatief en Republikeins als hij was, had vlak voor de aanslag in 1941 een zekere hekel aan president Roosevelt die hij verdacht van dictatoriale neigingen. Opmerkelijk. Vooral omdat er nu, ruim zestig jaar later, een roman van Philip Roth verschenen is waarin Roosevelt de verkiezingen van 1940 verliest van iemand die Amerika nog dictatorialer wil besturen: de vliegheld Charles Lindbergh. De Amerikanen zijn in Het complot tegen Amerika behoorlijk in de war en willen emigreren. 'Het is hun land niet meer.'

In Amsterdam en Keulen hoor je nu zulke geluiden ook wel. Amsterdam is in de ban van Mohammed B. en in Keulen dondert de echo van Kalief K. Verlamd door het nieuws kijk je anders naar 'Nighthawks'.

Meer dan ooit, besef ik, is het Amerikaanse beeld een Europees beeld geworden. Zelfs de kleuren zijn Europees met het felle Türkisgrün, zoals het begeleidende tentoonstellingsboekje aangeeft, en Dwaallicht-geel. Het doet me hevig terugverlangen naar de onschuld van het slot van Elsschots gelijknamige novelle uit 1947:

'Ja, broeders, dat het u goed mag gaan in de wereld. Dat Allah uw pad moge effenen en u behoeden op zee, om u terug te voeren naar uw bergen als de tijd gekomen zal zijn. En wat Maria en Fathma betreft, laten wij niet wanhopen, want de wil des Heren is immers ondoorgrondelijk.' De Hoppertentoonstelling in het Ludwig Museum in Keulen is te zien tot 9 januari.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden