Opinie

Verklooide maar nog net niet uitgedoofde levens

Het gebeurt wel vaker dat toeschouwers in de schouwburg in de slaap vallen, maar al in de eerste minuten na aanvang? En niet zwijgend dommelen, maar snurkend als een middelgrote zaagmachine. Horen de toeschouwers naast de zager dan niks, grijpen ze niet in? Een medewerker van het Vlaamse Toneelhuis wacht niet af en wurmt zich door de rijen om de onrustverstoorder te vermanen. In de zaal van de schouwburg wordt immers niet gesnurkt.

Nou was er ook wel enige aanleiding tot indutten, want de 'Oom Vanja' die regisseur Luk Perceval naar Tsjechow bij zijn gezelschap Het Toneelhuis ensceneert, komt uiterst traag uit zijn winterslaap. Acht stoelen op het toneel, met daarop acht toneelspelers die behalve het publiek aankijken minutenlang nietsdoen en afwachten. Glucks 'Orfeo ed Euridice' weerklinkt in krakerige jaren twintigtoonzetting.

Maar mooi dat Percevals winterslaap functioneel is. Er gebeurt in die eerste tien minuten net zo veel als in het het hele leven van Oom Vanja zelf, van zijn moeder, van nichtje Sonja en dat van dokter alias huisvriend Astrov. Namelijk helemaal niets. Verklooide levens zitten daar op die stoelen. Maar toch nog niet helemaal uitgedoofd, als de professor met zijn dertig jaar jongere vrouw langskomt. Dan laait alom de hartstocht op.

Regisseur Perceval heeft geen Russisch berkenbosje of wodkagerinkel nodig om zijn Oom Vanja te duiden. Behalve de acht stoelen bestaat het toneel uit een groenig achterdoek en een afgebrokkelde, door vocht kromgetrokken parketvloer. En water allicht, dat schipperszoon Perceval aan al zijn voorstellingen toevoegt: losbarstend onweer doorweekt de toneelspelers tot op de naad. Ze schuilen niet eens, maar laten het onweer letterlijk over zich heen trekken.

Vanja en de zijnen zien zelf hun miserabel bestaan in, maar wentelen zich vooral in zelfbeklag. ,,Kust m'n kloten godverdoeme, ik zie niemand geerne, ikke, en niemand ziet mij geerne.'' Vic de Wachter speelt Oom Vanja in mooi massieve nurksheid maar de bijou van de voorstelling is Gilda de Bal als Vanja's moeder. Tevergeefs hengelend naar de affectie van de professor dribbelt zij met ingehouden kreetjes en gebaartjes in aanhoudende verkramptheid heen en weer: ,,Nou bennekik de cake vergeten! Ja, en dan zitten we hier allenig, helemaal vergiftigd!''

Perceval levert met zijn 'Oom Vanja' een gevecht met de tijd. Hij suggereert een slepende traagheid die allerminst saai is, en die de levens van de personages typeert. Pina Bausch-achtig lopen, staan en hangen zijn acteurs in de rondte, waardoor je je halverwege het stuk opeens afvraagt waarom er eigenlijk tekst in 'Oom Vanja' nodig is. Je vraagt je al lang niet meer af wat al die ontheemde zielen in dit verstikte huis gaan doen (want dat is consequent: niks), wel hoe ze in vredesnaam al die jaren hun nutteloze dagen doorkwamen.

Toch is de toon niet zwartgallig, eerder berustend. Door die traag voortvliedende theatrale én werkelijke tijd weeft Perceval nog wat opbeurend geschmier. De zotte dronkenmanschappen van Vanja en van de dokter, en het wodkageslemp van de professors vrouw met de sombere Sonja dat - 'gloe-gloe-gloe' - uitmondt in een gillende keukenmeidenstoelendans.

Een terugkerende schuifeldans gebruikt Perceval als vorm van communicatie die nu eens wel werkt. Met taal komen de personages niet nader tot elkaar, maar schuifeldansend verstaan ze elkaar opeens wel degelijk. Ze klampen zich aan elkaar vast in een korstondige momenten van tederheid.

Maar goed komt het natuurlijk niet, al besluit Sonja tegen de klippen op: ,,Ooit gaan wij stralen. Ja, dat geloof ik.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden