Verkamman / Wilkes: individualist in een teamsport

In het eerste hoofdstuk van het prachtige boek ’Het voetballeven van Faas Wilkes’ staat een anekdote die de junior Faas, maar later ook de sterspeler Wilkes typeert.

Het is nog ruim voor de oorlog dat scheidsrechter Dirk Nijs tijdens een wedstrijd tussen de jeugd van Xerxes en Neptunus zich enorm ergert aan een sierlijk pingelaartje bij Xerxes. Nijs legt het spel stil en roept het onmiskenbare talent op barse toon bij zich.

’Hoe heet jij, jongen?’

’Faas Wilkes, meneer.’

’Mooi zo, nou moet jij eens goed naar me luisteren, Faas Wilkes. Voetbal is een teamspel. Weet je wat dat is, een teamspel?’

’Ja meneer.’

’Mooi, dan moet je het spel niet helemaal alleen willen spelen. De andere jongens moeten ook eens een keer de bal hebben. Heb je dat begrepen?’

De jonge Faas barst in snikken uit, maar hij begrijpt het wel – voetbal is een teamsport. Maar altijd zal hij in het voetbal toch een uitgesproken individualist blijven. Dat komt doordat hij vindt dat voetbal leuk moet zijn om te doen en vooral ook leuk moet zijn om naar te kijken. Van nature heeft hij zo veel talent dat hij op basis van dat talent het publiek in vervoering kan brengen. Faas Wilkes is de ongekroonde koning van de dribbel en de bijna magische meester aan de bal. Hij verstaat de zeldzame kunst van het versnellen in de dribbel. Van diverse interlands zijn beelden bewaard gebleven waarin men Wilkes zes of zeven spelers ziet passeren, waarna hij de zaak zelf afmaakt of een ander de eer van het doelpunt gunt. Als het even kan legt Faas op de doellijn ook de keeper nog in de luren.

Op die manier krijgt hij de massa aan zijn stijlvolle voeten, maar ook zijn er trainers en medespelers die van zijn individualisme een punthoofd krijgen. Dat maakt bijvoorbeeld bondscoach Jaap van der Leck duidelijk in zijn dagboek na de op 12 juni 1949 gespeelde interland Denemarken-Nederland. In de rust komt het tot een woordenwisseling tussen bondscoach en sterspeler. Van der Leck noteert in zijn dagboek: ’Faas Wilkes was volkomen ingesteld op zijn individuele spel. Slechts in uiterste noodzaak speelde hij de bal af. Ik wees hem in de rust op het feit, dat, als hij enkele Denen uit positie had gespeeld, dan juist moest afgeven. Hij deelde mij daarop mede dit wel te willen doen, maar dat hij nooit een medespeler vrij zag staan.’

Voor het kind Johan Cruijff is Faas Wilkes zijn idool. Later zal Cruijff vaak Alfredo Di Stefano van Real Madrid als de grootste speler aller tijden noemen. Di Stefano is een grootheid, maar na zijn Italiaanse periode bij Internazionale en Torino wordt Wilkes in Spanje als speler van Valencia op één hoogte geplaatst met Di Stefano. Zijn tussen 1949 en 1957 in Italië en Spanje vergaarde roem onderscheidt Wilkes ook van zijn Nederlandse evenknie Abe Lenstra. Wilkes is een man van de wereld, Lenstra blijft in Friesland hangen. Faas, die Abe hoog heeft zitten, begrijpt hier niets van. Wat is er mooier dan in Zuid-Europa van de professionele sfeer en het goede geld te genieten?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden