Verheffing wil maar niet lukken

Bezoekers van het dorpsfeest in Kreileroord, Noord-Holland, genieten van Nick en Simon. (OTTO SNOEK)

Is kunst een speeltje voor de elite? En wie is dan die elite? De spanning tussen ’hogere’ en ’lagere’ kunst is al meer dan een eeuw oud.

Het Residentieorkest is ook maar een ’tromboneclubje’, in de woorden van PVV-politicus Sietse Fritsma. Zijn partij heeft de aanval ingezet op de kunstsubsidies. Waar begin je je te verdedigen tegen zo’n opvatting, heeft menig kunstliefhebber de afgelopen tijd ongetwijfeld gedacht. Waarom is een stuk van Stravinsky meer waard dan een stuk van Jan Smit?

Wat dat betreft had je het als intellectueel in pakweg 1869 nog makkelijk. Zoals de Engelse dichter en criticus Matthew Arnold. Hij leefde in een tijd dat steden langzaam volstroomden met arme fabrieksarbeiders en maakte zich zorgen over de vulgariteit van de massa. Maar hij zag, in zijn boek ’Culture and Anarchy’, ook een eenvoudige oplossing: die mensen hadden Cultuur nodig! Dan zou het snel afgelopen zijn met de klasseverschillen, dacht hij, en zou iedereen nog lang en gelukkig in een klimaat van sweetness and light leven.

Dat de massa’s misschien niet gediend waren van zulk Victoriaans paternalisme, kwam nauwelijks bij hem op.

Terwijl het proletariaat bleef groeien, verbreidde de ongerustheid zich over de hogere klassen, niet alleen in Engeland. De Franse socioloog Gustave Le Bon werd bekend als de eerste massapsycholoog en hij verwoordde de angsten van veel van zijn tijdgenoten toen hij in 1896 optekende: ’Het is altijd al de taak van de massa’s geweest om een versleten beschaving te vernietigen. Haar ontbinding wordt veroorzaakt door die onbewuste en brutale menigtes die we terecht barbaren noemen’.

Ook in linkse kringen maakte men zich zorgen over de platte smaak van het volk en de geestelijke afstomping die het gevolg was van de eentonige fabrieksarbeid. In 1908 richtten in Nederland prominente sociaal-democraten, zelf van goede komaf, de vereniging Kunst aan het Volk op. Arbeiders moesten goede boeken lezen in plaats van keukenmeidenromannetjes, verantwoord toneel kijken in plaats van platte revues, en hun huis inrichten met strakke, moderne meubels, in plaats van met frutsels en tierelantijntjes.

Het was maar ten dele een succes, meent kunsthistoricus Marc Adang, die de vereniging bestudeerde. Inderdaad voelden veel arbeiders zich bevrijd, zoals de vader van historicus Jacques Presser. ’Die mensen ontwaakten, die mensen gingen lezen!’, herinnerde Presser zich later. Maar de vereniging ging ten onder toen de leden begonnen te morren dat ze wel erg veel lering en erg weinig vermaak voorgeschoteld kregen.

Orthodoxe marxisten moesten niks van zulke volksopvoeding hebben. Henriëtte Roland-Holst, zelf toch dichter, vond de burgerlijke kunst alleen maar een rem op de revolutionaire aspiraties van het proletariaat. Dat zou, tegen de tijd dat het de macht gegrepen had, zelf wel een nieuwe kunst uitvinden: „Ik ben van opinie dat wanneer het ’volk’ maar eerst vooruitmarcheert, de kunst wel vanzelf komen zal”.

Wie terugkijkt, ziet dat er in die jaren, de eerste decennia van de twintigste eeuw, inderdaad een nieuw soort volkskunst ontstond. Al was het misschien niet die waar de meeste marxisten op hoopten.

De technologische vooruitgang betekende een revolutie in de kunst. Films en muziek konden eindeloos verspreid worden. Daarmee verloor het kunstwerk zijn aura en ging het meer aan economische wetten gehoorzamen, zo analyseerde de Duitse intellectueel Walter Benjamin. De muziekindustrie nam de plaats in van de componist. Het publiek kreeg bovendien steeds meer geld te besteden en gaf dat graag uit aan jazzmuziek en Hollywoodfilms.

Het waren de jaren dat de kloof tussen kunst met de kleine en met de grote K groeide. Want de technologische vernieuwing kreeg ook de elites in haar greep, die zich ’avant-garde’ gingen noemen.

Vooruitgang werd een artistiek doel op zich en leidde tot kunst die steeds lastiger te begrijpen was voor de gewone man. In een toneelstuk van Shakespeare is voor iedereen wel iets te genieten en dat gold niet voor ’Ulysses’, de hermetische roman waaraan James Joyce in 1914 begon te werken.

En ook de atonale muziek van Schoenberg kon je niet zomaar meefluiten zoals je een stuk van Mozart had meegefloten.

Sommige avant-gardekunstenaars gingen de massa zelfs verachten. De Amerikaanse dichter Ezra Pound was in de jaren ’10 de sleutelfiguur binnen de modernistische literatuur; hij hielp de carrières van onder andere T.S. Eliot en James Joyce op gang. In zijn werk gaat fascinatie voor vooruitgang samen met verachting voor commercie en jodendom. ’Kunstenaars zijn de antennes van het ras, maar de stomphoofdige massa’s zullen nooit leren om hun grote kunstenaars te vertrouwen’, schreef hij. Hij emigreerde naar Italië, waar hij in dienst trad van het fascistische bewind van Mussolini.

Linkse denkers worstelden intussen met de vraag waarom het proletariaat de macht toch maar niet greep.

Filosoof en componist Theodor Adorno vermoedde dat dat iets te maken kon hebben met die vulgaire jazzmuziek en films, waar de arbeiders zich door lieten verdoven. Onder invloed van de ’cultuurindustrie’, schreef hij, was kunst verworden tot amusement, dat in dienst stond van het kapitalisme: „Men zoekt het als een ontsnapping van het gemechaniseerde arbeidsproces en om energie op te doen om ermee om te kunnen gaan”.

Adorno haalde er het verhaal van Odysseus en de Sirenen bij. Odysseus bedacht een list om de sirenen te horen zingen, zonder door hun verleidelijke stemmen in de dood gelokt te worden: hij stopte de oren van zijn bemanning vol was en liet zich vastbinden aan de mast.

Ziedaar de tragiek van de modernistische kunst, zei Adorno: de massa onwetend en zwoegend, opdat een bourgeoisfiguur naar mooi gezang kan luisteren. Maar kunst is voor die bourgeoisfiguur wel verworden tot een concertbezoek zonder consequenties.

Dat die scheiding niet absoluut was, dat ontsnapte aan Adorno’s blik. Toch was de kruisbestuiving tussen avant-garde en massacultuur in zijn tijd al volop aan de gang.

Carl Laemmle, de baas van de Universal Studios, reisde door Duitsland om bij expressionistische kunstenaars inspiratie op te doen voor kaskrakers als ’Frankenstein’. De ’vulgaire jazzmuziek’ evolueerde tot academisch klinkende piep-knor. En in het Bauhaus stelden avant-garde ontwerpers hun talenten in dienst van de massaproductie.

Het leidde ertoe dat er na de Tweede Wereldoorlog steeds minder denigrerende geluiden te horen waren vanuit de kunstelite over de populaire kunst. De bekendste beeldend kunstenaar van de jaren zestig is waarschijnlijk Andy Warhol, die juist ongegeneerd zwolg in consumentisme. In de jaren tachtig schopte Keith Haring, een graffitiartiest, het tot wereldfaam. En kunst werd big business op veilingen.

Niet dat de avant-garde nu ineens begrijpelijk werd voor iedereen. Fluxus en performancekunst kwamen op: eenmalige voorstellingen die daardoor immuun waren voor commerciële uitbating.

Was de avant-garde daarmee nog wel een echte voorhoede die vooruitliep op nieuwe ontwikkelingen? Eerder leverde ze commentaar vanaf de zijlijn.

Adorno en zijn elitaire kunstopvattingen raakten ook uit de gratie in linkse kringen. Die verschoven hun aandacht van de arbeiders naar andere verworpenen der aarde: vrouwen, bewoners van de derde wereld, psychiatrisch patiënten. Waarom zou de kunst van niet-mannelijke, niet-westerse, niet-heteroseksuele kunstenaars minder zijn dan die van de westerse canon?

Daarover gingen de afgelopen jaren de meeste debatten: zo wilde staatssecretaris Van der Ploeg meer allochtonen naar het toneel lokken.

Het serieuze debat tussen elitaire en populaire kunst, dat was al enige tijd een beetje verstomd. Aan de ene kant was de elite gewend geraakt aan het naast elkaar, en door elkaar, bestaan van ’hogere’ en ’lagere’ kunst. Aan de andere kant werd er nog wel gemopperd over abstracte kunst in de trant van ’dat kan mijn neefje ook’, maar dat bleef toch vooral ritueel.

Nu heeft de PVV het debat heropend en moet de elite ineens een antwoord vinden op de vraag waarom het Residentieorkest meer is dan een tromboneclubje. De antwoorden die Matthew Arnold en Theodor Adorno op die vraag hadden gegeven, zijn anno 2010 waarschijnlijk te neerbuigend om nog serieus te kunnen klinken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden