Essay

Verhalen over onsterfelijke goden tonen onze eigen worsteling met de dood

Awoiska van der Molen Beeld Awoiska van der Molen

In de week van de klassieken leest Marjoleine de Vos over de onverteerbare dood in antieke mythes. ‘Wat opstaat is nooit meer dat wat stierf.’

Orfeus daalt af in de dood en keert weer, dus hij herrijst in zekere zin. Zo’n soort herrijzenis is makkelijk symbolisch te duiden: hij keert tot het leven weer na het verdriet, de afgrond van de rouw. Zoals iemand door een donker dal kan gaan, en daar weer uit komen. Zoals we zeggen: ik voel me herboren.

Er zijn mythen waarin de hoop wint, waarin het lukt. Waarin iemand die gestorven is, terugkeert. Hoewel: ‘iemand’ - iemand keert eigenlijk niet terug, eerder een god of een toestand; wat terugkeert is het leven, de zomer, de ochtendster, de vruchtbaarheid. Persefone komt terug als voorjaar; de Egyptische Osiris, zoon van de aarde en van de hemel, ook en als wassend water, hij is steeds dood en steeds weer herrijzende. Als hij er is, wordt het lente en gaan alle bloemen bloeien, vooral anemonen horen bij hem. Verdwijnt hij weer naar het duister, dan wordt het ook op aarde donker.

Een stervende en weer verrijzende god of goddelijke gestalte is dus niets ongewoons. De Christusfiguur past in dat mythische patroon, ook voor wat betreft het moment van zijn verrijzenis: Pasen, precies als de natuur weer ontwaakt. En daar horen dan weer de heidense paaseieren bij met hun van buiten dode, kalkachtige schil en van binnen het nieuwe leven. Ook het christendom heeft vaak gedaan wat de Grieken deden: voorchristelijke feesten en symbolen incorporeren in het nieuwe geloof. De bijbelse verhalen komen net als de Griekse mythen voort uit een wereld vol mythen en goden.

Maar een mens staat niet weer op. Als er geen Herakles langskomt wervelen om je vrouw uit de armen van de dood te rukken, dan blijft ze dood. Ook wie vertrouwt op wederopstanding, ooit, moet het in dit leven en hier op aarde doen met die waarheid.

Onverteerbaar 

Al die verhalen over goden die sterfelijk en onsterfelijk zijn, mensen die levend de onderwereld bezoeken of die de onsterfelijkheid zoeken, zeggen iets over onze moeizame omgang met dood en sterfelijkheid. De dood is onverteerbaar. Zowel de dood van geliefden als de eigen dood. En dus worden veel mythische pogingen ondernomen om hem te overwinnen. 

De onderwereld, het rijk van de dood, is de gruwelijkste plaats die je je voor kunt stellen, zelfs als er niet eens allerlei straffen worden uitgedeeld. In de Griekse mythologie zijn die straffen - denk aan Sisyfos met zijn steen, Ixion op zijn rad, Tantalos met zijn honger en dorst - helemaal niet zo prominent. Meestal als het over de onderwereld gaat, gaat het vooral over één aspect: het donker. Duisternis, immense stilte en de aanwezigheid van de doden die je niet ziet, maar wel bevroedt.

Als Odysseus van de tovenares Circe hoort dat hij naar het dodenrijk moet, is hij volkomen gebroken en wenst niet langer te leven ‘noch ooit weer ’t licht van de zon te aanschouwen’. Liever is hij dus echt dood dan dat hij in levenden lijve de dood moet verduren. En ook zijn mannen, als ze horen waar ze heen gaan, barsten uit in gejammer en zijn volkomen verslagen.

Toch gaan ze. Odysseus spreekt met de doden en hoort van alles van ze, over wat hij moet doen, over hoe het daar is, over de dood van zijn moeder en het leven van zijn vader. Hij kan met de doden spreken omdat hij ze eerst van door hem uitgestort offerbloed laat drinken, een voor een. Opmerkelijk genoeg houdt hij ze op afstand met zijn zwaard en tonen de doden daar ontzag voor. Hoe ze er precies aan toe zijn is trouwens niet duidelijk - Odysseus probeert de schim van zijn moeder tevergeefs te omhelzen ‘want onze spieren houden geen vlees meer vast en geen botten’ maar vertelt over Agamemnon dat er van zijn vroegere onaantastbare spierkracht niets over is.

Zijn er nu wel of niet spieren en een lichaam? Ach, onzinvraag natuurlijk. Juist het onheldere is wat deze voorstelling zo waarachtig maakt, het is een ‘alsof’ dat zo dichtbij komt dat het werkelijk beleefd lijkt te zijn. Het is allemaal even spookachtig en uiteindelijk vlucht Odysseus in paniek weg. S. Vestdijk zaait in zijn sonnet ‘Odysseus in de onderwereld’ in het sextet dan ook twijfel over Odysseus’ verslag van zijn tocht: het was de wind en het water dat de held hoorde. Of misschien was het alleen zijn eigen stem.

Zij spraken: in de wind en in het water

Dat verderruischte; en met grage mond

Dronken zij van het bloed dat zij begeerden.

Maar and’ren zeggen: híj was de een’ge prater,

En praatte als een’ge schim, in droom, en wond

Zich op, tot hij waanzinnig wederkeerde.

Als iemand nog maar net dood is, dan zien mensen de overledene wel, ze horen zijn stem nog, ze voelen haar aanwezigheid nog, hij is er nog zeggen ze, zij ziet ons nog. De dode geeft ons nog toestemming voor van alles en nog wat, we praten met hem of haar. Niet door zoals Odysseus in de onderwereld af te dalen, maar op een bepaalde manier wel. We werpen als het ware een blik in het dodenrijk en daar spreekt de dode, en bevestigt het leven hier: ‘Ik weet dat Simon het zo gewild zou hebben’; ‘Jeanette was erg op je gesteld’; ‘Cisca is het ermee eens dat ik hertrouw’; ‘Die ijsvogel, ik denk dat dat Anton was die even een seintje gaf’.

Mensen zeggen dat ze de dode om raad vragen, dat ze met hem of haar praten. Natuurlijk zeggen ze dat. Hoe eenzaam is het anders. Een vrouw die haar liefste vriendin had verloren snikte eens: ‘Ik wou dat ze kwam spoken!’ Terugkeer, desnoods tijdelijk, eventjes, een glimp. Er is niets waarnaar iemand zo wanhopig kan verlangen.

Televisie

Op de televisie kreet een Palestijnse man wiens zoon zojuist was omgekomen door Israëlische bombardementen: ‘Mijn zoon is niet dood.’ Hij huilde juist omdat het wél zo was, maar ontkende die dood toch, op een ander niveau. Hij bedoelde zoiets als: voor mij niet. Nooit. Ze krijgen hem niet dood, wat ze ook doen.

De dood als een rijk waar schimmen leven is één voorstelling, de dood als een rijk waar niets leeft een andere, al is dat in zekere zin hetzelfde. In de dood staat alles stil, de andere wereld is er nu juist een zonder leven.

- mama hier zingen de vogels zo sober

heerst een zwarte seizoenloze zomer

bloesemt een overgrote verstrooiing

laat Hester Knibbe in een gedicht een gestorven kind zeggen. Het gedicht eindigt met een foto:

Je zonnige lachen staat op de foto

je prachtige lachen staat op de foto.

Foto’s lijken soms regelrecht uit die andere wereld afkomstig, helemaal als ze wat ouder zijn geworden, wat vager hun afdrukken. Digitale foto’s blijven als nieuw, tot ze, poef, zonder een spoor uit Het Grote Geheugen verdwijnen, niet eens naar een onderwereld, maar de overgrote verstrooiing in. 

Behalve de onderwereld is er na de dood ook het ná-leven. Dat wil zeggen, de herinnering, al of niet geëerd. Als het met de werkelijke onsterfelijkheid niets geworden is, nemen we genoegen met die tweederangse onsterfelijkheid: het beeld dat we ‘voor eeuwig’ zullen bewaren. Degenen van wie we veel houden en wier dood we als extreem onrechtvaardig beschouwen, die laten we niet doodgaan. We zeggen dat we ze in leven houden. In onze gedachten, in ons hart.

Metamorfosen

Misschien is dat ook wat we zo mooi vinden aan Ovidius met zijn metamorfosen, dat hij een vorm heeft gevonden die het mogelijk maakt om te denken dat de overledene er nog is, maar anders. Steeds weer verandert iemand van gedaante, vaak op een moment dat alles ondraaglijk wordt. De goden hebben de macht om zichzelf te veranderen, in adelaars, gouden regens, stieren of boogschutters. Ze kunnen ook mensen veranderen, ze kunnen ze ezelsoren geven of na hun dood in anemonen of hyacinten of narcissen laten voortbestaan. Bij Ovidius gebeurt het zelfs nogal eens dat iemand vóór de dood verandert, van verdriet bijvoorbeeld.

De metamorfosen gaan eigenlijk opmerkelijk vaak over rouw, ook wel over uitzinnige razernij trouwens en over nogal wat meer menselijke eigenschappen. Maar het veranderen van een mens in een rots, een steenuil, een rivier, een boom is vaak een troostrijk beeld voor het niet helemaal verdwijnen. In zekere zin wordt heel de natuur zowel een klaagzang als een verbeelding van het doorgaande leven - waar het ene sterft, verschijnt het andere en in zekere zin is dat hetzelfde. Maar nooit helemaal.

Wederopstanding, maar wat opstaat is nooit meer dat wat stierf. ‘Sie war schon nicht mehr diese blonde Frau’ (Rilke).

Heel mooi zie je dat ook in het gedicht van Rutger Kopland dat geïnspireerd is op de metamorfose van de jongeman Kyknos, die in een zwaan veranderde. Zijn moeder, die dacht dat Kyknos was omgekomen, veranderde in een vijver.

Moeder en zoon

Er is ergens een vijver, schrijft Ovidius,

die ooit een moeder is geweest

‘zij smolt weg in tranen’, rouwend

om haar doodgewaande zoon

maar hij leefde nog - hij had de dood gezocht

door van een rots te springen, maar hij viel niet,

in de woorden van Ovidius: ‘zwevend werd hij

in de lucht een zwaan met witte veren’.

Die dingen gebeurden toen - soms was

de werkelijkheid zo ondraaglijk

dat er gebeurde wat niet kon.

Dit is alles wat wij weten: moeder en zoon

herenigd - je ziet in je gedachten hoe een witte zwaan

wordt gewiegd door een vijver en je vraagt:

zou die vogel de rouw kennen van het water

en zou het water weten wie het wiegt.

Dat laatste beeld, de zwaan op de vijver, geeft Ovidius niet, dat heeft Kopland zelf gemaakt. En de vraag die hij daaraan verbindt, maakt het allemaal eens zo schrijnend. Het gedicht werd aanvankelijk opgenomen in een bundel met metamorfosegedichten die Overgangen heette, een woord dat in dit verband nog extra toepasselijk is. Zowel moeder als zoon is overgegaan in een andere vorm. Maar die nieuwe vorm heeft geen weet van de oude. Behalve voor degene die kijkt of zich verbeeldt, zoals Kopland hier, dat die vijver een moeder is, die zwaan haar zoon. Niet de werkelijkheid, maar de verbeelding zorgt voor de onsterfelijkheid.

Toch wordt zelfs in een gedicht of op een schilderij iemand niet onsterfelijk. Het klinkt zelfs een beetje naïef om het te hopen. Of om te hopen dat de kunstenaar zelf zal blijven, omdat zijn kunst onsterfelijk is:

Want dode bloemen keren niet weerom,

maar ik zal heerlijk in mijn vers herrijzen

schreef Willem Kloos. Ach ja, Kloos. Waar is de kunstenaar als hij er niet meer is? In zijn werk. Maar het werk is vooral het werk, dat steeds weer anders, steeds weer nieuw gezien wordt, in elke tijd zijn eigen betekenis heeft.

Verrijzenis

Eigenlijk is een kunstwerk dat lang blijft bestaan, het beeld bij uitstek van verrijzenis. Niet van degene die erin bezongen of beschreven wordt, zo dat het geval is, maar van zijn eigen verrijzenis. Steeds stervend en steeds verrijzend. Verhalen, gedichten, verbeeldingen krijgen steeds weer nieuw leven ingeblazen en nodigen zelf uit tot steeds nieuwe interpretaties. De mythen blijven leven en ze blijven ons leven vormen en in die zin zijn ze onsterfelijk, zoals wij dat ook zijn in ons werk en in wat we kunnen denken. Maar we zijn het niet.

Het einde van de roman kunnen we herschrijven zo veel als we willen, maar het oorspronkelijke verhaal wint altijd. Dat is het verhaal waarin de goden ons voorhouden dat er zoiets zou zijn als een tweede kans, een mogelijkheid om de dood te overwinnen, als we maar mooi genoeg zingen. Maar altijd laten ze ons op het laatst omkijken, omkijken om in te zien wat we al wisten, wat we al zo lang weten:

dat de adem van een mens terugkeert

als hij eenmaal de tanden voorbij is,

dat is niet te koop,

die buit kunnen wij niet behalen.

De Week van de Klassieken 

De Week van de Klassieken loopt tot en met 19 maart. 

‘Alle goden! Religie in de Oudheid’ is het thema van deze tiende editie, met lezingen en andere activiteiten in musea en boekwinkels (www.weekvandeklassieken.nl).

De Week wordt georganiseerd door het Rijksmuseum van Oudheden en Tresoar, in samenwerking met het Allard Pierson Museum, Athenaeum Boekhandel het Nederlands Klassiek Verbond en Trouw.

Bijgaand essay is afkomstig uit het boekje dat ter gelegenheid van de Week verschijnt.

'Afdalingen' van Marjoleine de Vos Beeld RV

Marjoleine de Vos:

‘Afdalingen. Op zoek naar onsterfelijkheid in antieke mythes’ Ambo/Anthos, Atheneum Van Oorschot; 72 blz € 2,99

Marjoleine de Vos (1957) is redacteur en columniste bij NRC. Ze schrijft over literatuur, levensbeschouwing en koken. Beeld RV
Awoiska van der Molen (1972) zondert zich voor haar fotowerk langere tijd af in de natuur. Zij drukt haar analoge foto’s met de hand. Onlangs verscheen ‘Blanco’, met haar foto’s, en essays van Arjen Mulder. FW books; 36 blz. € 25 Beeld RV
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden