Vergeten vakvrouwen

Rijke vrouwen die als hobby bloemen of portretten schilderden. Dat was het beeld van schilderessen in de negentiende eeuw. Een Haagse expositie corrigeert dat idee en toont werk van vrouwen die van kunst hun beroep maakten.

Op de expositie 'Penseelprinsessen II - Schilderen als beroep' in de Haagse Mesdag Collectie springt een zelfportret van Thérèse Schwartze (1851-1918) direct in het oog. Niet alleen omdat het beduidend groter is dan de doeken van andere schilderessen. Maar ook omdat Schwartze zichzelf zelfverzekerd, als op-en-top professional heeft afgebeeld. Ze is druk aan het schilderen en houdt palet en kwasten in de hand.

Schwartze was in haar tijd een zeer succesvol schilderes. Het Koninklijk Huis en de grachtengordel van Amsterdam vulden haar orderportefeuille. Het genoemde zelfportret hangt normaliter in een galerij met kunstenaarsportretten in het Uffizi Paleis in Florence. Schwartze is een van de weinige schilderessen die ooit door dat eerbiedwaardige Italiaanse mu- seum is uitgenodigd daar een werk voor te leveren.

Maar weinig schilderessen waren in de negentiende eeuw voltijds professional. Toch werden in de Nederlandse kunstwereld vrouwen niet nadrukkelijk buitengesloten. Het waren ook niet uitsluitend welgestelde dames die als hobby schilderden. De expositie en een bijbehorend boek van kunsthistorica Hanna Klarenbeek corrigeren dat oude beeld.

Die rijke dames met hun kunstzinnige hobby bestonden. 'Penseelprinsessen I - Kunstenaressen op en rond het Hof' in Paleis Het Loo besteedde afgelopen voorjaar reeds aandacht aan vrouwelijke amateurschilders, onder wie ook vrouwen van koninklijke bloede. Maar Penseelprinsessen II laat zien dat er behalve 6200 mannen in de negentiende eeuw ook 1100 vrouwen min of meer leefden van de beeldende kunst.

Vanaf 1871 lieten de kunstacademies ook vrouwelijke studenten toe. Daarvóór kwamen schilderessen uit kunstenaarsgeslachten en werden ze meestal thuis geschoold. Cornelia Scheffer-Lamme (1769-1839), van wie in Den Haag elf miniatuurportretten te zien zijn, kreeg samen met haar broers les van hun vader. Die was zelf behangselschilder. Cornelia trouwde ook een schilder en zorgde er bovendien voor dat twee van hun zoons in Parijs in de leer gingen bij een topkunstenaar.

De miniaturen van haar naaste familie bewijzen dat Cornelia zelf een verdienstelijk portrettist was. Maar een eigen carrière kwam er amper van. Manlief, zijn loopbaan en het gezin gingen voor. Toen haar zoon Ary eenmaal triomfen vierde in Parijs, stopte Cornelia met eigen werk. Zij begon vanaf toen in zijn atelier zijn romantische doeken te kopiëren.

Andere vrouwen stippelden wel hun eigen pad uit. De Utrechtse Elisabeth Haanen was ook de dochter en de vrouw van een schilder, maar zij had een eigen mecenas, die twintig doeken kocht. Op de expositie is een zelfportret van haar te zien waarop ze achter de ezel zit met een lap op haar schoot tegen verfspatten. Ze vond erkenning binnen de kunstwereld: zeven jaar voor haar dood in 1845 werd Haanen tot erelid van de Koninklijke Academie in Amsterdam benoemd.

Vrouwen schilderden vooral op klein formaat en vaak stillevens of portretten, zaken waarvoor zij niet de deur uit hoefden. De Haarlemse Elisabeth Koning wist haar schilderijen van bloemen, fruit of gevogelte aan musea en koning Willem II te slijten. Maar een enkele vrouw koos andere thema's. Geertruida Buys specialiseerde zich in kerkinterieurs. In de Mesdag Collectie is haar interieur te zien van de Grote Kerk van Breda met het praalgraf van graaf Engelbert van Nassau.

Buys is in de vergetelheid geraakt, zoals veel kunstenaressen van wie in Den Haag werk te zien is. Voor een deel komt dat doordat hun werk minder vaak werd verkocht via de kunsthandel dan dat van mannelijke collega's en meer in familiekringen bleef. Wel zonden vrouwen geregeld werk in naar de laagdrempelige jaarlijkse Tentoonstellingen van Levende Meesters.

Daarnaast raakten nogal wat schilderessen vergeten doordat hun op zich verdienstelijk werken zelden buiten gebaande paden traden. De expositie maakt op zich nieuwsgierig naar een aantal vergeten talenten. Maar helaas heeft zij per vrouw meestal slechts ruimte voor één werk.

Terecht besteedt de tentoonstelling uitgebreider aandacht aan Sientje Mesdag-van Houten. Die bracht in Den Haag schilderessen geregeld samen in Onze Club, een vereniging van vrouwelijke kunstenaars. Ook verzamelde zij samen met haar man, de zeeschilder Hendrik Mesdag, hun werken. Die stelden het paar tentoon in hun huis, waar nu Penseelprinsessen II te zien is. Marie Bilders-van Bosse hangt er met een landschap, waar Sientje Mesdag dol op was.

Sientje was zelf ook in haar tijd een gevierd kunstenares. Zij nam deel aan talloze tentoonstellingen in binnen- en buitenland en verkocht werken aan grote verzamelaars en musea. 'Ofschoon de echtgenoote van den vermaarden zeeschilder, wil zij toch niet als Mesdags vrouw in de kunst beschouwd worden, maar als zelfstandige kunstamazone, die haar eigen weg volgt', liet Sientje nadrukkelijk weten in een krantenartikel ter gelegenheid van haar zeventigste verjaardag in 1904.

Zonder haar was haar man nooit schilder geworden, stelde zij bovendien. Hendrik Mesdag beeldde haar uit dankbaarheid af in het beroemde panoramadoek van Scheveningen. Sientje staat daar schilderend op het strand afgebeeld, onder een wit parasolletje.

T/m 26 augustus 2012; voor meer info: www.penseelprinsessen.nl; voor documentatie: Hanna Klarenbeek, 'Penseelprinsessen & broodschilderessen - Vrouwen in de beeldende kunst, 1808-1913', uitgeverij Toth, 240 blz, 29,50 euro.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden