Vergeten is anders

Dichteres Eva Gerlach werkt aan 'Ogen wijdopen', een drieluik in poëzie en proza. Letter&Geest publiceert daar delen uit over de 'onmogelijkheid van een einde'. "Hij was ouder geworden, had een magere sleetse kop gekregen, zo wist ik dat hij het echt was, een Geest wordt niet ouder."

EVA GERLACH

Over de sneeuw rent een haas. Zojuist was er alleen sneeuw tot overal, nu rent daarin die haas, zigzag. Niet duidelijk waarom hij rent en waarheen. Je zicht versmalt tot een lange lijn waarbinnen je duidelijkheid zou wensen, die krijg je niet, daar rent een waas met schietsels.

Ik zie ze hier 's zomers vaak over sloten springen, meestal gewoon vanuit zit, gewoon omdat aan de overkant nog paardenbloemen staan; ook rechtop rammelend vertonen ze zich wel en op Tiengemeten vond ik er ooit een dood, gestrekt alsof in volle vaart getroffen. Ik hoefde dus niet te raden wie daar voortvloog, hun kracht en gestalte zijn me vertrouwd. Maar het effect dat zijn plotselinge verschijning op mij had, was te vergelijken met die situaties waarin de aderen op je handen ineens heftig verkleuren en opzwellen tot twee- of driemaal hun oorspronkelijke volume; verdeeld tussen schrik en verbazing verlam je tot louter aandacht: stokstijf blijf je kijken, wat gebeurt hier, wat is dit, wat nu.

Verwachting van patroon ¿ in het binnenste van alles zit raadsel, daaromheen frommel je wat, grauw, vaart, lengte van oren en poten: geheime verschijning, pluis propvol kennis van schrik ¿schoot weg uit de bosrand en schoot er honderd meter verderop in terug. Iets was uitgespuugd en gauw weer ingeslikt. Spoor in de sneeuw: twee achter, twee naast mekaar, links, rechts. Zo veel dat het alles was, meer niet, zeven seconden.

Ik herken de haas in mijn lijf, ik ontmoet zijn sprong als ik uitglij, zijn lange, sterke voet in mijn scheve, knobbelige. Ik weet dat de haas als zodanig niet in mij bestaat (wat bestaat is een hazenverwarring, een knoedel onthazing), maar dat ik hem kan zijn door in de verwachting van zijn patroon - het korte moment waarin hij gezien maar naamloos is -, mezelf in hem te verplaatsen. Klik, daar loop ik.

Zoals ik geen mens ben maar er een word door in de spiegel te kijken, geen God maar in ontkenning god gelijk.

De haas liep in zijn vorm binnen. Hoe zeg je het anders, hij liep zoals hij liep, hij ging zijn gang. Waar, hier, in zijn holte van hazenvorm. Oninwisselbaar verstrikt nu in mij, zig en zag: die ochtend toen er zo veel sneeuw lag...

'Weet je wat grappig is, van vroeger kan ik mij niet m'n eigen gezicht in de spiegel herinneren maar wel dat van mijn moeder (terwijl ze haar haar kamt &c). Ze heeft nog van dat halflange filmsterrenhaar met een kunstmatige golf en een soort rol boven haar voorhoofd op die foto's, het móet wel zijn van toen ik nog geen vier was, want daarna liet ze het groeien en droeg het in een wrong, zoals op deze foto van toen we nog niet lang in S waren (de hond is Peter, die ¿ wist ik zeker ¿ een Prins zou worden als ik de moed had om hem op zijn mond te kussen). De eerste keer dat ik me mezelf bewust in een spiegel herinner, is op de kermis, bij de lachspiegels; ik moet vijf zijn geweest, net als op deze foto, en begon te huilen van schrik dat ik dat was: pa's pijpestrootje, drilpudding in de zon...

Op de vloer naast mijn bureaustoel ligt al een tijd lang een draadje. Het is in een krul gebogen tijdens het vallen, zodat het verdeeld is in een hoofd en een rompje, in elk geval iets waaruit twee armpjes steken. Het is over een stokje gevallen, precies met zijn halsje daarop, de vergelijking ligt voor de hand, dus we maken hem niet. We zeggen: je moet eens stofzuigen hier, kijk er ligt ook nog een knoop, een snipper krant, driehoekje plakband. Moet je die rotzooi eens zien.

Toch, een uitzicht op kwetsbaarheid, niet in de werkelijkheid, maar in je hoofd; en aan de andere kant compassie, deernis, empathie - voor een draadje.

Broos: R. brak haar schouder tijdens het snowboarden. De pijn liet zich tot op zekere hoogte met andere valpijn vergelijken, dus ze boardde nog 2 uur door, vallend en steeds weer opstaand in het besef sterk te zijn, want niet te buigen voor pijn. Ik huiver als ik me probeer voor te stellen wat ze gevoeld moet hebben: sterk blijven, zijn zoals ze zich heeft voorgenomen: de onverzettelijkheid van dat besef, dat haar overeind hield maar haar evengoed noodlottig had kunnen worden.

Het verlangen zo te zijn als je wilt, het herhalen van de vorm zoals je die hebt ontworpen, het opbrengen van de kracht om de gewenste vorm juist zo te produceren als hij bedoeld is: driemaal een bewonderenswaardige vergissing, maar daarom gaat het me niet. Het is het zo erin, dat me verontrust: wat zie je in wat je wilt zien, hoe hard is verwachting?

Terwijl ik dit typ, schiet me de droom te binnen die ik vannacht had; ik loop naar een klerenkast, de spiegeldeur gaat open, achterin de kast verschijnt een smal pad en een stem zegt: 'dit is je kans om alles te begrijpen'. Ik doe zonder één moment te aarzelen de deur dicht en loop verder, iets dat ik achteraf, als ik me in het donker mijn droom herinner, niet begrijp.

Maar nu, met het beeld van de rennende haas voor ogen, zie ik wat ik koos: de lichtheid van floss, de holte tussen vier poten, het gat in tevoren dat zich steeds anders vertoont -

Mijn betovergrootmoeder Tan Kiem Niok ('Niok betekent koekje', zei mijn gewone grootmoeder, 'zij was een kind van koekjesverkopers, op een vlot voeren ze naar Java, wie aankwam had pech'), bijgenaamd Tjang, bracht elke ochtend haar echtgenoot bijgenaamd Oude Heer zijn ontbijt op bed. "Zij waren veertig jaar samen moet je weten, zij was bij hem ingetrokken toen zij twintig was en hij veertig. Ze bracht hem rijstepap en een ei, rijstepap en een ei, elke dag precies hetzelfde en ik droeg het blaadje, alles van zilver alleen het benen eierlepeltje niet; ze zette hem recht in de kussens, voerde hem hapje en hapje, wat terugliep veegde ze weg met een spierwit servet, toe maar toe maar! en al die tijd moest ik daar staan met het blad, ik was negen. Dus zoals elke ochtend en ik in mijn bruine jurk met de zeventien knoopjes, en Oude Heer zat rechtop in de kussens en keek ons aan met zijn groene ogen en toen bracht ze dat lepeltje met een plensje zacht ei erop naar zijn mond en ze gaf een gil en liet zich met ei en al op zijn borst vallen, want hij was dood. En op de klamboe zat een spin, die zie ik al tachtig jaar voor me; niet grijs, een blekige spin, hij wuifde naar mij met zijn poten."

De vragen die je je stelt. Waarom het is zoals het is en hoe het anders kan, of misschien anders had kunnen zijn. Er is een grens waarop wat er is in aanraking komt met wat er niet is: op die grens ontstaan je vragen.

Wat je niet ziet in wat je ziet - hoe weet je dat dat er is?

Hoe weinig mag het zijn om nog iets te zijn?

Wat is het verschil tussen nog juist en net niet?

Wat wuift daar tussen die twee met zijn blekige poten?

Is het nodig om dit soort vragen te stellen? Het hele universum, alles wat op me af komt, is onbevatbaar veranderlijk. Desondanks stulpt het een schijn van eeuwig over mijn hoofd en wil me wijsmaken dat ik er ben, dat het er is, zo. Terwijl ik weet, ik zie het immers, dat dat niet het geval is, dat het van moment op moment verandert: niet alleen mijn lichaam, maar dat van alles en iedereen.

Nu heb ik al zoveel van mijn eigen lijven overleefd en nog steeds snap ik er geen draad van. Wat kan ik anders dan vragen -

For now she is gone who slept away my life,

And I am ignorant who inherited,

Though the head has grown so lively that I laugh,

'Come look, come stomp, come listen to the drum.'

Ruth Stone

'Mijn vader kwam langs, hij vroeg of ik wist waar het mansbakje was. (Voor mijn vader huisschilder werd, was hij accordeonist, geen heel goede maar in de cafés waar hij speelde, gingen toch al snel de stoelen aan de kant, de mensen waren op hem gesteld. Ik mocht overal met hem mee, hoefde nog niet naar school, ik droeg het mansbakje.)

Hij stond tegenover me bij de deur, accordeon op zijn heup, naar binnen wilde hij niet. Hij was ouder geworden, had een magere sleetse kop gekregen, zo wist ik dat hij het echt was, een Geest wordt niet ouder. Dood? Welnee, hij was in Rusland geweest, nu wilde hij weer gaan spelen. Ik wist niet waar het mansbakje was, ik heb het jaren bewaard maar op een zeker moment verlies je de betrokkenheid, 'waarom heb je al die tijd niets laten horen?' vroeg ik. Hij haalde zijn schouders op en vertrok, op de trap zette hij 'Kalinka' in, ik liep hem nog achterna maar geen spoor, uiteraard.'

Eva Gerlach is dichteres. In 2000 ontving ze de P.C. Hooftprijs voor haar hele oeuvre. Afgelopen jaar verscheen haar bundel 'Kluwen. Gedichten', het eerste deel van 'Ogen wijdopen', een drieluik-in-wording in proza en poëzie.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden