Review

Vergeten eilanden vol muziek

Stukjes Sahara en woeste vulkanen die uit de Atlantische oceaan opduiken. Dat zijn de tien Kaapverdische eilanden. Ooit middelpunt van de slavenhandel, nu een vergeten stukje Afrika vol muziek. De geboortegrond van de blootvoetse diva Cesaria üvora.

Onverstoorbaar speelt violist Malaquiès Costa door, een uitbundig mannetje op leeftijd, begeleid door twee gitaristen. Dat het restaurant ondertussen is leeggelopen, deert hem en z'n kompanen niet. Het gaat hen om de lol van het spelen. En spelen kunnen ze, zoals zovele Kaapverdianen. Want in dit land loopt muziek als een rode draad door het leven.

Alleen de zanger/percussionist is eerder afgehaakt; hij heeft ergens anders nog een optreden. Percussionist is misschien niet de goede naam, maar hoe noem je nou een muzikant die een knalgeel voorwerp uit z'n binnenzak haalt, in de vorm van een banaan, en dat ritmisch heen en weer beweegt, waardoor je een geluid hoort à la sambabal? En denk niet dat het een grapje is. Bloedserieus zorgt hij met de 'banaan' voor het ritmische deel van het optreden. Soms zingt hij erbij, een morna bijvoorbeeld, een melancholisch lied dat veel weg heeft van de Portugese fado, maar waarin ook duidelijk Afrikaanse ritmes zijn te herkennen.

Mindelo, de hoofdstad van het eiland São Vicente, is het kloppend hart van de Kaapverdische muziek en, niet verwonderlijk, de geboorteplaats van Cesaria üvora. Deze zangeres van wereldformaat werd 'ontdekt' door een geëmigreerde Kaapverdiaan die haar meenam naar Parijs voor haar eerste buitenlandse optreden. Op haar 47ste stond ze daar op het Parijse podium, net als thuis op blote voeten, een vrouw met een leven dat vooral armoede had gekend en die troost zocht in de muziek. Zoals ook nu nog altijd geldt voor veel muzikanten die qua talent niet onderdoen voor üvora.

Inmiddels maakt de blootvoetse diva de ene wereldtournee na de andere. En daarmee heeft ze de Kaapverdische eilanden uit hun vergetelheid gehaald. Alhoewel, vraag iemand in Nederland waar de Kaapverdische eilanden liggen en hij of zij zal je vragend aankijken. En dan te bedenken dat zo'n tienduizend Kaapverdianen in Nederland wonen, voornamelijk in Rotterdam, en zelfs een lid van de Tweede Kamer -João Varela van de LPF-van Kaapverdiaanse afkomst is.

De republiek Kaapverdië behoorde tot 1975 tot Portugal en bestaat uit één onbewoond en negen bewoonde eilanden. Als je op de kaart kijkt, zie je meteen hoe geïsoleerd het land ligt. Het dichtstbijzijnde buurland is Senegal, 500 kilometer oostwaarts. Daartussen alleen maar oceaan. Dat hier mensen wonen heeft alles te maken met de slavenhandel die in de zestiende eeuw opkwam. De Portugezen stuitten op de onherbergzame en onbewoonde eilanden en vonden hier een handige tussenstop voor het transport van slaven van Afrika naar Amerika. Op een gegeven moment kwamen kooplui, ook Hollanders, hier naartoe om slaven te kopen. Weliswaar waren ze duurder dan aan de westkust van Afrika, maar je was verzekerd van sterke slaven. Want deze slaven hadden er tenminste al een onmenselijke bootreis op zitten en hadden die overleefd...

Een kleine vijfhonderd jaar later is Kaapverdië een mengelmoes van gekleurde mensen die allen Europese en Afrikaanse voorouders hebben. Ruim 70 procent van de bevolking spreekt de officiële taal Portugees. Onderling spreken Kaapverdianen crioulo -een mix van Portugees en Afrikaanse talen- dat echter alleen een spreektaal kent. Zo'n 400000 man bevolkt de negen eilanden, terwijl het dubbele aantal noodgedwongen is geëmigreerd en meestal in de scheepvaart werkt in landen als Portugal, Frankrijk, Nederland en de Verenigde Staten. Want op de kurkdroge eilanden is geen toekomst voor alle Kaapverdianen. Op slechts twee eilanden, São Nicolau en Santo Antão, is landbouw mogelijk omdat het daar weleens regent. Maar het is verre van voldoende om de inwoners te voeden en het aantal gewassen is beperkt. Vandaar dat veel geïmporteerd moet worden, voornamelijk uit Portugal waarmee de voormalige kolonie nog steeds een sterke band heeft.

Met zoveel zee om hen heen is het logisch dat visserij een belangrijke bron van inkomsten is. En dat je overal de verste vis, schaal- en schelpdieren op je bord aantreft, zoals tonijn, zwaardvis, rode poon en kreeft.

Zandbak

Het toerisme staat nog in de kinderschoenen. Alleen het eiland Sal, weinig meer dan een immense zandbak, richt zich sterk op het strandvakantiepubliek. Mooi strand heeft Sal zeker, maar daar is alles mee gezegd. De luxe resorts liggen afgelegen op de zuidpunt van het eiland in het uit de grond gestampte Santa María waar opdringerige verkopers de toeristen lastig vallen met flutsouvernirs. Gedrag dat je op geen enkel ander eiland tegenkomt. Integendeel, de Kaapverdianen zijn verre van opdringerig, altijd in voor een praatje en op en top betrouwbaar. Wie het echte Kaapverdië wil leren kennen, gaat dus met een boog om Santa María heen en doet Sal alleen aan, omdat nu eenmaal de internationale vluchten hier aankomen en vertrekken.

São Nicolau is een wandeleiland waar je de mooiste routes kunt lopen over opvallend goede paadjes door het ruige, bergachtige landschap. Santo Antão verslaat São Nicolau wat betreft ruigheid en voor wandelaars is het een echte kuitenbijter. Al die uitgebluste vulkanen en aardig steile bergen schreeuwen om beklommen te worden. En dat kan goed, omdat de smalle paadjes allemaal geplaveid zijn. Deze gaan zelfs door over passen en bergkammen. De lokale bevolking op teenslippers huppelt deze steile paadjes op en af.

Op Santo Antão ligt de groene Paúl-vallei. Na al die droogte op de andere eilanden hoor je eindelijk weer eens klaterend water van beekjes en watervalletjes. Maïs, bonen, maniok, witte kool en koffie wordt in deze vallei verbouwd, en niet te vergeten suikerriet, onder meer voor grogue, de lokale brandewijn.

Andere planeet

In het café van Lu, in het vissersplaatsje Ponta de Sol op Santo Antão, staat de tv aan. Het journaal van de Portugese wereldomroep toont een boze wereld die ontzettend ver weg is. Als je door de ramen naar buiten kijkt zie je tot aan de horizon alleen maar oceaan en dan lijkt het terrorisme, waar het journaal het over heeft, op een andere planeet voor te komen.

Lu werkte tien jaar op het vliegveld van Santo Antão dat door de achtertuin van de katholieke kerk in Ponta de Sol loopt. Niet meer dan een mini-landings- en startbaan met een verkeerstorentje. Slechts twee keer per week landt hier een vliegtuigje en Lu verveelde zich de overige dagen dood. Hij besloot het (eet)café Por d'Sol aan de kade te bouwen en hij legde zich vooral toe op de creatieve inrichting. Zijn opvallende bar in de vorm van een boot is dan ook van zijn hand. Stamgast Toneca, een jonge visser zonder voortanden, zit elke avond aan die bar en kletst met de paar buitenlandse wandelaars die in Ponta de Sol logeren. Blootsvoets lopen de dorpsbewoners langs, kippen en honden scharrelen rond, kinderen spelen, de vissers schilderen hun bootjes en de zee ruist de ene keer en beukt de andere keer. Ponta do Sol is zo'n ontspannen vissersplaatsje waarvan je hoopt dat je het een volgende keer net zo aantreft, zoals je het de laatste keer hebt achtergelaten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden