Vergelijkend onderzoek / Maria heeft ook militaire talenten

Nederlandse wetenschappers buigen zich over de toekomst van het religieuze verleden. Vandaag deel 1: multidisciplinair onderzoek naar de macht van Maria.

Maria is de dienstmaagd des Heren, de wijze vredeskoningin, de zoete lieve moeder. Wie zou haar met geweld associëren?

Antropoloog Anna-Karina Hermkens ontmoette in Bougainville, een eiland in de Pacific, een ongekend strijdvaardige moeder Gods. Bijna de gehele jaren tachtig woedde er een bloedige strijd tussen rebellen en de regering van Papoea Nieuw Guinea. De rebellen streden voor onafhankelijkheid en tegen wat zij zagen als ’het Kwaad’: buitenlandse bedrijven die de rijkdommen van het eiland kwamen exploiteren.

De leider was een mariadevoot. Maria diende als beschermvrouwe van hem en zijn mannen. Zij hield hen op de juiste weg en gaf inspiratie voor de strijd, die zo’n vijftienduizend slachtoffers eiste en de hele infrastructuur verwoestte.

„Nadat er vrede was gesloten, zeiden de rebellen dat ze hadden gewonnen – hoewel er feitelijk geen winnaars waren”, zegt Hermkens. „Maar ook de zogenaamde triomf en vrede schreven ze toe aan de bemiddeling van Maria. God was de oorlog begonnen, Maria had hem op het juiste moment beëindigd.”

Hermkens noemt het een ’djihad-achtige’ ideologie, een heilige oorlog met Maria als aanvoerster. „Bij het schieten hadden de rebellen rozenkransen in hun broekzakken. Maria hielp ze naar hun overtuiging niet bij het moorden zelf. Wel waarborgde ze een zo goed mogelijk, zuiver verloop van de strijd. Als de rebellen niet ’puur’ waren, hadden ze geen schijn van kans, dan zou Maria bijvoorbeeld zorgen dat hun machinegeweren zouden weigeren.”

De rebellen beweerden na afloop dan ook dat ze geen wandaden hadden gepleegd, geen onschuldige slachtoffers hadden gemaakt. Hermkens: „Maar dat was natuurlijk niet zo.”

De djihad-maria van Bougainville is één van de onderzochte fenomenen in het project ’De macht van Maria’. Het is een multidisciplinair onderzoek (genderstudies, antropologie, methodologie) waarin vijf mariabedevaartsoorden op vier continenten met elkaar worden vergeleken. Dankzij deze aanpak toont de vrouwe van alle volkeren haar vele, vaak verrassende gezichten.

„Het gaat ons niet alleen om wat Maria aan mensen geeft, maar ook om wat de bedevaartgangers Maria te bieden hebben. Ze creëren nieuwe vormen van religiositeit”, zegt onderzoeksleider Willy Jansen.

Jansen, antropoloog en hoogleraar vrouwenstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is gefascineerd door de ’megaster’ die wereldwijd een nog steeds groeiend aantal pelgrims weet te trekken, en die ook steeds vaker op aarde ’verschijnt’. In de twintigste eeuw 386 keer, volgens de rooms-katholieke kerk.

Maar de institutionele erkenning van een verschijning staat in tijd en beleving vaak ver af van de lokale oorsprong. Jansen: „Het huidige mariabeeld in Lourdes ziet er heel anders uit dan de Maria die het eenvoudige meisje Bernadette zei te hebben gezien.”

Daarbij: slechts een fractie van de verschijningen wordt officieel erkend. Op Bougainville was het hebben van visioenen volgens Hermkens eerder regel dan uitzondering. „Priesters krijgen daar zoveel meldingen, dat ze niet weten wat ze ermee aanmoeten. Ze horen de verhalen aan, maar geven ze vaak niet eens door.”

De onderzoekers willen verschijning en aanbidding niet los zien van machtsvragen. Maria bezoekt doorgaans niet de groten der aarde, maar mensen die in de religieuze of sociale hiërarchie onderaan bungelen; achtergestelde vrouwen, ongeletterde herderskinderen, armen en zieken, etnische en religieuze minderheden. In veel gevallen ’helpt’ Maria bij het veranderen van de bestaande orde, stelt Jansen. „Of anders gezegd: de pelgrims benutten Maria als middel tot emancipatie.”

Zelf bestudeerde de onderzoeksleider de mariadevotie in het Midden-Oosten, met name de verschijningen in Jeruzalem en Caïro. Ze kijkt er niet van op dat Maria ook daar mensen inspireert: haar naam valt in de Koran vaker dan in de Bijbel. Voor veel islamitische vrouwen is Maria een rolmodel.

In beide steden waren vrouwen op zoek naar een eigen identiteit, vertelt Jansen. „In Jeruzalem verscheen Maria in 1874 aan een Palestijns meisje uit een zeer katholieke familie. Maria sprak haar aan op haar nationaliteit: ’Jij bent een meisje van mijn land. Natuurlijk verschijn ik hier, ik kom van hier’.”

Dat gegeven werd later gebruikt in de onderhandelingen met het Vaticaan, over de erkenning van een zusterorde ter ere van Maria, bestaande uit Arabische katholieke vrouwen. De toenmalige paus wilde die erkenning wel verlenen, voor hem was het mooi dat Arabische vrouwen zich dankzij Maria’s tekst geroepen voelden tot een leven als religieuze.

Met de religieuze orde die ze oprichtten, de Zusters van de Rozenkrans, gaven de vrouwen volgens Jansen een radicaal andere invulling aan de zogenaamde ’gender-normen’, de heersende maatschappelijke gedragscodes voor mannen en vrouwen.

In Caïro gebeurde een kleine eeuw later iets vergelijkbaars, ook daar was Maria de inspiratiebron voor een religieuze orde.

Een klooster oprichten om daar celibatair te leven, dienstbaar aan de gemeenschap, is dat nou een toonbeeld van emancipatie? „Het was revolutionair”, zegt Jansen. „De vrouwen zaten niet langer per definitie gehuwd thuis, maar konden nu ook bewust ongehuwd blijven, buiten de controle van hun familie. Bovendien konden ze actief worden in de wereld, door te werken op de scholen die ze hadden opgericht. Die scholen behoren tot op de dag van vandaag tot de beste in de regio. Hun omgang met Maria gaf de vrouwen meer bewegingsvrijheid.”

Maria kan evengoed als rolmodel ingezet worden om vrouwen gehoorzaam en onderdanig te maken. De bekende magdalenakloosters bijvoorbeeld, hadden voor veel meisjes en jonge vrouwen nog het meest van gevangenissen. „Daar werden ’gevallen vrouwen’, zoals ongehuwde zwangere meisjes, onder dwang teruggebracht naar het dominante beeld van vrouwelijkheid”, zegt Jansen. „Maria was het weinig zachtzinnig opgelegde ideaal: reinheid, gehoorzaamheid, onderdanigheid, geduld, moederschap.”

„Op Bougainville zie je die keerzijde ook”, zegt Hermkens. „Er is daar structureel ontzettend veel huiselijk geweld tegen vrouwen, vaak ook seksueel van aard. Slachtoffers krijgen van de priesters te horen dat ze zich nog passiever moeten opstellen, dat ze zich nog meer moeten spiegelen aan Maria. Uiteindelijk zou de lijdzaamheid van de vrouw de man aangrijpen, en het slaan zou stoppen. Na jaren vol geweld zou ik zo’n man een ram met de koekenpan geven, maar deze vrouwen doen dat niet. Scheiden is een zonde. Ze proberen zoals Maria vergeving te tonen.”

Deze vorm van Mariaverering is toch met de beste wil van de wereld niet positief of bevrijdend te noemen? Hermkens: „Dat zou ik zo niet zeggen. Wij zijn sowieso niet uit op een moreel waardeoordeel, we proberen in kaart te brengen welke processen Mariadevotie in gang zet. Hoe onderdanig of onderdrukt deze vrouwen ook mogen zijn, Maria biedt hen wél een houvast. Het geeft ze ondanks hun positie een gevoel van macht.”

Jansen: „Wij willen laten zien dat er niet één uniform model is, voor de wijze waarop mariaverschijningen voortleven. De casussen tonen stuk voor stuk meervoudige betekenissen, maar de rode draad is dat Maria mogelijkheden biedt om iets te veranderen aan vaste structuren.”

Hermkens: „We willen beide kanten laten zien. Hoe Maria door instituten wordt gebruikt om macht uit te oefenen, maar ook hoe underdogs kracht en troost aan haar ontlenen. De onderdanigheid van Maria kan subversief zijn, maar ze is óók een female leader.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden