Vergeet Rutte en Roemer, we kiezen geen premier

Nederland wordt misschien weer regeerbaar als de premier niet uit de Tweede Kamer komt.

Wij kiezen op 12 september helemaal geen minister-president. Wij kiezen een volksvertegenwoordiging en dat is iets heel anders. Toch duikt de laatste weken onder invloed van de peilingen steeds vaker de vraag op of het Roemer wordt of Rutte.

Kamerleden kiezen we, ministers worden benoemd. Uit onderzoek blijkt dat veel kiezers dit cruciale onderscheid tussen regering en volksvertegenwoordiging niet of nauwelijks kennen.

Toch valt wel een beetje te begrijpen dat de media steeds de indruk wekken dat we een premier kiezen. Alle minister-presidenten sinds 1986 waren bij de voorafgaande verkiezingen lijsttrekker van hun partij. Ruud Lubbers werd in 1982 nog premier nadat hij op de vierde plaats op de CDA-lijst stond, maar zijn drie voorgangers Van Agt, Den Uyl en Biesheuvel hadden hun partij in de verkiezingsstrijd aangevoerd. De laatste vier decennia is het verband feitelijk vrij sterk. Terwijl het Kamerleden vaak kwalijk genomen wordt als ze hun termijn niet afmaken, is de snelle overstap naar vak K een vorm van 'kiezersbedrog' die algemeen aanvaard wordt.

Er zijn goede redenen om daar een eind aan te maken. Het zou wenselijk zijn als de minister-president voortaan van buiten de Tweede Kamer kwam.

Het zou in ieder geval meer recht doen aan het principieel dualistische karakter van ons politieke systeem. Bij het begin van de Catshuisbesprekingen in maart duidde de minister-president de fractievoorzitters van VVD en CDA achteloos aan als 'secondanten'. Dat getuigde van wel erg weinig achting voor de zelfstandige positie van de Staten-Generaal. Maar omgekeerd, als volksvertegenwoordigers werkelijk van mening zijn dat zíj het hoogste ambt bekleden, zou iemand die net in de Kamer is verkozen, ook niet moeten willen overstappen naar het kabinet. Wie zich kandidaat stelt voor de Tweede Kamer, dient bereid te zijn daar de volle termijn uit te dienen. Dat geldt ook voor de lijsttrekkers van de partijen die het nieuwe kabinet gaan vormen.

Er is nog een goede reden. Een minister-president die niet uit het parlement afkomstig is, kan meer gezag verwerven. Het is de bekende paradox van de democratie: verkiezingen verschaffen het systeem zijn fundamentele legitimiteit, maar deelneming aan verkiezingen ondermijnt de concrete legitimiteit van de gekozenen. We zien dat op allerlei niveaus telkens weer.

Een burgemeester die, zoals tegenwoordig de praktijk is, door de gemeenteraad is uitgezocht, heeft meer gezag dan wanneer hij door de bevolking gekozen zou worden. Het voorbeeld van Job Cohen in Amsterdam liet dat goed zien. Daar had hij een positie die hij als volksvertegenwoordiger niet wist te verwerven. Amerikaanse presidenten hebben als staatshoofd tamelijk weinig gezag: ze zijn dan wel door de meerderheid van de kiezers (of de kiesmannen) gekozen, velen hebben juist uitdrukkelijk tégen hen gestemd. Het is dan ook niet verrassend dat binnen ons systeem juist de niet-verkozen koningin het meeste vertrouwen geniet. Een minister-president blijft in alle gevallen uiteraard een veel politiekere figuur, maar als hij niet aan de politieke strijd heeft deelgenomen, zou hij toch met meer gezag aan zijn ambt kunnen beginnen.

Aan deze principiële overwegingen kun je enkele meer praktische toevoegen. Er wordt veel gepraat over de fragmentatie van de volksvertegenwoordiging. Bij de verkiezingen van juni 2010 haalde de grootste partij net iets meer dan een vijfde van de stemmen. Er zijn tijden geweest dat twee partijen samen tweederde van de zetels leverden.

Maar je kunt ook betogendat ons politieke bestel er nu florissanter voorstaat dan ooit. Door het verdwijnen van echt grote partijen ontstaat een breder, evenwichtiger partijenlandschap, dat beter voldoet aan de representatieve intenties van het Nederlandse bestel.

Tussen 1945 en 1977 bestonden kabinetten meestal uit vier partijen. Het eerste kabinet-Biesheuvel (1971-1972) en het halfparlementaire kabinet-Den Uyl (1973-1977) kenden zelfs ministers uit vijf partijen. De laatste 35 jaar steunden kabinetten op slechts twee of drie partijen.

Wat we de laatste jaren zien, is in feite een terugkeer tot de traditionele veelkleurigheid, maar dan met meer onderlinge gelijkwaardigheid. Heel groot zijn de fundamentele verschillen niet en binnen een stuk of vier hoofdoriëntaties - liberaal, sociaal-democratisch, christen-democratisch, groen - heeft de kiezer telkens de keuze uit twee of drie varianten.

Dat is geen betreurenswaardige verbrokkeling, maar een verheugende uiting van luxe. Een zeer groot deel van de partijen is in staat om met vrijwel alle andere partijen samen te werken. Vele opties zijn mogelijk. En de situatie onder het minderheidskabinet-Rutte liet dat ook duidelijk zien. Op allerlei thema's creeerde de Kamer gelegenheidscoalities, culminerend in de kortstondige Kunduz-coalitie. Bijna alle partijen hebben er voordeel bij om die flexibele, kansrijke situatie te laten voortbestaan.

Ze hebben er daarom alle belang bij een einde te maken aan de huidige praktijk dat de politiek leider van de grootste partij of in ieder geval van de grootste partij uit een coalitie (Van Agt in 1977, Lubbers in 1982) vrijwel automatisch de minister-president wordt. In vroeger jaren liet de RKSP/KVP, de katholieke partij die later opging in het CDA, het premierschap nog wel eens over aan kleinere coalitiepartners. Denk aan Hendrik Colijn, Dirk de Geer, Jelle Zijlstra, Barend Biesheuvel en zelfs aan Willem Drees in 1948, toen de PvdA toch echt enkele zetels minder haalde dan de katholieke coalitiepartner. En ook als de KVP wel zelf de premier leverde, was die vaak niet de politiek leider van de partij. Zie de praktijk tussen 1958 en 1971: de premiers Victor Marijnen, Jo Cals en Piet de Jong namen een bescheiden plaats op de kieslijsten in, terwijl Louis Beel, Jan de Quay - en trouwens ook de antirevolutionair Jelle Zijlstra - op het moment dat ze aantraden als premier niet in de Tweede Kamer zaten. De Quay is daar zelfs nooit lid van geweest.

Nu draaien verkiezingen in de media ten onrechte vaak om de vraag wie de grootste partij wordt, terwijl het merendeel van de kiezers daar gezien de gevarieerde voorkeuren eigenlijk geen boodschap aan heeft. Maar de kans bestaat wel dat kleinere partijen 'leeggezogen' worden door een verwante grotere partij, omdat kiezers in de hoop dat de lijsttrekker daarvan het nieuwe kabinet zal gaan leiden tactisch van hun eerste keus afwijken.

Partijen zouden dat kunnen voorkomen door te verklaren dat de formateur (en dus in de praktijk de beoogde minister-president) niet uit de Tweede Kamer dient te komen. Dat zou kunnen gebeuren bij het debat over de verkiezingsuitslag dat door het dit jaar gewijzigde Reglement van Orde wordt voorgeschreven. Ook voordat uitgemaakt is welke coalitie er gevormd wordt, zou een meerderheid van de Kamer zich dan principieel uit kunnen spreken voor een minister-president van buiten.

Maar ook nu al, nog tijdens de verkiezingsstrijd, kunnen ze daarop preluderen door een dergelijk standpunt bekend te maken. Als genoeg politieke partijen dat nu doen, kunnen ze daarmee voorkomen dat de verkiezingsstrijd zich eenzijdig toespitst op de vraag welke partij de grootste wordt. Partijen kunnen verklaren dat ze best een coalitie met de virtuele koplopers VVD of de SP willen aangaan, maar dat dat niet betekent dat de lijsttrekker van die partijen dan ook zijn intrek in het Torentje kan nemen.

Ook zouden ze zich daarbij nader kunnen uitspreken over wie zij, buiten de kandidaten op de kieslijsten, wel geschikt achten. Ze kunnen dan iemand van de eigen partij noemen, zoals Wouter Bos (PvdA) in 2003 deed, toen hij Job Cohen als kandidaat voor het minister-presidentschap voorstelde, maar je kunt je ook heel goed een kandidaat voorstellen die lid is van een andere partij of die geen eenduidig partijpolitiek profiel heeft. Er is veel denkbaar.

Een verdere dualisering met een gezaghebbende minister-president van buiten de Kamer - en wie weet, iemand die boven de partijen staat - zou de kwaliteit van ons politiek bestel verbeteren. Uiteraard kun je je afvragen of dezelfde regel niet voor alle ministers en staatssecretarissen zou moeten gelden. Zou het niet wenselijk zijn als een overstap naar een dergelijk ambt vanuit de Tweede Kamer tijdens een zittingsperiode grondwettelijk uitgesloten werd? Maar staatsrecht is flexibel en je kunt dingen beter eerst praktisch uitproberen en dan bij de meest beeldbepalende figuur beginnen: de premier.

Het komt nu vooral aan op politieke wil.

Een buitenstaander heeft meer gezag.

De premier is geen volksvertegenwoordiger Essay

Jan Dirk Snel is historicus en publicist in Amsterdam en schrijft over filosofische en historische thema's.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden