Reizen

Vergeet Abbey Road. Beatles-adepten moeten naar Liverpool.

Standbeeld van John Lennon in LiverpoolBeeld RV

Wie dicht bij The Beatles wil komen: vergeet het zebrapad bij Abbey Road. Ga naar dat grasveldje achter de kerk in Liverpool, zegt schrijver en Beatles-fan Auke Hulst.

Zolang ik me herinner zijn The Beatles al in mijn leven. Dit is het jaar dat hun meesterwerk, ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, jubileert; de kers op de taart van de Summer of Love, maar voor mij is ‘The White Album’ dé plaat. Mijn moeder had de dubbelaar in de kast staan, mijn broer en ik draaiden hem grijs. Wie het album kent, weet dat het clichébeeld van de stoere, scherpe, politieke, experimentele John en de romantische suikerpot Paul te simpel is. De plaat bevat het tederste en het hardste liedje dat ze ooit opnamen. Het tederste, ‘Julia’, was Lennons ode aan zijn moeder, hardrocker ‘Helter Skelter’ was McCartney, die kon krijsen als Little Richard.

Later bestudeerde ik obsessief hun werk en hun methode. Dankzij The Beatles heb ik mezelf gitaar en piano leren spelen, ben ik liedjes gaan schrijven, heb ik eigen platen gemaakt en ben ik met mijn broer een serieuze band begonnen. Dat effect hadden The Beatles ook in 1964 gehad, toen ze op 9 februari in The Ed Sullivan Show optraden. Op 10 februari zat half Amerika in een band.

Naast liefde voel ik dankbaarheid. Voor het geluk dat ze mij en de wereld schonken. De steun. Voor de weg die ze wezen. Voor het bizarre toeval dat John Lennon en Paul McCartney elkaar überhaupt zijn tegengekomen. Mijn ex had er lol in me in gezelschap te vragen die liefde voor The Beatles uit te leggen, omdat ze wist dat ik het niet droog zou houden. Dat klinkt sentimenteel, maar so be it.

Literair personage

Liefde betekent niet dat ik kritiekloos ben. The Beatles waren geen engelen, zeker John Lennon niet. Dat maakt hem ook interessant - een literair personage. Want hoe kun je over Liefde & Vrede zingen, en toch je eerste echtgenote aan de lopende band bedriegen, je zoon verwaarlozen en vriendinnen slaan? Hoe kun je je beste vriend na het opheffen van The Beatles met een vilein lied (‘How Do You Sleep?’) een hele bestekla vol messen in de rug steken? (‘Those freaks was right when they said you was dead!’). Hoe kun je je gezondheid en al je relaties op het spel zetten door je over te geven aan de troost van heroïne? Het antwoord: omdat Lennon een getormenteerde ziel was, intens onzeker, eenzaam, kwaad en beschadigd.

Toen ik hun muziek ontdekte waren The Beatles al dertien jaar uit elkaar, en aan alle hoop op een reünie was in 1980 een eind gemaakt door Mark Chapman, de krankzinnige fan die John Lennon doodschoot in New York. Daar woonde hij al jaren, hoewel de regering Nixon en de FBI hard hun best hadden gedaan hem uit te zetten wegens subversieve ideeën.

Ik ging zelf naar de plek des onheils: de stoep voor het Dakota-gebouw, op de hoek van 72nd Street en Central Park West. Maar het was lastig een echte connectie te voelen. Het bleef abstract.

Antwoorden

En zo waren er meer reizen. Ik heb in het Amsterdamse Hilton op de rand van het bed gezeten waarin John & Yoko hadden liggen stinken voor de wereldvrede - met lang haar, ongeschoren en volledig in het wit gekleed onder vellen papier met de kreten HAIR PEACE en BED PEACE erop. Ik heb over het zebrapad bij Abbey Road gelopen; over een schutting gekeken aan Cavendish Avenue, waar Paul woonde, een paar minuten wandelen van de studio. En al die tijd wist ik: ik moet naar Liverpool. Daar liggen de antwoorden.

De moderne tijd, beweerde schrijver Alfred Kazin, is er eentje waarin we onze eigen goden moeten vinden. ‘We tuimelen rond in deze maalstroom, deze waanzin - een wereld waarin niets ons als vanzelfsprekend gegeven is - om, in pijn en verwondering, eigen heilige objecten te ontdekken.’

Er is literatuur en muziek die zo bepalend voor me is geweest, dat ik zonder niet zou bestaan. Niet in deze vorm. Dus heb ik de makers ervan - met al hun menselijke gebreken - heilig verklaard en onderneem ik waar mogelijk pelgrimages om seculier ter kerke te gaan. Zo vind ik een belangrijk deel van mezelf buiten mezelf.

John, Paul, Ringo en George in 1967.Beeld Getty Images

Toerisme

Toch valt dat niet altijd mee, want toerisme corrumpeert. Dat ontdekte ik toen ik eindelijk in Liverpool was. Je komt aan op, jawel, John Lennon Airport en wordt naar een stadscentrum getransporteerd waar alles in het teken staat van geld verdienen aan de Fab Four. Neem Albert Dock, waar ooit schepen arriveerden die de blues brachten, en waar nu The Beatles Story is gevestigd, een gelikt museum waar de bezoeker chronologisch door de carrière van de band wordt geleid, van hun rauwe rockdagen in een Duitse hoerenbuurt tot hun creatieve top. En wat te denken van The Cavern Quarter, vernoemd naar de bierkelder waar ze liefst 292 keer speelden, grotendeels vóór ze beroemd werden? The Cavern Club ligt aan, nee, ónder Mathew Street, een ooit ranzige doorgang met pakhuizen en louche cafés. Het is nu de locatie van de Hard Day’s Night Beatles Souvenir Shop, een standbeeld van John Lennon, een ‘Wall of Fame’, een ‘Wall of Hits’, The Cavern Club zelf, The Cavern Pub en meer. Sla een hoek om en je kunt je intrek nemen in het Hard Day’s Night Hotel.

Maar The Cavern is The Cavern niet. In 1973 is het origineel afgebroken, ten behoeve van nooit gerealiseerde infrastructuur. Protesten richtten niets uit - het stadsbestuur wilde geen ‘standbeelden optrekken voor langharige drugsgebruikers’. De huidige replica ligt een meter of twintig van de oorspronkelijke locatie - lokale troubadours doen er kunstjes voor toeristen. Onder in een steriel winkelcentrum staat als goedmakertje een standbeeld van de band in actie, op de plek waar het podium werkelijk geweest moet zijn. Mark Astbury, die met zijn Beatwear-winkel muziekfanaten en artiesten wereldwijd van Beatles-kleding voorziet, wist me te vertellen dat het podium dieper lag. In de parkeergarage.

Buitenwijk

Ik werd er een beetje treurig van. Maar gelukkig was er dat grasveldje achter een kerkje in een grauwe buitenwijk.

‘There are places I remember,’ zong John. ‘All my life, though some have changed / some forever, not for better / some have gone and some remain.’

Die plekken liggen in de buitenwijken, en wie John wil begrijpen doet er goed aan daar te kijken. Op een druilerige oktobermiddag nam Beatles-vademecum Ian Doyle me ermee naartoe. Eerder die dag had hij me al het voormalige ziekenhuis laten zien waar John geboren was en de flat waar John hokte met jeugdvriend en ‘vijfde Beatle’ Stu Suthcliffe. Maar pas in de buitenwijken kropen we dieper de wereld van de liedjes in. Doyle nam me mee naar Penny Lane en wees me de ‘barber showing photographs of every head he had the pleasure to have known’. Vlakbij lag de kleine rotonde met de schuilplek, en daar: de bus waar een piepjonge George Harrison auditie deed door feilloos ‘Raunchy’ te spelen. Van Strawberry Field - inderdaad, geen meervoud - restte weinig meer dan een toegangshek beklad door fans. Ooit lag op de heuvel achter het hek een herenhuis waar weeskinderen waren ondergebracht - John klom over het hek om met ze te spelen. Inmiddels stond er een nieuwbouwvilla die Doyle meewarig het hoofd deed schudden. “Kom” zei hij. “Let’s go to church.”

Foto: Auke HulstBeeld RV

De ontmoeting

De kerk in kwestie, St. Peter’s aan Church Road, bleek weinig om het lijf te hebben. Ware het niet dat hier de belangrijkste ontmoeting in de popgeschiedenis plaatsvond.

6 juli 1957, een zaterdag. Zomaar een veld achter zomaar een kerk. John Lennon, 16, speelde met zijn skifflebandje The Quarry Men op een bedaagd tuinfeestje.

Paul McCartney, net 15, leunde op zijn fiets en keek toe, onder de indruk van het charisma van de bandleider, maar niet van diens vaardigheden. Later die dag zouden ze elkaar aan de overkant van de straat voor het eerst spreken, in een bijgebouw waar nu een gedenkteken hangt. McCartney liet horen hoe ‘Twenty Flight Rock’ wél hoorde te klinken. Lennon moest er zijn trots voor inslikken, maar wist: met deze knul wil ik een band beginnen.

Nadien kwamen de twee bij elkaar over de vloer, verbonden door muziek, maar ook - en misschien wel vooral - door verlies. McCartney’s moeder was jong overleden, Lennons instabiele moeder had John gestald bij familie. Zijn vader was uit beeld. Dat gapende gat, de honger naar liefde en erkenning, zijn idealisering van liefde en vrede en zijn onvermogen daarnaar te leven, zijn daar in hoge mate op terug te voeren. Net als zijn afwisselende aanvallen van narcisme en gevoelens van minderwaardigheid, zeker ten opzichte van McCartney. ‘Een deel van me vermoedt dat ik een loser ben,’ zei hij ooit, ‘een ander deel waant zich de Almachtige God.’

Het huis in Liverpool waar Lennon in zijn jeugd woonde. Foto: Auke HusltBeeld RV

Jeugd

Doyle nam me mee naar de huizen waar ze opgroeiden. McCartney’s armlastige familie was door de ‘council’ een woninkje toegewezen aan Forthlin Road - John en Paul schreven er liedjes die ze later als The Beatles zouden opnemen. John woonde verderop, aan Menlove Avenue, in een comfortabele middenklasse-woning die Mendips werd genoemd. Het was het huis van Johns strenge tante Mimi en zijn geliefde oom George, die er overleed. Voor de deur, vlakbij de bushalte, werd op 15 juli 1958 zijn moeder doodgereden, juist op het moment dat ze zich weer wat met zijn leven ging bemoeien. John was misschien de Beatle met de gunstige sociale komaf, maar hij had het meest voor de kiezen gekregen.

Ik herkende het halletje, een uitbouw nauwelijks groter dan een telefooncel, uit de vele omschrijvingen. John en Paul oefenden er hun harmonieën - nooit kregen ze die beter dan daar. Ik stelde me twee tieners voor die liedjes zongen die later de wereld over zouden gaan, en had het gevoel in de nabijheid te zijn van een wonder. Maar ook: in de nabijheid van het soort pijn dat tot scheppen leidt, en tot een persoonlijkheid die je alleen maar kunt liefhaten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden