Vergeefse dromen over een glazen huis

Het witte laken dat een wand van haar nieuwe kantoor in Diemen siert, spreekt boekdelen. In het Nederlands, Ivriet, Frans, Engels en zelfs Chinees zingen de JMW-medewerkers daarop in tekst en beeld de lof van hun scheidende directeur: Wilma Stein-Olman (57), de 'moeder' van de stichting Joods maatschappelijk werk.

Ze kijkt ernaar met een mengeling van trots, blijdschap en weemoed. Trots is ze ook over de jubileumfeesten ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het JMW.

“In de Rai waren afgelopen zondag bijna tweeduizend mensen, van super-orthodox tot ultra-agnost en van Israëli tot diep in de Mediene (Nederlandse joden in 'de provincie' - A.L.). Iedereen was er en kon er zijn. Zo je carrière kunnen afsluiten is het mooiste cadeautje dat je je kunt wensen.”

Bijna ongemerkt verwoordt ze daarmee haar, onvervulde, droom van het 'glazen huis', een Joods maatschappelijk werk van de toekomst dat een thuis moet zijn voor alle Nederlandse joden: orthodox, liberaal, Portugees-Israëlitisch. Of a-religieus, zionist en anti-zionist, jong en oud, getraumatiseerd of niet.

“Die droom had ik al toen ik met dit werk begon”, zegt ze. “Een 'glazen huis' in overdrachtelijke zin, met beneden een crèche en een pub, en een balie waar je verwezen kunt worden naar een orthodoxe of liberale rabbijn. Om te proberen een eind te maken aan die afschuwelijke verdeeldheid binnen de joodse gemeenschap. Met een 'glazen huis' maak je een gemeenschap tot een gemeenschap. Dat is voor mijn gevoel echte Tsedaka. Verantwoordelijkheid nemen voor elkaar.”

Met het begrip Tsedaka (hulp bieden aan mensen in nood) verwijst Wilma Stein naar het gelijknamige boek dat professor I. Lipschits, emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis, schreef over een halve eeuw joods maatschappelijk werk. Zijn belangrijkste conclusie is dat JMW de bindende factor in de joodse gemeenschap is (geworden), omdat de drie - onderling zeer verdeelde - joodse kerkgenootschappen en 120 joodse organisaties erin vertegenwoordigd of verenigd zijn.

Die bindende factor is precies wat Wilma Stein in de 35 jaar dat ze voor JMW werkte - waarvan twintig jaar als directeur - altijd voor ogen heeft gestaan. Vandaar ook haar teleurstelling dat het 'glazen huis' niet van de grond is gekomen. Ondanks verwoede pogingen en de vondst van een geschikt pand in hartje Amsterdam. “Het lukte absoluut niet. Ik denk dat de tijd er nog niet rijp voor was.”

Op 3 maart heeft ze haar directeurstaken officieel overgedragen aan haar opvolger: Hans Vuysje. Wilma Stein stelde drie jaar geleden al voor om in het jubileumjaar terug te treden als voorzitter.

“Ik ben en blijf de moeder van de instelling, maar ik ben geen wetenschapper. Mijn opvolger kan heel goed in structuren en lijnen denken. Ik niet. Bovendien heb ik bereikt wat ik wilde bereiken: het weer opbouwen van de joodse gemeenschap in Nederland.”

Het in kaart brengen van diezelfde gemeenschap is haar volgende doel. Ze gaat, voor JMW, sociaal-demografisch onderzoek doen, samen met wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam die eerder onderzoek deden naar de 10 000 Israëliërs die in Nederland wonen. Doel is ook erachter te komen welke wensen Nederlandse joden hebben op religieus en maatschappelijk gebied.

Intussen rinkelen in haar nieuwe kantoor in een Diemer flat nog geregeld fax en telefoon: JMW-medewerkers met vragen voor Wilma. “Ja, nu nog even wel.” In haar stem klinkt enige weemoed door.

Geen wonder na 35 jaar 'verslaving', want dat is werken voor JMW. “Niet alleen voor mij, voor iedereen die er werkt of heeft gewerkt. Het verslavende was het weer willen opbouwen van deze groep die in de tweede wereldoorlog gedecimeerd was. Dat opbouwen deden we niet als buitenstaanders. Maar als 'lid van de familie'. Dat was soms moeilijk, want iedereen had door de oorlog een tik van de molen gehad. Maar je werd nooit uit de familie gestoten. En dat geldt net zo vrolijk voor de niet-joodse medewerkers.”

Eigenlijk had Wilma Stein medisch analiste willen worden, maar omdat ze niets snapte van wiskunde ging ze in 1957 naar de school voor maatschappelijk werk. De oorlog had ze overleefd op ruim twintig onderduikadressen en op miraculeuze wijze gold dat ook voor haar ouders en zusje.

Haar ouders, die beiden in het verzet zaten, doken in 1945 op in Soest. Daar bleef de familie wonen. Soest kende alleen een roomskatholieke of christelijk gereformeerde lagere school. “Het werd de School met de Bijbel. Mijn zusje en ik maakten daar mee wat Lipschits de 'kleine Sjoa' (het antisemitsme na de Tweede Wereldoorlog - A.L.) noemt.”

“Mijn moeder bracht ons bij dat schelden geen pijn deed, maar er was echt antisemitisme. We werden uitgescholden en er werden dingen geroepen als 'Jullie joden hebben Jezus vermoord'. Van mijn moeder mochten we daar niet op ingaan. Zijzelf werd een keer ontboden op school omdat een jongetje geklaagd had dat mijn zusje haar ogen open had gehouden tijdens het bidden. 'Maar meneer', zei mijn moeder, 'Heeft u er bij stil gestaan dat dat jongetje óók z'n ogen open gehad moet hebben'.”

“Wij waren thuis niet religieus. Mijn moeder was iemand van het 'vrijdagavond-jodendom', de sjabat vieren en verder niets. Ik was katholiek uit de onderduik gekomen en mijn zusje gereformeerd. Pas na een jaar wisten wij weer wat 'vrijdagavond' was. Mijn moeder heeft ons de positieve kanten van het jodendom bijgebracht.”

Na het lyceum volgde Wilma Olman de school voor maatschappelijk werk in Amsterdam, met stages bij de Joodse Invalide en de joodse kinderbescherming. Vervolgens werkte ze bij de Bergstichting voor joodse kinderen die (half) wees waren of van wie de ouders door oorlogstrauma's niet tot opvoeden in staat waren.

In 1962 kwam ze als maatschappelijk werkster in dienst van JMW. Twee jaar later trouwde ze. “Toen ik in 1968 zwanger was van m'n eerste zei ik: 'Jongens, ik ga even moeder spelen'. Ik zei mijn baan op. Maar binnen twee maanden na de geboorte was ik weer bij JMW aan het werk.” Over verslaving gesproken.

“Bij JMW was men toen bezig met de voorloper van wat later de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers zou worden. Ik hielp met het opzetten van een structuur daarvoor. Na de bevalling van de tweede ben ik, tussen de luiers door, de praktijkbegeleiding van het maatschappelijk werk gaan doen. En in 1972 ben ik daarvan een beetje coördinator geworden.”

Later werd ze leidinggevend maatschappelijk werkster. Toen na de zoveelste reorganisatie van JMW een tweede directeur werd gevraagd, solliciteerde ze. Ze was 38 jaar toen ze werd benoemd. “Ik weet het nog precies. Op de dag dat de Egyptische president Sadat het Israëlische parlement bezocht.”

Onder haar leiding breidde JMW zijn activiteiten uit, met vestigingen in tal van andere steden in Nederland. Er werden 'joodse cafés' georganiseerd als ontmoetingsplaats voor met name die joden die geen lid zijn van een kerkgenoodschap of vereniging. Er werden ontmoetingen georganiseerd tussen de 'eerste' en 'tweede' generatie, voor de tweede generatie onderling en voor mensen die als kind ondergedoken hadden gezeten.

Hoogtepunt vindt ze het congres voor ondergedoken kinderen en een dieptepunt nog steeds de WUV, de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers. Het feit dat het tot 1973 moest duren voor die wet er kwam en het feit dat de toenmalige minister Hedy D'Ancona de wet sloot voor de tweede generatie. “Ach die WUV, die WUV. Nederland was het laatste land in West-Europa waar de joden een uitkering kregen. Over het sluiten van de wet ben ik nog steeds boos.”

Dat ze er, met vele anderen, als een leeuwin voor gevochten heeft, illustreert een tekst op het afscheidslaken: 'Wilma, I wuv you'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden