Vergeefs speuren naar analyse

Het nieuwe Holocaust-monument met zijn expositieruimte werkt als een verademing, naast de verstofte gedenkplaatsen die Berlijn al kende -produkten van oeverloze discussies en soms onverkwikkelijk getouwtrek. Nog meer zijn in de maak.

De Tweede Wereldoorlog was heel verschrikkelijk. Bezoekers van exposities die aan deze verschrikkingen zijn gewijd mogen best wat moeite doen om het gebodene te verteren. Dat lijkt de filosofie achter veel exposities.

Berlijns eerste gedenk- en expositieruimte is niet gewijd aan de nazi-misdaden, maar een makkelijker, minder pijnlijk thema: het Duitse verzet. Het verzetsmuseum is opgedragen aan Claus Schenk Graf von Stauffenberg, de legerofficier die in 1944 een mislukte aanslag pleegde op Adolf Hitler. Het is gevestigd in het legergebouw waar Stauffenberg werkte.

Nogal wat Duitse personen en groeperingen hebben zich verzet tegen Hitlers regime. De inrichters van de expositie, in 1968 tot stand gekomen op aandringen van verzetsleden, hebben hun uiterste best gedaan om iedereen een plaatsje te gunnen. Prettig voor de nabestaanden; maar de doorsnee-bezoeker dwaalt tussen honderden tekstlappen en portretten, en speurt vergeefs naar analyse. Motieven voor het verzet zijn summier.

Hoe meer feiten des te beter, en laat de informatie maar voor zichzelf spreken: datzelfde concept is toegepast in het Huis van de Wannsee-conferentie. In deze riante villa beraamden in 1942 vijftien hoge functionarissen de deportatie en moord op de Europese Joden.

Ook de geschiedenis van het gedenkcentrum is treurig. Berlijn was aanvankelijk mordicus tegen een 'macabere cult-plek', in 'een huis dat meer dan een miljoen mark waard is.' Zeven jaar lang pleitte de initiator van het centrum, de historicus en Auschwitz-overlevende Joseph Wulf, vruchteloos voor zijn idee. In 1974 pleegde hij zelfmoord. ,,In Bonn zit een democratische regering. Maar de massamoordenaars lopen vrij rond, wonen in hun huisjes en kweken bloemen'', schreef hij.

Het museum kwam er in 1992 toch, dankzij steun van Berlijns burgemeester Eberhardt Diepgen. Het interieur is nu behangen met tekstjes en gruwelijke beelden, van vloer tot plafond en van de uiterste linker- tot de uiterste rechterwandhoek. Typerend voor het springerige, haast video-clipachtige karakter van de expositie, zijn de irritant beknopte biografieën van de kampartsen en andere misdadigers die Wulf uit de slaap hielden. Die vermelden hun glanzende naoorlogse carrières- maar niet, hoe zoveel wreedheid zo onbestraft kon blijven.

Nog een plek voor doorbijters, vooral 's winters, is de 'Topographie des Terrors', het terrein waar eens de kantoren stonden van de Gestapo en de SS. De tentoonstelling staat in de open lucht. Twaalf jaar geleden werd besloten dat er een gebouw zou komen. Maar zelfs voor de slordige 40 miljoen euro die werd uitgetrokken, bleek geen aannemer in staat het ontwerp te bouwen.

Toch nemen volgens de directie jaarlijks zo'n 250000 bezoekers (waaronder passanten en schoolklassen) de moeite om het terrein te bezoeken. De permanente expositie biedt een overmaat aan details, bijvoorbeeld reeksen bouwtekeningen.

Berlijns moeizaam tot stand gekomen gedenkplaatsen zijn ook monumenten van Duitslands omgang met zijn geschiedenis. Die is per definitie moeizaam, want de geschiedenis is zwart, en de gevoeligheden zijn groot. Zo werd destijds besloten dat het Holocaust-monument alleen aan de Joodse slachtoffers zou worden gewijd. Daarom moeten in de nabijheid daarvan twee aparte monumenten komen: voor de omgebrachte homoseksuelen, en voor 'zigeuners'. Met de laatste gedenkplaats gaat het niet goed. Het ontwerp ligt klaar, de benodigde 2 miljoen euro ook, dit jaar zou de bouw van start gaan. Maar de onderhandelingen over de tekst die op het monument moet komen, zitten vast.

Vertegenwoordigers van de Roma- en Sinti-volkeren wijzen de term 'zigeuner' van de hand als een beledigende verzamelnaam voor twee volkeren. Ze willen op het monument een citaat van oud-bondspresident Roman Herzog, die de vernietiging van de Sinti en Roma qua opzet en intentie gelijkstelde met die op de Joden. Dat stuit op bezwaren van de regering: die erkent de moord op de Joden als uniek in de geschiedenis.

Sommige critici hekelen de 'wildgroei' van gedenkplaatsen en hun elkaar deels overlappende exposities en onderzoeksactiviteiten. De regering wil het Holocaust-monument, verzetsmuseum, Wannsee-huis en Topographie des Terrors in één stichting onderbrengen. ,,Bezoekers moeten erop worden gewezen dat op andere plekken andere aspecten worden belicht'', legt SPD-cultuurwoordvoerder Eckhardt Barthel uit. Met weerzin, uit angst voor verlies van autonomie, zijn de besturen van de gedenkplaatsen onlangs door de knieën gegaan: ze zullen samenwerken in een nieuwe stichting.

Onder Berlijns vele gedenkplaatsen zijn ook heel kleinschalige, zoals de stoeptegels met inscripties voor de huizen waar nazi-slachtoffers hebben gewoond. Overlevende Vera Schmidt liet voor haar ouderlijk huis in de Barbarossastraat stoeptegels leggen voor al haar omgebrachte gezinsleden. Dat is de meest directe manier van gedenken, legde ze uit aan de Berlijnse Tageszeitung. Beter dan het ,,afschuwelijke, fantasieloze en koude'' Holocaustmonument, vindt ze.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden