Vergeefs hopen op de rebellen

De rebellen in Darfur zijn militair bijna verslagen. Op het politieke front zijn ze te versnipperd om iets uit te richten. Toch blijven de vluchtelingen in de kampen hun hoop op hen richten.

Gerbert van der Aa

’Ik wil terug naar huis”, zegt Mouna, een jonge vrouw in een geel-blauw gewaad. Vier jaar lang woont ze al in Dereig, een vluchtelingenkamp in de Soedanese regio Darfur. Maar de hoop dat ze terug kan naar Undur, waar ze vroeger woonde, heeft Mouna niet verloren. „De janjaweed hebben mijn dorp in brand gestoken”, vertelt ze. „Maar gelukkig zijn er rebellen die tegen hen strijden. Als Allah het wil, komt alles goed.”

Mouna is een van de ruim dertigduizend vluchtelingen in Dereig, dat even ten oosten van de stad Nyala ligt. Duizenden hutten, gemaakt van boomtakken en rieten matten, staan dicht bijeen in een licht golvend landschap. Een vrachtwagen van de Verenigde Naties rijdt over een smal zandspoor, beladen met zakken gierst. Mouna woont met haar ouders en twee zussen in Dereig. Haar enige broer werd door de janjaweed gedood. „De geiten en kamelen van de Arabieren grazen nu op onze akkers.”

Dereig is een relatief veilige enclave in een door geweld geteisterde regio. Meteen buiten het kamp begint de anarchie. Zelfs in de directe omgeving patrouilleren janjaweed-strijders. Mannen worden vermoord, vrouwen verkracht. „In het begin was ik tegen de oorlog”, zegt Mouna. „Maar door de wreedheid van de janjaweed ben ik van gedachten veranderd.” Dat de militaire kracht van de rebellen niet veel meer voorstelt, lijkt Mouna niet te beseffen. Alleen in het uiterste noorden van de regio houden ze stand.

De oorlog in Darfur heeft sinds 2003 naar schatting tweehonderdduizend doden geëist. Twee miljoen anderen sloegen op de vlucht. Met name de Arabische janjaweed-milities, die door de regering zijn bewapend om de zwarte rebellen te bestrijden, maken veel slachtoffers. Moordend en plunderend trekken zij over het platteland. De afgelopen twee jaar is het geweld aanmerkelijk afgenomen, maar onveilig is het nog steeds.

De Soedanese regering doet vrijwel niets voor de vluchtelingen in Darfur. Dankzij internationale hulp is de situatie in de kampen redelijk. Er is geen hongersnood en het percentage ondervoede kinderen is de afgelopen vier jaar gehalveerd. Ruim driekwart van de bevolking heeft schoon drinkwater.

De vluchtelingenkampen in Darfur veranderen langzaam in woonwijken, wat pijnlijk aantoont dat er geen oplossing in zicht is. In Dereig zijn kruidenierszaken, kleermakers, rietvlechters en restaurants. „De Verenigde Naties moeten ons te hulp komen”, zegt Abdallah Ahmed, een magere man in wit gewaad. „Iedereen hier wil terug naar zijn dorp. Maar zonder bescherming kan dat niet.”

Uit zijn borstzak haalt Ahmed een pasje van de Sudan Liberation Army (SLA), samen met de Justice and Equality Movement (JEM) de grootste rebellenorganisatie in Darfur. „Ik heb gevochten”, legt hij uit. „Maar helaas zijn we niet in staat de janjaweed te verslaan. Onze tegenstanders hebben veel betere wapens. Helikopters van het Soedanese regeringsleger bombarderen onze dorpen.”

De zevenduizend soldaten van Afrikaanse Unie hebben de veiligheid niet kunnen verbeteren. „De AU is net zo bang van de janjaweed als wij”, zegt Ahmed. Zeventien AU-soldaten zijn in Darfur om het leven gekomen, op sommige plaatsen durven ze hun bases niet meer af. „In de VN heb ik meer vertrouwen”, zegt Ahmed. Eerder deze week stemde de regering van Soedan onder voorwaarden in met een gecombineerde vredesmacht van Afrikaanse Unie en Verenigde Naties. Die zal tussen de 17.000 en 19.000 manschappen sterk zijn.

Meerdere pogingen om een politieke oplossing te vinden hebben de afgelopen jaren niet veel opgeleverd. In 2006 bereikten de Soedanese regering en een kleine SLA-factie een overeenkomst in Nigeria. Maar doordat de belangrijkste rebellenleiders weigerden te tekenen, gingen de gevechten gewoon door.

Pogingen om de niet-ondertekenaars alsnog een handtekening te laten zetten, verlopen moeizaam. Een van de grootste breekpunten is de geringe bereidheid van de Soedanese regering oprecht naar de rebellen te luisteren. Een ander probleem is de nukkige houding van SLA-kopstuk Abdelwahid al-Nur, volgens vrijwel alle waarnemers de rebellenleider met de grootste achterban. Vanuit Frankrijk, waar hij tegenwoordig woont, komt hij voortdurend met nieuwe eisen. Bij het begin van de vredesonderhandelingen in Nigeria zei hij dat militaire VN-interventie noodzakelijk was voor vrede. Later was hij ineens tegen VN-bemoeienis, omdat die zou leiden tot escalatie. Steeds meer medewerkers keren zich van Abdelwahid af, maar in de kampen is hij onverminderd populair.

Midden in Dereig heeft een aantal hulporganisaties een gemeenschapscentrum opgezet, waar onder meer voedsel wordt gedistribueerd. Een groep vrouwen, bijeengekomen om de rommel in het kamp op te ruimen, zit onder een rieten afdak. Halima, een wat oudere vrouw in een rood gewaad: „Wij steunen Abdelwahid. Hij is de beste.” Bijna alle aanwezige vrouwen knikken instemmend. Dat ze Abdelwahid steunen heeft een eenvoudige reden. „Hij is een Fur, net als wij.” De Fur zijn de grootste etnische groep in Darfur, ze vormen ongeveer twintig procent van de in totaal zes miljoen inwoners van de regio. Er zijn nog tientallen andere etnische groepen in Darfur, die vaak allemaal hun eigen taal hebben. Dat Abdulwahid een slecht politicus is die er amper in slaagt de belangen van de bevolking te behartigen, is bij de vrouwen niet echt doorgedrongen. Wellicht komt dat door de slechte informatievoorziening: internet en kranten zijn er niet en naast geruchten is de radio de enige bron van informatie.

De verdeeldheid onder de rebellen heeft in veel gevallen een etnische component. De kleine SLA-factie die in 2006 het vredesakkoord wel tekende, wordt vrijwel volledig gedomineerd door de Zaghawa, een andere grote etnische groep in Darfur. Volgens veel Fur zijn de Zaghawa verraders. „De meeste Zaghawa zijn notoir onbetrouwbaar”, zegt Halima.

Etnische verklaringen zijn populair in Darfur. Ook hoge individuen binnen de rebellenbewegingen hebben de neiging gedrag dat hen niet bevalt toe te schijven aan etnische afkomst. Op steun van de eigen etnische groep kan bijna altijd worden gerekend.

Met name de SLA is door onderlinge spanningen uiteengevallen in verschillende facties. Steeds vaker vechten de rebellen tegen elkaar in plaats van tegen regering en janjaweed. De politieke zaak waarvoor zij aanvankelijk streden, raakt steeds verder op de achtergrond. Op veel plaatsen in Darfur is de oorlog ontaard in ordinair banditisme.

Aan de rand van Dereig is een familie bezig met het repareren van hun hut. „Het regenseizoen komt eraan”, zegt Aïsha, een jonge vrouw die met een kind op haar arm toekijkt hoe haar vader een juten zak over het dak spant. Het zeil dat de familie van Unicef kreeg, is door de zon grotendeels vergaan. Aïsha, die uit een dorp komt dat slechts vijftien kilometer verderop ligt, steunt de rebellen. „Ik heb bewondering voor hun doorzettingsvermogen”, zegt ze. De oorlog tegen de regering en de janjaweed is volgens haar een noodzakelijk kwaad. „Als we nu stoppen met vechten, zijn alle ontberingen voor niets geweest.” Dat de oorlog in feite verloren is, zowel regionaal als internationaal, beseft ook zij niet. „Iedereen in Dereig wil terug naar zijn dorp”, zegt Aïsha. Maar de kans is klein dat de janjaweed het gestolen land ooit vrijwillig zullen opgeven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden