Vergaan paradijs

Grijs was het, de dag het aanbreken net voorbij, de trein naar Amsterdam overvol met forenzen, in zwijgende overpeinzing, in halfslaap op de balkons de treden bezettend. Ik leunde tegen een deur, een Marokkaanse sprak zacht in het mobieltje onder haar hoofddoek. Vanaf Centraal de ferry naar Noord, opnieuw vol met zwijgende mensen, fietsers, rode gezichten van de kou. Het grijs was lichter boven het grijze water.

Ook Eye, het filminstituut, die grote ineengedoken zwaan op de kade, ontwaakte nog. Ik betrad het via de personeelsingang. Daar in zaal drie, niet de grootste, werd de projectie voorbereid, de projectie van een van de beroemdste films uit de filmgeschiedenis. 'Gone with the wind' - uit 1939. Volledig gerestaureerd, onverkort. Vier uur filmgeschiedenis, rond Kerst weer in de bioscopen.

Dit was een voorbezichtiging.

Vijf mensen in de zaal. Vijf. Intiemer werd het niet. Het zaallicht doofde, maar niet helemaal. De muziek zette in, maar het scherm bleef grijs. De operateur riep ons toe dat dat zo hoorde, het hoorde bij de film, het was de inloopmuziek, de muziek waarop iedereen zijn plaats in de zaal kon innemen. Ze zei ook dat er een begin en een einde was binnen de film. Het klonk wat raadselachtig maar ze doelde op de ingebouwde pauze, de intermission.

Vier uur film, naar een roman van meer dan duizend pagina's, daar hebben zich scenarioschrijvers maandenlang op stuk gebeten.

Muziek, dovend licht. Romantisch thema, warme symfonische klanken en daar was, na enige minuten, het eerste beeld, het paradijs van Amerika's Zuiden, in het jaar waarin de Burgeroorlog zou uitbreken. Het Zuiden van katoen en slavernij, van zwarte plukkers en zwarte bedienden en een witte kaste van plantagebezitters, residerend in hun landhuizen en villa's. Een paradijs waarin, zo spreidde de film ten toon, de zwarten arm en gelukkig waren, de witten welvarend, godsvruchtig en beschaafd. Een beschaving die zou verwaaien in de wind.

Het was een wonderlijke wereld om na dat grijskoude IJ in onder te duiken, dat warme zuiden van Georgia, de plantages van Tara en Twelve Oakes, ruisende japonnen, jonge dames rustend tijdens de hitte van het middaguur, toegewuifd door kleine zwarte kindslaven met grote waaiers van pauwenveren. Dit alles geschilderd in het warmste licht, tegen rollende velden, in salons van overvloed.

Scarlett O'Hara, Rhett Butler.

U weet het. Grote, schrijnende liefde.

De storm van de oorlog, de ineenstorting van het Zuiden, Scarlett in Atlanta op dat spoorwegemplacement bezaaid met honderden gewonden, de gruwelen, de verwoesting, de branden, de roodgloeiende hemel als decor voor die eerste kus, legendarisch. En later, als alles is verwoest, dat terugverlangen naar dat paradijs met 'dat hoge, zachte negergelach'.

High, soft Negro laughter. Ik hoorde het echt.

Ik belde mijn moeder, 85. Het was een van haar lievelingsfilms. Vond je Clark Gable een knappe man, vroeg ik. "Ik vond het een mán", zei ze. Filmsterren waren mietjes. Gable niet.

En Scarlett was een verwend kreng.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden