Verfstreken van een rebels leven

De schilderijen van Jan Cremer ademen nog steeds de geest van de opstandige jaren zestig. Hij wordt verguisd en bewonderd. Museum de Fundatie in Zwolle eert hem nu met een overzichtstentoonstelling.

Het Jan Cremer museum in zijn geboortestad Enschede kwam er niet. Musea staan niet (meer) te dringen om zijn werk te exposeren of aan te kopen. Jan Cremer (1940) heeft een moeizame relatie met de kunstwereld. In de naslagwerken over de Nederlandse moderne kunst komt zijn naam niet eens voor, klaagde hij onlangs in een interview in NRC Handelsblad. Maar nu is er dan toch - voor het eerst sinds 1988 - een tentoonstelling over de 60-jarige schilderscarrière van Jan Cremer. Museum de Fundatie in Zwolle heeft er een groot aantal zalen voor vrijgemaakt. Volgens directeur Ralph Keuning verdient het oeuvre van Cremer een nieuw eerbetoon, ook internationaal, omdat hij één van de belangrijkste naoorlogse kunstenaars van Nederland is.

Keuning wil met deze expositie ook duidelijk maken dat Cremer, die vooral bekend is door zijn boeken 'Ik Jan Cremer' (1964) en 'De Hunnen' (1984), meer is dan 'een schrijver die ook nog schildert'. Het schilderen was er eerder dan het schrijven, op zijn veertiende jaar al.

Ze hangen er ook in Zwolle, de doeken die de kunstenaar als puber schilderde. Rood en zwart zijn ook dan al zijn favoriete kleuren; woest toen ook al zijn schilderstijl die later het predicaat 'peinture barbarisme' zou krijgen. Je ziet eraan af dat de jonge Cremer talent heeft, maar ook dat hij goed naar het werk van Paul Klee, Joan Miró en Karel Appel heeft gekeken. Appel en Modigliani zijn zijn grote voorbeelden, ook vanwege hun leven als bohémien in Parijs. Dat wil hij ook, weg uit het saaie Enschede waar hij met zijn Hongaarse moeder woont die zich doodongelukkig voelt in Nederland. Zijn vader heeft hij niet gekend, die overleed toen hij twee was. Op zijn veertiende loopt hij weg van huis om in Parijs zijn geluk te zoeken. De politie pakt hem op en stuurt hem terug. Twee jaar later vertrekt hij opnieuw en dan lukt het om een paar maanden te blijven. Op zijn achttiende gaat hij alsnog in Parijs wonen.

Eenmansguerrilla

Daar ontmoet hij de Nederlandse materieschilder Bram Bogart, wiens invloed meteen zichtbaar wordt in Cremers werk. Dikke lagen verf vermengd met zand en andere materialen smeert en smijt hij op het doek. Ook laat hij, net als 'action-painter' Jackson Pollock, de verf in slierten en vlekken op het doek spetteren. "Ik vecht met verf en soms win ik", zegt hij er zelf over. Schilderen als gevechtshandeling. Ook de titels van zijn vroege werken - 'Scherpschutter', 'Woestijngevecht', 'Verwoeste nacht', 'Stalingrad' en 'Tankoorlog' - getuigen ervan. Sommige schilderijen gaan over echte oorlogen, maar Cremer voert ook een 'eenmansguerrilla' tegen de traditionele schilderkunst. 'Kunstvijand nr. I' noemt hij zichzelf. In het schilderij 'Barbaar' kun je ook een zelfportret zien van de tegen alle heilige huisjes schoppende kunstenaar.

Als Cremer nog maar twintig is, schildert hij één van zijn beste werken, het vijfluik 'Japanse oorlog'. Het is een heftige aanklacht tegen het bloedvergieten in de oorlog. Met een gasbrander heeft Cremer de dikke verflagen bewerkt, zodat de laag teer die hij als eerste had aangebracht, naar de oppervlakte is doorgesijpeld. Cremer hangt er een prijskaartje aan van een miljoen gulden, wat tot geschokte reacties leidt. Er meldt zich geen koper, waarna hij het aanbiedt aan koningin Juliana, mits ze het gratis voor hem bewaart. Volgens Cremer had hij alleen maar zo'n hoog bedrag gevraagd, omdat hij niet wilde dat dit meesterwerk verkocht zou worden.

Directeur Willem Sandberg van het Stedelijk Museum Amsterdam heeft dan al enkele schilderijen van Cremer gekocht. Hij is onder de indruk van het jonge talent, dat zichzelf goed weet te verkopen als enfant terrible van de Nederlandse kunst. Voortdurend weet hij de aandacht te trekken, is het niet met zijn woeste schilderstijl, dan wel met zijn uitspraken. "Rembrandt? Wie is dat? Ik heb geen verstand van sport." Voor sommigen wordt hij met zijn 'peinture barbarisme' en choquerende boeken het idool van de vrijgevochten jaren zestig. Anderen zien hem als een notoire aandachttrekker die slechte kunst maakt.

En zo is het eigenlijk nog steeds: je houdt van Cremer of je hebt er niets mee. Dat komt ook, leert deze tentoonstelling, doordat Cremer zijn rebelse stijl altijd trouw is gebleven. Negatief geformuleerd kun je ook zeggen dat hij zich na zijn stormachtige debuut niet verder heeft ontwikkeld. Tot op heden ademen zijn schilderijen nog de geest van de opstandige jaren zestig. Destijds heette dat vernieuwend, nu komt het wat gekunsteld en gemanierd over, zeker als het gaat om zijn landschappen en zeegezichten.

Wat de ontwikkeling van zijn schilderstalent mogelijk in de weg heeft gezeten, is de impact die zijn eerste boek had. In 1964 verschijnt 'Ik, Jan Cremer', een autobiografie die inslaat als een bom, vooral vanwege de seksuele uitspattingen die er in niets verhullende taal in worden beschreven. Cremer vertrekt naar New York, omdat hij na het succes van zijn boek niet meer aan schilderen toekomt. Op de tentoonstelling wordt de breuk in zijn schilderscarrière goed in beeld gebracht. Hij zegt het barbarisme vaarwel en gaat Hollandse tulpenvelden schilderen, maar wel met een rebelse twist. Hij gooit er een pop-artsausje overheen, afgekeken van Andy Warhol. Maar dan nog zien de tulpenschilderijen er cliché uit. Misschien zien we het verkeerd en zijn ze een persiflage op de traditionele Hollandse landschapsschilderkunst. Maar je bent wel heel snel uitgekeken op deze Ikea-kunst.

Zwarte adelaars

Als schilder staat Cremer min of meer stil tot 1984, leert de expositie. Dan verschijnt zijn epos over de bloedige geschiedenis van de Hunnen. Daarna bloeit het schilderen toch weer op. De tulpen maken plaats voor heftige taferelen van bloedrode slachtpaarden en zwarte adelaars die onheilspellend boven het landschap zweven. Elementen die zijn ontleend aan het boek 'De Hunnen'. Het zijn krachtige schilderijen, al is net als in zijn vroege werk, ook nu duidelijk de invloed zichtbaar van andere kunstenaars, onder wie Armando en Baselitz.

Vanaf 2000 schildert Jan Cremer vooral monumentale zeegezichten. Lieflijke zeeën zitten er niet bij. Het kolkt, stormt en schuimt op de doeken en je voelt voortdurend hoe wreed de zee is. Cremer houdt van de barre, noordelijke zeeën - hij heeft op de wilde vaart gezeten - en daar krijgt hij geen genoeg van. Overtuigen doen ze niet allemaal. Hier had strenger geselecteerd kunnen worden. Het wrikt ook een beetje hoe de schilderijen worden gepresenteerd. Ze hangen in de bovenzalen van het museum, in de nieuwe ellipsvormige uitbouw op het dak. Het liefst had je je hier net als bij Panorama Mesdag, willen laten overspoelen door de zeeën van Cremer. Maar dat kan niet in deze ruimtes zonder rechte muren. Er zijn wanden in geplaatst. Ondanks het mooie licht in de bovenzalen doet dat afbreuk aan de beleving.

***

'cremer in verf, 1954-2014', t/m 23 augustus in museum de fundatie in zwolle

Parallel aan deze tentoonstelling worden in Kasteel Het Nijenhuis in Heino foto's getoond die Cremer maakte van midden jaren zestig tot begin jaren tachtig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden