Verering met Nederlandse zuinigheid

'Typisch Nederlands", verzucht sporthistoricus Jurryt van de Vooren wanneer de verontwaardiging ter sprake komt die ontstond nadat atlete Fanny Blankers-Koen per abuis niet was opgenomen in de olympische metrokaart van Londen. "We staan vooraan om kritiek te geven als anderen iets verkeerd doen, maar laten we ons eerst zelf eens de vraag stellen: hoe gaan wíj met onze sporthelden om?"

Van de Vooren weet het antwoord wel. Ten tijde van het afbreken van Ajax-stadion De Meer vatte hij het plan op om in de wijk die op de heilige grond zou verrijzen straten te vernoemen naar Ajax-iconen. Na 'een lange mars door Amsterdamse instituten' ontving de sporthistoricus een korte brief van het stadsdeel Oost: 'Leuk idee, doen we niet.'

Van de Vooren: "Hun redenering was: We weten niet welke rol die mensen in de oorlog hebben gespeeld." Raar verhaal, vindt hij nog steeds. "Want bijvoorbeeld de oprichter van Ajax, Han Dade, is in 1940 overleden. Hoe kan hij nou iets fout hebben gedaan? Ik vind het een alleszeggend voorbeeld van de zuinigheid waarmee we in Nederland onze belangrijke sporters herdenken."

Het is een vaker gehoorde klacht vanuit de sportwereld, dat de cultuur van heldenverering ontbreekt in Nederland. Verzachtende omstandigheid: het is nooit anders geweest. Al in de jaren twintig merkte de krant Het Vaderland na de huldiging van wereldkampioen baanwielrennen Piet Moeskops schamper op: 'Waarom zou iemand, die er zijn beroep van maakt op een wielerbaan te rijden of voetbal te spelen, niet even goed mogen zijn als de kelner, die op het voetbalveld of in de wielerbaan zijn ververschingen ronddient of de muzikant, die er in het orkest speelt?'

Voor een verklaring voor onze gereserveerde houding ten opzichte van sporticonen wordt vaak teruggegrepen op de calvinistisch volksaard van Nederlanders: werk hard, leef zuinig en loop niet met je succes te koop. Eigenschappen die als 'typisch Nederlands' worden ervaren en waarvan gevleugelde uitdrukkingen in de Nederlandse taal nog altijd het bewijs zijn; gewoon doen is al gek genoeg, hoge bomen vangen veel wind en een kop die boven het maaiveld uitsteekt wordt er afgehakt.

Die houding levert in het buitenland vaak onbegrip op. Mooi voorbeeld: Robert Maaskant die als coach van de Poolse voetbalclub Wisla Krakau op de fiets naar de trainingen kwam, 'omdat ik zo dichtbij het veld woonde dat ik er met de auto veel langer over zou doen'. De fans langs het trainingsveld keken 'de fietsende Hollander' meewarig aan. Zij redeneerden: dat kon nooit een goede trainer zijn, want een beetje trainer komt minstens met een Audi A4 het terrein oprijden.

Maar er is ook goed nieuws. Volgens Van de Vooren is er een kentering zichtbaar; steeds vaker merkt hij dat de belangstelling voor sporters uit het verleden toeneemt. "Die is ontstaan tijdens de eeuwwisseling, toen er allerlei lijstjes verschenen; beste politicus, beste muzikant, en dus ook beste sporter van de eeuw. Die ontwikkeling is in een stroomversnelling geraakt door de tijd waarin we leven. In economische zware tijden hebben mensen een sterke behoefte om hun identiteit te benoemen."

Niet geheel toevallig was er de laatste jaren een enorme toename van het aantal standbeelden bij stadions. Coen Moulijn kreeg er eentje bij De Kuip, Bobby Haarms voor de Arena, Blaise N'Kufo voor De Grolsch Veste en Jan van Beveren is in het Philips Stadion als wandsculptuur te bewonderen. "Die standbeelden zorgen voor binding van de fans met hun club. Die zijn gaan inzien dat je je sociaal-maatschappelijk moet profile-ren. Het levert clubs uiteindelijk ook commercieel succes op. Maar dat geeft niet. Linksom of rechtsom, onze houding ten opzichte van sporthelden verandert. Dáár gaat het om."

Voor de Ajax-iconen die hij zo graag op een straatnaambordje in Amsterdam had gezien, is die ontwikkeling treurig genoeg te laat op gang gekomen. De deelraad kwam destijds met een alternatief plan: de de straten moesten worden vernoemd naar de stadions waarin Ajax zijn vier Europa Cups had gewonnen. "Er was één probleempje", gniffelt de sporthistoricus, "In 1995 zegevierde Ajax in het Ernst Happel-stadion. Inderdaad, een Feyenoord-icoon. En in 1972 behaalde Ajax ten koste van Inter Milaan de Europacup in De Kuip, het bastion van de aartsvijand. Bewoners dreigden toen in opstand te komen en de straatnaambordjes te zullen slopen."

Zover kwam het uiteindelijk niet. Er rolde - ook typisch Nederlands - een compromis uit de bus: de straten zijn vernoemd naar stadions waarin Ajax belangrijke wedstrijden heeft gespeeld: Anfield Road, Bernabeuhof, Wembleylaan. Helemaal vergeten zijn de Ajax-iconen niet. Hun namen staan op allerlei bruggetjes in de wijk.

De sporthistoricus zucht nog maar eens diep: "Allemaal net niks eigenlijk."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden