Veredelde koppen, de blik naar gene zijde beeldende kunst

'Hans Memling. Vijf eeuwen werkelijkheid en fictie'. Groeningemuseum (niet Memlingmuseum!), Brugge. Dagelijks 10-21 u, tot 15 nov. Gelimiteerd aantal bezoekers per uur. Reservering (tel. 00 3250 347959, fax 00 3250 348488) voorkomt wachten. Cat. BFr 1200, incl. essaybundel BFr 1600.

Memling stierf vijf eeuwen geleden. Er bestaan nog 93 panelen die aan hem worden toegeschreven en die over de hele wereld verspreid zijn geraakt. Nu zijn er in het Brugse Groeningemuseum een aantal weken lang eenenveertig van te zien. Met deze grote expositie van en rond deze kunstenaar is een wensdroom boven verwachting vervuld.

Memling was na Jan van Eyck het tweede wonder van de Brugse schilderkunst. Van Eyck was de fenomenale realist. Hij bekeek koppen zoals een entomoloog insekten bekijkt: microscopisch nauwkeurig. Memling daarentegen analyseerde als portrettist geen objekten, maar gaf op een discrete manier wezens weer met een innerlijk leven. Hun uiterlijk is als door een visagist van onregelmatigheden ontdaan. Met de blik naar gene zijde, nemen ze de beschouwer niet waar. Van de Brugse bovenlaag in de tumultueuze, door oorlog en pest geteisterde late middeleeuwen krijgen we zo een geïdealiseerd beeld. Memling had veel Italianen en Spanjaarden onder zijn klanten, maar blijkbaar geen leden van het Brusselse hof.

Hans Memling kwam uit Seligenstadt in het bisdom Mainz. Blijkens een in Brugge getoond document heette de eerste man van zijn moeder Henricus Appel. Mogelijk gaf een pestepidemie Hans aanleiding om zijn heil elders te zoeken. Uit zijn werk blijkt dat hij in Keulen de kunst van Stefan Lochner bestudeerd moet hebben en in Brussel die van Rogier van der Weyden, mogelijk als diens leerling. Na Van der Weydens dood verwierf hij in 1465 het poorterschap van Brugge.

Een van de eerste werken die hij daar schilderde was een Maria met kind. Daarin demonstreerde hij als het ware alles wat hij van Van der Weyden had opgestoken. Al gauw daarna vond hij een vorm die hem eigen was, zonder de pathetiek van Van der Weyden. Afgezien van een 'Laatste Oordeel' gaat van zijn schilderijen een aanstekelijke, serene rust uit. Hij streefde naar evenwichtige composities met figuren die in hun omgeving geïntegreerd zijn - met een niet-lineair, empirisch perspectief.

Technisch onderzoek, waarvan de expositie verslag doet, heeft aan het licht gebracht dat hij een andere verfhuid maakte dan de gesloten, emailachtige die de schildering van Jan van Eyck karakteriseert. Hij gebruikte meer loodwit in de ondergrond, bracht er met penselen of zwart krijt dan wel houtskool een schetsmatige voortekening op aan, die hij dikwijls wijzigde, en week daar onder het schilderen nog weer van af, met een soepele en minder gelaagde peintuur (maar niet, zoals Leo van Puyvelde meende, zonder glacis). Hij nuanceerde de kleuren en grifte soms in de verfhuid. Nu de 'andere' Memling onder de verf zichtbaar is, worden misschien ook losse tekeningen herkend als zijnde van zijn hand.

Alle genres in zijn oeuvre zijn op de tentoonstelling vertegenwoordigd en thematisch verdeeld over zeven zalen: de Madonna, Christus, de familie Moreel (opdrachtgeefster), de portretten, het beroemde Ursulaschrijn, het Sint Janshospitaal en de Duinenabdij (opdrachtgevers) en de ondoorgronde allegorieën. Aan de achterzijde van een portret staat het oudst bekende afzonderlijke Westerse bloemstilleven. Het heeft nog wel op de traditionele manier een symbolische betekenis. Verwant aan het tapijtje op dit stilleven is een even oud Turkmeens kleed, dat in deze zaal verrast door volkomen frisse kleuren.

Verzaagd

In nogmaals zeven afdelingen komen onder meer voorwerpen voor zoals kazuifels, kroontjes en militaire uitrustingstukken (de 'werkelijkheid' in de ondertitel van de expositie), manuscripten en een fraaie wiegedruk; voorts vroege kopieën en biografische bronnen. Van de tijdgenoten zijn de Meester van de Ursulalegende en die van de Lucialegende met de meeste werken vertegenwoordigd. Die van de Luciameester lopen sterk uiteen.

Ooit moeten veel meer werken van Memling bestaan hebben. Op de expositie zijn delen van uiteengenomen en verzaagde retabels uit verschillende collecties bijeengebracht. Memlings Ursulaschrijn was echter altijd in het Sint Janshospitaal gebleven. Dankzij het feit dat het van hout is bleef het bestaan, toen schrijnen van edelmetaal in 1578 onder het calvinistische bewind werden omgesmolten. Het verhaal van de martelares Ursula en de 11 000 maagden in haar gevolg is onhistorisch. Niettemin omvatte het kapelvormige kastje, blijkens een oorkonde op de tentoonstelling, stoffelijke resten van die vrouwen. De inhoud is in de vorige eeuw verwijderd. De catalogus onder redactie van Dirk de Vos, conservator van het museum, brengt verslag uit van een minutieus onderzoek van het schrijn. Het tweedelige boek vermeldt nieuwe inzichten en de expositie zal er nog wel meer opleveren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden