Verdwaald in Nixonland

Richard Nixon profiteerde van de angsten van de gewone man en schopte het mede daardoor tot president. Rick Perlstein schreef een indrukwekkende biografie van de man die de VS verdeelde.

Rick Perlstein: Nixonland. Uitgeverij Scribner, New York. ISBN 9780743243025. 881 blz. euro 22,99

De meeste Amerikanen zullen het niet graag horen maar de Verenigde Staten zijn zo verdeeld dat je kunt zeggen dat ‘Gods Own Country’ wordt bevolkt door twee naties, zoals de negentiende-eeuwse Britse staatsman Disraeli ooit vaststelde over Engeland.

In het Victoriaanse Engeland liep de kloof tussen arm en rijk; in de hedendaagse VS zijn de tegenstellingen tussen het conservatieve en progressievere deel van de bevolking zo groot dat ze vrijwel onoverbrugbaar lijken. Links verafschuwt rechts, rechts haat links. Voor een ’zich aan zijn geloof en geweer vastklampende’ Amerikaan – de typering is van Barack Obama – komt de New York Times lezende intellectueel uit Manhattan al gauw van een andere planeet, en omgekeerd geldt ongetwijfeld hetzelfde.

Wie ook in november de sleutel van het Witte Huis mag ophalen, de Republikein John McCain of de Democraat Obama, hij zal moeten proberen een brug te slaan tussen deze bevolkingsgroepen. Want een chronisch verdeeld land heeft bij al het spreekwoordelijke Amerikaanse optimisme een moeizame gezamenlijke toekomst.

Obama en McCain zullen er wel niet de tijd voor kunnen vrijmaken, maar ter voorbereiding op de taak die een van hen te wachten staat, zouden ze er goed aan doen ’Nixonland’ van Rick Perlstein te lezen. Het boek ontleent zijn titel aan de Amerikaanse president Richard Milhouse Nixon (1913-1994), de man die in 1974 wegens het Watergate-schandaal werd gedwongen af te treden, maar het is veel meer dan een conventionele biografie. In ’Nixonland’ beschrijft Perlstein hoe Amerika is geworden zoals het nu is, een land waarin hele bevolkingsgroepen met elkaar op voet van - koude - oorlog leven.

Het boek behandelt een periode van nog geen tien jaar, van 1964 tot 1972, een cruciale fase in de naoorlogse geschiedenis, en doet dat met zo’n rijkdom aan details dat het waarschijnlijk het best gelezen kan worden als een grote, panoramische roman.

Wat in 1965 losbarstte, had vermoedelijk zelfs de grootste profeet een jaar eerder niet kunnen voorzien. In november 1964 was Lyndon B. Johnson, de opvolger van de in 1963 in Dallas vermoorde John Kennedy, met een overweldigende meerderheid herkozen als president. Johnson was met misschien wel het progressiefste programma ooit de verkiezingen ingegaan. Hij beloofde burgerrechten voor de zwarten, een overwinning in Vietnam en een verzorgingsstaat Europese stijl.

„Het was de meest hoopgevende tijd sinds Jezus is geboren in Bethlehem”, zei de winnaar in alle bescheidenheid. Hij was niet de enige. Gezaghebbende (tv)commentatoren, columnisten en andere leden van de spraakmakende elite zeiden het hem na – zij het meestal minder hoogdravend en bloemrijk. Perlstein noemt het de ’Amerikaanse consensus’; het bleek zelfbedrog zoals zo vaak bij consensus.

Een jaar later stond het land in brand. Alle conflicten – raciaal, sociaal-cultureel, tussen de generaties –, die al jaren onder de oppervlakte smeulden, kwamen tot ontbranding. Het begon met een veldslag in Watts, het zwarte getto van Los Angeles, en ontaardde in rassenrellen, politieke moord (negerleider Martin Luther King, presidentskandidaat Robert Kennedy, beiden in 1968) en stadsguerrilla’s tussen politie en betogers tegen alle mogelijke misstanden, maar vooral tegen de oorlog in Vietnam. Het was de tijd van hippies, seks, drugs, rock & roll, black power. Voor de oudere generatie en de oppassende, vaderlandslievende burgers, die belasting betaalden, ’s ochtends naar hun werk en zondags naar de kerk gingen en wier zoons in Vietnam sneuvelden, was het de Tijd van de Grote Verloedering. Hun Amerika werd bedreigd door ’communistische’ relschoppers en ongewassen baardapen die werden aangemoedigd en verdedigd door halfzachte intellectuelen. Het was tijd voor een ’sterke man’ die orde op zaken ging stellen.

De man die de woede van deze ’zwijgende meerderheid’ wist te vertolken was Richard Nixon. Hij was de hoofdrolspeler in het drama, de held van de ’gewone man’ en de boeman van iedereen aan de andere kant van de barricade.

Het psychogram dat Perlstein van Nixon geeft, is een van de hoogtepunten van het boek. Hij was de zoon van een maatschappelijk mislukte Quaker. Briljant, hyperambitieus, kromlopend onder complexen en ressentimenten en er van overtuigd dat iedereen uit een beter nest het op hem had gemunt. Het waren handicaps die hij op zijn best wist te verdringen maar nooit heeft overwonnen. Daarom kon hij de stem van de zwijgende meerderheid worden, zegt Perlstein. Ook Nixon had zijn nederlagen moeten slikken, de verloren presidentsverkiezingen van 1960 tegen Kennedy, de verloren strijd om het gouverneurschap van Californië twee jaar jaar later, de minachting en vernederingen van het snobistische establishment; hij was kortom een van hen. Dat was waar, maar bij lange na niet alles. Nixon was ook een ongekend vaardige manipulator. Hij was de grote profiteur van hun angsten en verwarring.

Zijn opmars werd ook mogelijk gemaakt door tegenstanders die in de turbulentie van die jaren het spoor volledig bijster raakten. Na de moord op Robert Kennedy bestreden de diverse facties van de Democraten liever elkaar dan de man van wie ze ’nooit een tweedehands auto zouden kopen’. De presidentsverkiezingen van 1968 verloren ze nog op het nippertje; in 1972 werden ze weggevaagd.

Nixon ging twee jaar na de grootste triomf van zijn leven ten onder aan een aanvankelijk onbeduidende affaire die door zijn eigen paranoia en verblindheid uitgroeide tot het grootste schandaal van de moderne Amerikaanse politiek: Watergate.

Nixonland was toen al afgebakend op de mentale kaart van de Amerikaanse kiezers. Zes jaar na Nixons afgang en vier chaotische jaren onder de Democraat Jimmy Carter later werd de fakkel overgenomen door Ronald Reagan. Reagan was een aimabele ex-acteur, zonder de psychische afgronden van Nixon en bleek de topverkoper van het conservatieve wereldbeeld. Hij werd het grote voorbeeld van George Bush de jongere.

Door diens blunders en de economische malaise lijkt Nixonland sterk aan aantrekkingskracht te hebben ingeboet. 2008 zou het jaar van de Democraten en Barack Obama moeten worden, daar zijn de meeste koffiedikprofeten het – met uiteraard de vereiste slagen om de arm – wel over eens.

Perlstein waarschuwt hen zich niet te snel rijk te rekenen.

„Hoe het is afgelopen met Nixonland? Het is nog niet afgelopen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden