Verder is er niets te zien in Yonville

Het klassieke boek schenkt op eigen houtje kennelijk nog onvoldoende verbeelding; de helden moeten ook te zien, te voelen, ronduit tastbaar zijn. De lezer wil vervoerd en bedrogen worden en daarna ook nog eens bij de literaire held op schoot. Shakespeare kan Hamlets lief in een handomdraai zelfmoord laten plegen, maar in welke rivier deed Ophelia dat precies? Van welke oever valt dat het beste te fotograferen? En kan ik daar een kaartje voor kopen? Na het Paard van Troje (18/4), het Balkon van Julia (9/5) en het Huis van Dulcinea (18/7) vandaag het vierde deel van een serie over letterlijk literaire helden: Galerie Bovary in het Normandische Ry. Galerie Bovary - Musée d'Automates, Place Gustave Flaubert, Ry. Van pasen tot eind oktober dagelijks van 15 tot 18 uur. Za, zo, ma en feestdagen van 11-12 en 14-19 uur.

AREND EVENHUIS

De gifmenger als apotheker is nog steeds onder ons, woont overal ter wereld en verschijnt - bijvoorbeeld als malicieuze Wethouder Hekking - in verschillende hoedanigheden, op elke straathoek. Gustave Flaubert maakte zijn afgunstige gifmenger onsterfelijk met de nep-apotheker Homais, de sleutelfiguur in zijn beroemdste werk met de ondertitel 'Provinciaalse zeden en gewoonten'. Flaubert kende de kleur van de afgunst natuurlijk, en had zijn roman trefzeker 'Het groen en het rood' kunnen dopen, maar verkoos kortweg: 'Madame Bovary' (1856).

Met het rijtuig 'De Zwaluw', dat eem verbinding met Rouen onderhoudt, arriveren Charles en Emma Bovary op een late namiddag in hun onzalige dorp.

In de hertaling van Hans van Pinxteren:

Yonville-l'Abbaye (zo geheten naar een voormalige kapucijner abdij, waarvan zelfs geen ruïnes meer over zijn) is een dorp acht mijl gaans van Rouen, tussen de weg naar Abbeville en die naar Beauvais, in een dal waar de Rieule door stroomt. (-) En stromend langs het gras vormt het watertje een blanke scheidslijn tussen de kleurschakeringen van weiden en akkers, waardoor het landschap lijkt op een grote uitgespreide mantel met een kraag van groen fluweel, omboord met zilveren galon.

Yonville staat niet in de atlas, maar heel Normandië weet dat het gehucht Ry, zo'n twintig kilometer ten oosten van Rouen, model stond voor Madame Bovary's dorp. Het zit immers al in de naam zelf: het latijnse bova voor koe als zinnebeeld van lompheid der (Normandische) plattelanders, met daar pal achteraan de plek zelf: -Ry. Net als Yonville bestaat Ry uit één straat, 'een geweerschot lang', volgens Flaubert, 'met aan weerszijden een paar winkels.' Hier woonde Emma Bovary, al heette ze toen nog Adelphine Delamare. Flauberts vriend Louis Bouilhet opperde in 1849 dat er een roman moest verschijnen over deze, ooit in Ry wonende, Madame Delamare. Zij was getrouwd met Eugène Delamare, een oud-student van Flauberts vader, die geneesheer-directeur van het hospitaal van Rouen was. Een snuggere student medicijnen moet die Eugène Delamare, net als Charles Bovary later plattelandsarts, niet zijn geweest. Het vergaat hem net zo tragisch als de Bovary's zelf: Madame Delamare maakt haar dorpsdokter failliet, waarna ze zichzelf vergiftigt. Adelphine Delamare ligt in Ry begraven, ook al verdween haar grafsteen in 1896, vermoedelijk gestolen door een Flaubertiste of een Bovaryste .

Tenzij Bar Tabac 'Le Flaubert', Restaurant 'Le Bovary' (dat elke laatste vrijdag van de maand een soirée couscous organiseert), de bloemenzaak 'Le jardin d'Emma' of de videotheek 'Bovary' onder bezienswaardigheden vallen, is er niets te zien in Ry. Inderdaad, een straat zo lang als een geweerschot, met nog niet eens een kruispunt te bekennen. Waar in Yonville die enige straat 'plotseling in een bocht van de weg' ophoudt, staat in diezelfde bocht in Ry een voormalige ciderdistilleerderij. Een hoge schuur met houten omlijstingen, een tuin met gazon en grindpad, een murmelend passerend beekje. In Yonville trekt de apotheek van Homais de meeste aandacht.

Vooral wanneer 's avonds de olielamp is aangestoken, zodat de rode en groene bokalen die de etalage sieren zich tot ver over de grond uitstrekken in twee kleurige schijnsels...(-) Verder is er niets te zien in Yonville.

In Ry is de oude ciderschuur het enige gebouw van belang. Het staat aan de Place Gustave Flaubert, maar dat is wat al te veel eer voor de bocht die je prompt het dorp weer uitleidt.

De ciderschuur herbergt 'Galerie Bovary', ook wel 'Musée d'Automates' geheten. Zowel motorisch gestoord als aangedreven verbeelden hier honderden poppen, allen iets kleiner dan Barbie, de sleutelscènes uit 'Madame Bovary'. Voor een vlooientheater is het te groot, voor een kinderkermis te devoot, maar voor onversneden Bovarysten een onvermijdelijk pelgrimsoord in mini-formaat. En voor de preciezen is 'Galerie Bovary' natuurlijk ook een bovenmeesterlijk ijkpunt: kloppen de ruim dertig tableaus (elk zo groot als een verhuisdoos) waarin zich die nietige Bovaryfiguurtjes driest-schokkend bewegen, wel met Flauberts partituur?

De beheerders van 'Galerie Bovary' blijken hun klassieken te kennen; alle tableaus volgen de roman op de voet, letterlijker kan haast niet. Net als in de eerste alinea van 'Madame Bovary' komt de 15-jarige Charles in het eerste poppentableau op school, waar hij van de zenuwen z'n eigen naam niet durft uit te spreken en niet meer weet waar hij z'n pet moet laten.

Gaandeweg, onder een regen van strafwerk, herstelde zich de orde in de klas, en toen de leraar, nadat de ander zijn naam had gedicteerd, gespeld en nogmaals gezegd, eindelijk wist dat hij Charles Bovary heette, moest de arme jongen meteen op de strafbank gaan zitten, vlak voor de katheder.

Charles zit, als poppetje van links naar rechts bewegend tussen z'n synchroon meedraaiende medescholiertjes, hun petten zo groot als een punaisekop op een rij naast de schoolbanken. De echte kinderen die 'Galerie Bovary' zijn komen bezoeken, houden de bewegende taferelen al gauw voor gezien, en zitten elkaar rondom het fonteintje middenin het poppenmuseum na. De volwassen bezoekers doen hun best om in de schemering alle bijbehorende citaten te lezen, die op een plankje vóór elk tableau zijn geschroefd. Boven het geklater van het fonteintje uit weerklinkt jengelend speeldoosgeplonk. De tableaus lichten langs de wanden van de verder verduisterde zaal op - als het plotseling langzaam zou gaan sneeuwen, zoals in een met water gevulde speelgoedstolp, zou niemand daar stampei over maken.

Irritatie is een te groot woord, maar na een paar tableaus begint er iets te wrevelen: de poppen - vooral de mannelijke - lijken verdacht veel op elkaar. Of het nou om de vader van Emma gaat, de feestgangers van het bal, of de bezoekers van het Landbouwcongres. Vooruit, Homais draagt een duidelijk herkenbaar turkenpetje (“Homais vroeg of hij zijn kalotje op mocht houden, want hij was bang kou te vatten.”), Emma's eerste en laatste minnaar Léon heeft blond strohaar, minnaar Rodolphe draagt een minuscuul zwart snorretje - maar alle personages maken onmiskenbaar deel uit van één identieke poppenfamilie.

En daar is dan Emma, met haar ravenzwarte, nog opgebonden haarlokken.

Haar hals rees op uit een plat wit kraagje. Het haar werd midden op haar hoofd in tweeën gedeeld door een smalle scheiding die ietwat weggleed bij de kromming van de schedel, en de zwarte dos was zo glanzend dat beide helften wel uit één stuk leken. En terwijl haar oren tot de lelletjes schuilgingen, zat het haar van achteren opgebonden in een zware wrong en viel het bij de slapen in een golf, iets wat de dokter nog nooit bij iemand had gezien.

Zij draagt mooie poppenkleertjes, dat zeker, maar het kost zowel kleuter als volwassene moeite om ter plekke verliefd op haar te worden. In een ander tableau zit ze met Rodolphe in een prieeltje. Haar 'bekoorlijk voetje', kleiner nog dan een pinknagel, schokt ongeregeld in het zand als onderstreping van haar verlegenheid over het naderende overspel.

Emma hield onder het luisteren haar hoofd omlaag en schoof met de punt van haar schoen spaanders hout heen en weer over de grond.

Elders hangt Emma uit het venster (dat deed zij dikwijls: in de provincie vervangt het raam de schouwburg en de boulevard), ligt zij in katzwijm of vertoeft zij met ontblote poppenborsten met minnaar Léon. Uiterst waarheidsgetrouw verbeeldt 'Galerie Bovary' haar einde: Emma's kersrode lipppen zijn wit van de poedersuiker - het giftige capharnaüm uit de medicijnkast van Homais. Het deurtje van het gifkastje gaat open en dicht, open en dicht, open en dicht.

Toch is dit slottafereel niet het hoogtepunt uit de collectie van 'Galerie Bovary', voor zover je daar van kunt spreken. Aangrijpender nog is het tableau waarin de arme Hippolyte van zijn bekiste horrelvoet wordt verlost. (Deze beenamputatie door dokter Canivet werd een waar evenement voor het dorp! Alle bewoners waren die dag heel vroeg opgestaan, maar ondanks de drukte in de Hoofdstraat hing er een lugubere sfeer, als bij een terechtstelling.) Flaubert beschrijft de amputatie niet, hij laat slechts 'een hartverscheurende kreet' klinken 'in de stilte die over het dorp hing'. In 'Galerie Bovary' daarentegen sta je met de neus bovenop de amputatie. Hippolyte zit op een houten poppenstoeltje, z'n been verbonden met een stukje wit katoen dat gedeeltelijk rood is gekleurd. Hippolytes been wordt er met een trekzaagje in onverdroten schuitje varen-theetje-drinken-motoriek afgezaagd alsof het een droog boomstronkje betreft. Zijn hoofd beweegt van links naar rechts, op het ritme van de trekzaag. Hij lijkt niet te lijden, hij heeft eerder de gezichtsuitdrukking: heb ik dat weer!

In de nacht volgend op het bezoek aan Ry dienen zich flarden mini-nachtmerries aan. Dat trekzaagje blijft zagen, ook nu 'Galerie Bovary' gesloten en donker is, het been wil er maar niet af, Hippolyte waant zich het middelpunt van een dorpsfeest. Terwijl dokter Canivet blijft zagen, deelt Hippolyte handtekeningen uit aan de medepoppen, die uit de andere tableaus naar zijn eigen tafereel zijn komen schokwandelen.

In de droom verschijnen twee tableaus die niet in Ry te zien waren en waarin Flaubert zelf zijn intrede in 'Galerie Bovary' doet. In de ene zit de schrijver, meer dan levensgroot, te schrijven, de ganzenveer schokt van links naar rechts. In het andere probeert hij tevergeefs en onophoudelijk z'n manuscript te verscheuren.

Want 'alles moet kloppen tot in het kleinste detail', zoals Flauberts hertaler Van Pinxteren in zijn nawoord schrijft. “Wat wordt er gegeten en gedronken op boerenbruiloften in Normandië? Welke gebruiken en gewoonten worden daarbij in acht genomen, wat voor kostuums draagt men dan? Welke verschijnselen doen zich voor bij inwendig gebruik van arsenicum?”

De volgende ochtend blijkt Flaubert zich geen al te grote zorg meer over zijn roman te maken. Hij rust op de hoogste helling van Rouen, het mooiste uitzicht op de Seinevallei aan zijn voeten. Met twee eenvoudige, smalle zerken flankeren Flaubert en zijn zus de graven van hun ouders op het Cimetière Monumental.

De hedendaagse Emma Bovary bezit een auto, met dan ook het kenteken 76 van het arrondissement Seine-Maritime. Vermoedelijk een Clio, die natuurlijk steevast met panne kampt en daarom vaak naar de garage in Rouen moet, waar Léon al een hotel geregeld heeft. In de roman is Emma op een rijtuig aangewezen. Eerst 'De Zwaluw' van koetsier Hivert, aangekomen in Rouen de eerste de beste calèche die vrij is. Met de woeste rijtoer in de geblindeerde koets door Rouen stuwt Flaubert zijn roman naar een onbenoemd hitsig hoogtepunt, waarna alleen de onverbiddelijke neergang van Madame Bovary kan volgen. Vlak voor die tocht geeft Flaubert een beteugelde, zoniet docerende beschrijving van de kathedraal. Tegenover het oostelijke kathedraalportaal, naast de voormalige 'Grande Pharmacie Centrale', bevindt zich nu de VVV. Je wordt niet weggestuurd als je daar met de roman binnenstapt en informeert naar de authenticiteit van de bestemmingloze liefdesgalop die Emma en Léon door Rouen maakten. (Rij maar wat!, gebiedt Léon de koetsier.) Daar heb je nu een Clio voor nodig: lopend ben je er zeker driekwart dag mee bezig. Meeluisterend naar de woorden van Flaubert geeft de VVV-mevrouw de route met kanariegele viltstift op een plattegrond aan.

De koetsier veegde zijn voorhoofd af, legde zijn leren hoed tussen zijn voeten en stuurde het voertuig over de zijwegen naar de grasberm aan de waterkant. (-) Toen stoof het plotseling achter elkaar Quatremares, Sotteville, La Grande-Chaussée, de Rue d'Elbeuf door, en ten derde male hield het stil, nu voor de Botanische Tuin. 'Vooruit dan toch' riep de stem, bozer nu.

VERVOLG OP PAGINA 18

Verder is er niets te zien in Yonville VERVOLG VAN PAGINA 17

Het armenhuis bestaat niet meer, weet de VVV-mevrouw, en veel bruggen zijn verwoest. Maar onverschrokken snelt haar viltstift door het huidige Rouen, tot op andere briefjes rondom de plattegrond: Cours Clemenceau, Rue Saint-Sever, Pont Jeanne d'Arc, langs het standbeeld van Pierre Corneille, Quai Gaston-Boulet, Boulevard des Belges, Boulevard de la Marne, Boulevard de l'Yser, de voortjakkerende koets werd immers gezien tot bij de lage Vielle-Tour, bij de Trois Pipes en bij het Cimetière Monumental. Waarschijnlijk laat Flaubert het rijtuig ook langs z'n eigen huis, even buiten Rouen denderen. Het bestaat niet meer, maar ingeklemd tussen spoorwegemplacement, fabriekspijpen, uitvalswegen en havenkranen is in Croisset één van de twee paviljoens nog te zien. Daar hangt zijn jachtgeweer, waarmee hij de hoofdstraten van Yonville en Ry opmat, ligt z'n ganzenveer en een lokje haar van 'de kluizenaar van Croisset'. De beheerster van het paviljoen is niet erg op bezoekers gesteld. Als je haar waagt te vragen wat voor fabrieken er ten tijde van Flaubert aan de overkant van de Seine stonden, grauwt ze: “Nou, gewoon, fabrieken natuurlijk. Fabrieken”

De dollemansrit door en om Rouen komt in 'Galerie Bovary' tot stolling in het kleuterkoetsje van waaruit Emma haar verscheurde afscheidsbrief aan Léon werpt.

Aan de haven, tussen vrachtwagens en vaten, en op de hoek van de straat staarden de mensen met grote ogen naar een in de provincie zo ongewoon verschijnsel als een rijtuig met dichte gordijntjes, dat steeds weer opdaagde, gesloten als het graf en slingerend als een schip.

Als catalogus van 'Galerie Bovary' fungeert het met dieprood RY-lakzegel opgetuigde boekje 'Ry - Pays de Madame Bovary' van René Vérard, zowel een Bovaryste als Flaubertiste van het zuiverste water. Vérard wist zelfs een foto van de koetsier uit Ry te achterhalen, die model voor de koetsier van Flauberts 'De Zwaluw' stond. Vérard schrijft onbetwist in de geest van Flaubert (Alles moet kloppen tot in het kleinste detail!) want hij besluit zijn naspeuringen met de dienstregeling van de diligence tussen Ry en Rouen rond 1846. “Wekelijks, dinsdag en vrijdag. Vertrek uit Ry: 6.45 uur 's ochtends. Vertrek uit Rouen: 4.45 's avonds. Koetsier François Thérain stierf op 7 februari 1902 in Saint-Aignan-sur-Ry in de leeftijd van 83 jaar.”

Hoewel Homais' wapenfeiten slechts uit bemoeizucht en elleboogmanoeuvres bestonden, is hij als ereburger onderscheiden. Eerst door Yonville. Flaubert besluit 'Madame Bovary' aldus:

Sedert de dood van Bovary zijn er in Yonville al drie artsen een praktijk begonnen, de een na de ander zonder succes, want Homais maakte hen binnen de kortste keren brodeloos. Hij heeft een enorme klandizie; de autoriteiten ontzien hem en de openbare mening beschermt hem.

Onlangs kreeg hij het erekruis.

Ry eert de dorpsapotheker vandaag de dag met een nagebouwde toonbank en vitrinewand waarachter tientallen duistere pillen en poeders, en onderdelen van de authentieke apotheek van M. Jouanne & Zn uit 1850. Op de vraag of dit echt de apotheek van Homais is, volgt onmiddellijk een terechtwijzing van de portier annex suppoost annex directeur van 'Galerie Bovary': “Oui, de Monsieur Homais.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden