VERDACHT

In het eerste jaar van mijn Groningse studententijd, dat was het academisch seizoen 1952-1953, ben ik een keer naar Amsterdam geweest. Het baanvak Groningen-Zwolle was juist geelektrificeerd, wat een extra aansporing betekende de reis te ondernemen.

KOOS VAN WERINGH

In Amsterdam heb ik niet veel meer gedaan dan het bezoeken van boekhandels. Zo was ik ook in de Leidsestraat bij Pegasus, de communistische boekhandel. Met enige schroom ben ik daar binnengestapt. Het aanzien van de communisten dat vlak na de oorlog tamelijk hoog was ging hard achteruit. De oorlog in Korea was nog aan de gang en in Tsjechoslowakije was het proces begonnen tegen Rudolf Slansky en dertien andere vooraanstaande communisten. Elf van hen werden ter dood veroordeeld, nadat ze de meest fantastische zelfbeschuldigingen hadden geuit. Wij, die de berichtgeving over dat proces met intense belangstelling volgden, wisten absoluut zeker dat het hier om hersenspoeling ging.

Bij Pegasus kocht ik een stapel communistische lectuur. Drie delen met toespraken van Stalin en een boekje van Andrej Wychincky, de geslepen minister van buitenlandse zaken en later nog vertegenwoordiger van de Sovjet-Unie in de Veiligheidsraad, waar hij elk voorstel met zijn veto blokkeerde. Terug in Groningen vertelde ik aan een van mijn hoogleraren wat ik in Amsterdam allemaal gekocht had. Met ontzetting keek hij mij aan. "Ben jij bij Pegasus geweest?" , vroeg hij. En toen kreeg ik een lang verhaal te horen over de gevaren bij dit communistische bolwerk iets aan te schaffen. Ik kon er zeker van zijn ergens door de BVD geregistreerd te worden, want die organisatie hield in de gaten wie in die winkel naar binnen ging. Toen ik hem vertelde ook nog wat te hebben besteld dat mij zou worden nagestuurd werd ik overladen met waarschuwingen in het vervolg beter op te letten en mij niet in te laten met personen die ik niet kende. Dat mijn naam en adres daar bekend waren achtte hij heel gevaarlijk.

Veertig jaar later kan men zich nauwelijks nog voorstellen hoe sterk het anticommunisme destijds was (in november 1956, na de Sowjet-inval in Boedapest nam het nog aanzienlijk toe). Maar het bestond terdege. Met een medestudent die gematigde sympathieen voor het communisme had heb ik jaren op gespannen voet geleefd. Heftige debatten, waarin de dolzinnigste verwijten geuit werden, waren in die jaren aan de orde van de dag.

Van de BVD heb ik naderhand nooit enige last gehad en ik ben niet benaderd door geheimzinnige figuren in vale regenjassen die geprobeerd hebben mij te chanteren, omdat ik bij Pegasus boeken had aangeschaft. Integendeel, ik heb het nog kunnen brengen tot tweede luitenant bij de Intendancetroepen van de Koninklijke Landmacht. Is er een eervoller loopbaan denkbaar?

Het begin van de jaren vijftig was ineens weer aanwezig toen ik de afgelopen zondag op een tentoonstelling in Moskou rondliep, in het Centrale Kunstenaarshuis, een in lelijkheid niet te overtreffen bouwwerk langs de Moskwa. Er hingen daar honderden schilderijen uit de jaren dertig en wel schilderijen die in die tijd tot de socialistisch-realistische kunst gerekend werden en schilderijen die in die jaren niet tentoongesteld konden worden, omdat ze niet voldeden aan de ideologische maatstaven van het partij-apparaat.

Wat ook over de misdaden van Stalin bekend geworden is - en dat is heel veel - ik acht het een goede zaak dat uit zijn tijd, toen hij als een god verheerlijkt werd, nog schilderijen bewaard zijn gebleven die nu, in de tijd van de grote ontmaskering, opnieuw getoond worden. Hoe zullen de generaties na hem ooit te weten kunnen komen in welke mate Stalin het leven in de Sowjet-Unie domineerde als zulke schilderijen vernietigd zouden zijn, ten prooi gevallen aan de volkswoede? De schilderijen die in het Centrale Kunstenaarshuis hangen presenteren hem in volle glorie, temidden van zijn generaals, of met een generaal, een blik vanaf het Kremlin over de stad, 'zijn' Moskou werpend. En dat op een oppervlak van ongeveer drie bij vier meter.

De confrontatie met die kunst die in die tijd de openbaarheid niet haalde maakt de tentoonstelling overtuigend.

Op een van de schilderijen komen nog andere kopstukken uit Stalins tijd voor, onder anderen Kalinin, Molotow en Chroesjtsjow. De laatste staat enigszins op de achtergrond, maar met dat ronde gezicht dat in de jaren vijftig tot zijn val in oktober 1964 bijna dagelijks de kranten opluisterde. Toen het schilderij ontstond was hij leider van de Moskouse organisatie van de communistische partij, waarbij er niet aan getwijfeld hoeft te worden dat hij met harde hand, in het voetspoor van de meester, de richtlijnen uitvoerde.

Op 11 december 1937 hield Stalin in het Bolsjoitheater in Moskou een redevoering ter gelegenheid van een of andere verkiezing. Hij spreekt in het 'kiesdistrict Stalin' en begint als volgt: "Eerlijk gezegd was het niet mijn bedoeling het woord te nemen. Maar onze vereerde Nikita Sergejewitsj (dat is Chroesjtsjow, vW.) heeft mij, zo zou men kunnen zeggen, met geweld naar deze vergadering gesleept. Houd, zei hij, een goede redevoering" . De redevoering staat in een van de boeken die ik veertig jaar geleden bij Pegasus gekocht heb. De inhoud doet er hier niet toe. Ik kijk nog eens naar dat schilderij waar Stalin met zijn Moskouse partijchef op staat en denk aan de goede redevoering die Chroesjtsjow uitsprak op het 20ste partijcongres in februari 1956 waar hij de vereerde Stalin van zijn voetstuk haalde. Daarna duurde het nog een generatie voordat Stalin van zijn voetstuk gehaald werd. Voorgoed???

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden