Verborgen achter zijn muziek

Jan Kobus 1948-2015

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Hij was hoorbaar maar zelden zichtbaar. Als hij klaar was op zijn orgel, verdween hij stilletjes. Hij leefde voor zijn muziek.

Het verhaal gaat dat hij afstamde van zigeuners. Dat zou de wonderlijke muzikaliteit in zijn familie kunnen verklaren. Wat daarvan klopt, is nooit uitgezocht. Maar ooit in Tsjechië kreeg hij te horen dat zijn familienaam Kobus daar bekendstaat als een zigeunernaam.

Hoe dan ook, de Kobussen zijn al generaties gevestigd in het Friese dorp Garyp, even ten oosten van Leeuwarden. Daar groeide hij op in een gezin met vijf jongens en één dochter. Zijn vader had een installatiebedrijf plus fietsen- reparatie. Het was een karig bestaan, want zijn vader had geen zakentalent. De twee zoons die het bedrijf later overnamen, hadden die gave wel, en Kobus zou uitgroeien tot een bloeiende onderneming.

Jan Kobus, de derde zoon, had geen trek in zaken. Hij had alleen maar oog en oor voor het orgel. Vrienden had hij nauwelijks. Het orgel is mijn vriend, zei hij.

Zijn vader speelde accordeon, zijn moeder viool en orgel en Jan en twee van zijn broers speelden op het harmonium, dat ze zoals zoveel protestantse families thuis hadden staan. Hoe muzikaal de familie ook was, ze speelden nooit samen. Wel stelden ze hun talent in dienst van de hervormde Petruskerk in het dorp, waar zijn moeder en zijn oudste broer de dienst begeleidden op het bescheiden orgel.

Toen zijn moeder in verwachting was en zijn oudste broer in militaire dienst moest, ging de twaalfjarige Jan achter het kerkorgel zitten. Ook al had hij al vijf jaar les gehad, ervaring met optreden had hij niet. "In het begin begeleidde de gemeente eigenlijk het orgel", herinnerde hij zich als volwassene. "Als ik het even kwijt was, zong de gemeente gewoon door. Het was de beste leerschool die ik kon krijgen."

In de vakanties zat hij elke dag zes uur lang te beulen op toetsen en pedalen. Op zaterdagen fietste hij op een oude rammelkast uit zijn vaders werkplaats door Friesland om orgels te bekijken. Op de ulo bedacht hij dat hij verder wilde in de muziek. Maar zijn vader was erop tegen. Daar valt geen droog brood in te verdienen, zei hij.

Jan volgde een boekhoudcursus en kreeg een kantoorbaan bij de zuivelfabriek in Leeuwarden. Al zijn vrije tijd besteedde hij aan het orgel. Zijn orgelleraar Bauke Zijlstra vond dat hij zijn talent verkwistte op kantoor. "Jij bent muzikant, je moet niet op kantoor zitten", zei hij. Jan liet zich overtuigen en ging naar de Muziekpedagogische Academie in Leeuwarden. Daar kon zijn vader niet op tegen zijn, want met die opleiding kon je een echte baan als muziekleraar krijgen.

Hij was nog maar een jaar aan het studeren, toen hij al gevraagd werd als leraar bij de muziekschool van Dantumadeel. "Er was een nijpend gebrek aan orgeldocenten", vertelde hij later. "Als je maar orgel studeerde, was het al prima voor muziekscholen." Toen hij op zijn 22ste zijn diploma haalde, kreeg hij een vaste baan bij de muziekschool van Buitenpost.

Intussen begeleidde hij diensten en koren. Al sinds zijn veertiende had hij ook af en toe concerten gegeven. Hij had fans, zoals de zusjes Koopmans, een drieling, die hem al in zijn jongensjaren hadden gevolgd. Vanaf het kerkorgel kon Jan ze zien zitten in de kerkbanken. Hij had vooral oog voor een van de meisjes, Gerbrich Koopmans. Ook al was hij sociaal onhandig, hij waagde het haar mee te vragen op een uitje van het kerkkoor. Toen hij 30 was en zij 24, trouwden ze. Ze kregen twee zonen.

Buitenbeentje

Als dochter van een kunstschilder in een conservatief dorp, was Gerbrich een buitenbeen-tje. Dat was Jan als eeuwige eenling ook. Ze ontfermden zich over elkaar. Zij probeerde hem wat socialer te maken, hij stimuleerde haar om te schilderen.

Hij had een druk leven. Als leraar bezocht hij zijn leerlingen thuis, 's middags na schooltijd en 's avonds was hij altijd op pad. Eerst met de fiets, later met een oude auto van zijn vaders bedrijf. Als hij te laat bij een leerling kwam, stond de moeder verwijtend te wachten. Na de lessen was er om half tien 's avonds altijd wel een koor dat nog even met hem wilde repeteren. Tussendoor at hij brood in de auto.

Bij al dat gejaag was hij ook nog een perfectionist, die er last van had als hij een foutje had gemaakt. Hij zocht ontspanning in het café. Heel het dorp wist dat Jan te veel dronk. Voordat het te laat was, stelde Gerbrich hem resoluut voor de keuze: geef de drank op of ik ben weg. Hij koos voor haar.

In 1978 ging hij weer studeren om ook les te kunnen geven aan een conservatorium. Hij voltooide die studie, maar bleef bij de muziekschool. Jan was vaste organist bij drie kerken op orgels uit de Romantiek. Zijn eigen dorpskerk in Garyp, de Petruskerk, bleef hij altijd trouw, ook al had het orgel maar één klavier. In het dorp Wartena speelde hij op twee klavieren en in de Koepelkerk van Leeuwarden had hij drie klavieren.

Voor de status van organisten is het aantal klavieren van belang. Maar Jan gaf daar niet om. Hij leefde voor de muziek, niet voor zijn carrière. Als er een aantrekkelijke positie op een groot orgel vrijkwam, weigerde hij er te gaan voorspelen. "Ze weten toch wel of ik goed genoeg ben", zei hij dan. Na een concert verdween hij stilletjes naar de uitgang; napraten en netwerken deed hij niet. Jan was hoor- baar, maar zelden zichtbaar.

Orgelmuziek werd tijdens zijn leven minder populair. Door de ontkerkelijking slonk het aantal mensen dat opgroeide met orgelklanken. En de jongeren hadden hun eigen muziek. In de jaren zeventig was er nog even een opleving toen er in de popmuziek vaak elektrische orgeltjes werden gebruikt.

Elk jaar was het de vraag hoeveel lesuren Jan zou krijgen. De orgelleraren gingen ook lesgeven op keyboard, een computer met begeleidingsautomaat, die alle mogelijke klanken kunnen voortbrengen. Jan had een hekel aan die dingen. Dat gepruts aan de instelknoppen stond hem tegen, dat was hem veel te technisch en het apparaat had geen eigen karakter zoals een orgel.

De alcohol verleidde hem weer. Deze keer kwam hij er met therapie van af en hij dronk nooit meer een druppel.

Veel spanningen verdwenen toen hij als leraar op zijn 63ste met pensioen kon. Hij deed veel in het huishouden en hij noemde zichzelf de washeer. Verder werkte hij graag in de tuin waar hij genoot van kleine dingen. Maar het orgel bleef nummer één. In vakanties trokken ze van kerk naar kerk. Op markten speurde hij naar muziekboeken en partituren. Van al zijn optredens hield hij plakboeken bij; hij had er uiteindelijk 55.

Met Kerstmis vorig jaar kreeg hij een bacterie in zijn oog. Dat was het begin van veel ellende. Hartproblemen en kanker in verscheidene organen waren de voorbodes voor een lijdensweg. Dit voorjaar ging het beter. De avond voor Pasen speelde hij weer even voor zichzelf in de dorpskerk en hij maakte weer plannen. Met Gerbrich zou hij een georganiseerde cultuurreis naar Italië maken. Zes weken geleden zei hij nog: "Nog even die hartoperatie en dan begint ons nieuwe leven."

Toch ging het mis. In zijn laatste weken was hij met zijn plakboeken bezig. Van twee kerkdiensten was hij de liturgie kwijt. Toen hij de blaadjes gevonden en ingeplakt had, sloeg hij het boek dicht en zei: "Het is klaar."

Jan Kobus werd geboren op 24 maart 1948 in Wergea, Friesland. Hij stierf op 30 juli 2015 in Garyp, Friesland.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden