Verbeter begeleiding van adoptieouders

Op Podium vroeg onlangs de sociologe Agien Roeloffs zich af of een buitenlands adoptiekind dat vreselijke dingen heeft meegemaakt en ernstig gedepriveerd is, wel kán gedijen in een westers gezin waar alles om emotie draait (Podium, 10 november).

Roeloffs heeft volkomen gelijk dat ze dit probleem benadrukt. Aan adoptieouders worden bijzondere eisen gesteld en deze eisen zijn, gezien hun ervaringen, verwachtingen en verlangens, niet altijd reëel. De onderzoekster Anneke Vinke benadrukt in haar reactie op Roeloffs dat er tegenwoordig meer gevraagd wordt van adoptieouders (Podium, 23 november).

Vinke en Roeloffs ontmoeten elkaar hier. Toch legt Vinke er meer de nadruk op dat vele adopties goed gaan, zonder overigens te ontkennen dat het in sommige gezinnen heel moeilijk kan zijn. Roeloffs heeft vooral het oog op de groep adoptieouders die grote en soms onoverkomelijke opvoedingsproblemen ervaren. Vinke heeft het meer over wat al bereikt is in adoptieland, Roelofs over wat nog niet bereikt is en misschien ook niet bereikt zal worden.

Veel adoptieouders willen met liefde en aandacht hun adoptiekind grootbrengen. Sinds ongeveer 1985 komen er gemiddeld 700 tot 800 kinderen per jaar uit landen als China, Columbia, India, Brazilië, Roemenië, Korea en Polen naar Nederland, in doorsnee zo'n twee jaar oud. Veel van deze kinderen zijn in hun land van herkomst matig tot slecht verzorgd. Dit betekent dat adoptieouders inderdaad, zoals Vinke stelt, over extra zogenoemd 'pedagogisch kapitaal' moeten beschikken. Ik benadruk al vele jaren dat de nazorg voor adoptieouders van het grootste belang is. Van veel groter belang dan Vinke met haar opmerking 'verder mogen de nazorg en de praktische ondersteuning niet vergeten worden' lijkt te doen. Maar Vinkes zorgvuldige proefschrift 'Geschikt voor het adoptiefouderschap' ging ook niet over de fase ná de plaatsing. Centraal staan bij haar de voorbereiding en de eventueel betere selectie van de aspirant-ouders vóór het adoptie-avontuur, de beginfase.

Nu is de Raad voor de Kinderbescherming verantwoordelijk voor de adoptie-beginfase. De Raad selecteert uiteindelijk de ouders. Deze moeten eerst de cursus van de Stichting Voorbereiding Interlandelijke Adoptie volgen en vervolgens ook het verplichte gezinsonderzoek ondergaan. Vanaf 1970 wordt gemiddeld per jaar minder dan één procent van de onderzochte adoptieouders door de Raad afgewezen. Omdat het uit de praktijk en bevestigd door wetenschappelijk onderzoek bekend is dat veel adoptieoouders van een buitenlands kind grote opvoedingsproblemen moeten overwinnen, en de adoptie-beginfase al zo gedetailleerd vastligt, kun je je afvragen of er wel veel behoefte was aan Vinkes onderzoek. Was een onderzoek naar de behoefte aan nazorg en de wijze waarop dit door adoptieouders en pleegouders kan worden georganiseerd, niet veel relevanter geweest? Daarmee waren adoptieouders beter gediend geweest.

Gelukkig groeien de meeste adoptiekinderen op tot goed in de samenleving geïntegreerde volwassenen. Dit gaat echter bij de meeste adoptiegezinnen niet zonder slag of stoot. In sommige gezinnen, en dit zijn er nog altijd te veel, gaat het met wel heel grote problemen gepaard. Dit is de groep die Roeloffs bedoelt. Vaak zijn het inderdaad gezinnen die als het ware een kind van een andere planeet krijgen. Een kind dat geleeerd heeft te overleven in omstandigheden, totaal ongeschikt voor een normale, stabiele ontplooiing. De opvoedingseisen die dan voor adoptieouders gelden, hebben met de gewone dagelijkse opvoeding niet veel meer te maken. Deze ouders moeten inderdaad therapeut zijn, en daarbij altijd gevoelens van liefde, aandacht en verantwoordelijkheid voor het kind blijven bewaren. Gevoelens die zij echter alleen op therapeutisch verantwoorde wijze kunnen tonen.

Roeloffs heeft gelijk waar zij benadrukt dat er veel meer oog voor de situatie in deze gezinnen moet zijn. Daarmee pleit zij voor nazorg specifiek georganiseerd voor adoptieouders, voor adoptiespecialisten in de hulpverlening. Veel pleegouders hebben overigens met vergelijkbare problemen te maken. Als adoptie- en pleegzorg wordt gecombineerd wordt organisatie van specialisten in de hulpverlening ook mogelijk. Dan krijgt Vinke haar zin, waar zij pleit voor optimale ontplooiingsmogelijkheden voor het adoptiekind. Ook de mentale beschadigingen van vroeger zwaar verwaarloosde adoptiekinderen worden adequaat aangepakt. En Roeloffs ziet dan hopelijk steeds minder adoptieouders hun nood klagen bij de Landelijke Oudervereniging Gezinsproblematiek Adoptie.

René Hoksbergen is hoogleraar adoptie aan de Universiteit Utrecht

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden