Veranderingen / Eerherstel voor een iezegrim

Vóór euthanasie op sommige baby'tjes, tegen pseudogelovig gebrabbel op de kansel: J.H. van den Berg vond en vindt veel. Eerherstel voor een kamergeleerde van on-Hollands formaat.

De grote man van zijn zelfgebouwde metabletica, emeritus hoogleraar dr. Jan Hendrik van den Berg (88), heeft zijn levenswerk gemaakt van de studie der gelijktijdige veranderingen. Een originele, dwarse geleerde C¡kgenoten halen voor deze grasduiner in wiskunde, entomologie, theologie, geschiedenis, psychiatrie, filosofie, fenomenologie enzovoorts hun neus op. Maar zijn boek 'Metabletica' (1956) kreeg wel 26 drukken en werd tot in het Japans vertaald. Het maakte hem in zijn tijd tot Nederlands succesvolste filosoof.

Veranderingen berusten niet op toeval, stelt hij, ze zijn er niet zomaar, er zijn nieuwigheden die niet worden 'ontdekt', zoals de natuurwetenschap soms ontdekt wat er altijd al was (Pluto, de bloedsomloop, de stelling van Pythagoras).

Van den Berg betoogt bijvoorbeeld dat de puberteit pas in de afgelopen eeuw werd ontdekt omdat ze tevoren niet bestond. De puberteit kon pas ontstaan, toen jonge mensen niet meer vanaf hun prille jaren vanzelf in het leven, de arbeid en de voetstappen van hun ouders, grootouders en naaste omgeving traden - toen hun onmondigheid als het ware kunstmatig werd verlengd en ze almaar moesten blijven leren: de metabletica van de adolescentie.

Hub Zwart (42) is filosoof, psycholoog in Nijmegen. Van den Bergs glorietijd heeft hij dus nooit gekend, sterker: hij heeft zich pas een jaar of vijftien geleden in hem verdiept. Maar nu is er zijn 'Boude bewoordingen', een kloek werk, geen biografie, geen wolk wierook van een adept, wel een gewogen geschiedenis van VdB's leven en werken. Met waardering en kritiek en bovenal informatief. En natuurlijk onderhoudend, want zijn hoofdpersoon is me er eentje.

Zwart zoekt met zijn boek een zeker eerherstel voor deze ongewone kamergeleerde, die zich onmogelijk maakte omdat hij zich in de ogen van alle specialisten aan de canon van hun methodologie vergreep. Maar ook Zwart wijst erop dat Van den Berg meer dan eens domweg de plank mis sloeg, dat hij een reactionaire mopperaar werd en vooral dat deze sublieme fenomenoloog met zijn fijnzinnig observatievermogen en grote eruditie oogkleppen op had als het ging om metabletische zelfkritiek. Dat laatste maakte hem ook een beruchte zondaar tegen het gebod de eigen boude beweringen te 'falsificeren': bij het analyseren van zijn synchrone veranderingen was hij in eigen zaak maar een slappe advocaat van de duivel.

Zwart neemt de lezer mee langs Van den Bergs boeiende standpunten, inzichten, raadgevingen. Vaak verrassend, niet in te delen in de vaste kaders van geloof en moraal. Zo pleitte hij veertig jaar geleden al ronduit voor euthanasie, zelfs voor actieve levensbeëindiging bij bijvoorbeeld pasgeborenen voor wie levensverlenging in de ogen van de arts niet zinvol was. Hij was zich ervan bewust dat hij een taboe doorbrak en deed het zonder schroom. Een boek of hoofdstuk later kun je hem weer tegenkomen als criticus van Darwin, van allen die de wonderen der natuur wegverklaren tot evolutie. De mathematisch en medisch gevormde Van den Berg haalde zijn neus op voor wie alles wist over het fysiologie van het menselijk oog maar niets over het zien en over de blik.

Vooral in confrontatie met geestverwanten/tegenstanders als Schleiermacher, Freud, Lacan, Foucault of Linschoten komt er een intigrerend portret naar voren van een lastig heerschap. En of je zijn mening deelt of niet, het is wel smullen van zo'n rechttoe-rechtaan kritiek op bijvoorbeeld de Rogeriaanse therapie. De cliënt (die geen patiënt mag heten) en de counsellor (die geen therapeut mag heten) voeren een gesprek dat bij nader inzien geen gesprek is maar een gecompliceerde monoloog. De counsellor luistert, doet niets, of liever: hij doet niet niks maar niets. Cliënt en counsellor zijn gelijk gemaakt: de autoritaire Van den Berg gruwt ervan.

Betrekkelijk beknopt blijft Zwart over Van den Bergs verhouding tot godsdienst en geloof. Van den Berg mocht zich ook godsdienstpsycholoog en pastoraal psycholoog noemen en met zijn 'Metabletica van God' (1995) drong hij al even eigenzinnig door in het kroondomein van kerk en theologie. En dichtte hij God een niet geringe rol toe in de onderbouw van zijn eigen metabletische visie op de maatschappij.

Vorig jaar verscheen in Trouw nog een interview met Van den Berg. De oude iezegrim stelde niet teleur. Nederland was niks, één grote aftakeling, zonder fatsoen, de proefschriften aan onze universiteiten waren van droevig laag niveau, godgeleerde professoren geloofden geen bliksem meer en in onze kerken zijn preken 'populair gebrabbel', ,,we zijn ons als zotten aan het vertillen''.

Van den Berg zei nog wat, over zijn stokpaardje - de metabletica van de architectuur.

Sinds de middeleeuwse gotiek heeft het hoge, symbool van spiritualiteit, steeds meer moeten wijken voor het horizontale, voor de illusie van gelijkheid. De architectuur loopt bij de syn chrone veranderingen voorop, gelooft hij. De veranderingen 'zijn een teken dat God een nieuw wapen in de strijd gooit'. Het interview met Van den Berg verscheen in de krant van 11 september 2001.

Diezelfde dag vlogen vliegtuigen in de naam van God in het grootste horizontale gebouw en in de hoogste wolkenkrabber. Van den Berg werd zo onbedoeld zelf een huiveringwekkend metabletisch fenomeen, heenwijzend naar lessen die doen verlangen naar een geloof dat elke verandering maar toeval is.

Hub Zwart: Boude bewoordingen, de historische fenomenologie ('metabletica') van Jan Hendrik van den Berg; uitgeverij Klement Kampen, € 23,50, ISBN 9077070265.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden