Ver voorbij het kippenhok

Op den duur was niets meer te gek in de Nederlandse vakantieparken

Compleet en rijk geïllustreerd boek, soms wat breedsprakig, maar met enthousiasme geschreven

paul van der steen

Een architect kwam er in eerste instantie niet aan te pas. De eerste vakantiehuisjes in Nederland waren dikwijls het werk "van den dorpstimmerman, waarbij het gebruikelijke model dat van het sigarenkistje was". Aanvankelijk waren het er niet heel veel, maar het fenomeen won snel aan populariteit. "De zaak is namelijk, dat men tegenwoordig volstrekt geen rijkaard behoeft te zijn om zich een landhuisje aan te schaffen", schreef het tijdschrift Buiten al in 1926.

Toen enigszins duidelijk werd hoeveel behoefte er aan dit soort recreatie zou kunnen zijn, gingen typisch Nederlandse processen hun stempel drukken op de vakantieaccommodaties, laat architectuur- en stedenbouwhistorica Mieke Dings zien in haar overzichtswerk 'Tussen tent en villa. Het vakantiepark in Nederland 1920-nu'.

Bij verzuild Nederland pasten speciale parken voor elke gezindte. En waar ruimte toch al een steeds schaarser goed werd, waren planning en regulering onontkoombaar. Want na de eerste pioniers kwam de massa, en met de massa kwamen de problemen.

De parken waren, zoals een Groningse inspecteur voor de volkshuisvesting het in 1936 omschreef, als een onkruid dat geordend moest worden. Overheden hielden streng toezicht en namen soms zelf de teugels in handen. Die actieve betrokkenheid voorkwam dat, zoals in buurland België, huisjes op vrijwel elke plaats in de natuur konden opduiken. En het dwong ondernemers en de door hen ingehuurde ontwerpers tot scherp nadenken.

Nederland, inmiddels het land met misschien wel de hoogste vakantieparkdichtheid ter wereld, was lang zoekende. Op meerdere terreinen trouwens. "Een definitieve vorm voor de gebouwtjes, die tot het verblijf der gasten dienen, is nog niet gevonden", constateerde een medewerker van de Rijksdienst voor het Nationale Plan in 1954. "Evenmin trouwens als een definitieve naam, waarmede zij aangeduid worden." De Kampeerraad stelde de term 'kamphut' voor. Maar waar Zwitsers hun 'Berghütte' koesterden, voelde het vooruitzicht van vakantie in een hut voor veel Nederlanders toch als een soort straf. Het uit het Engels en Amerikaans overgewaaide woord bungalow raakte wel in zwang.

Dat paste ook bij de ontwikkeling die de vakantiehuisjes doormaakten. In de beginjaren was sober goed genoeg. Boeren maakten daar slim gebruik van. De kippenhokken die in de zomer leegstonden werden schoongemaakt en kregen een likje verf, waarna ze met wat eenvoudige meubeltjes dienst konden doen als onderkomens voor toeristen. Stadsvee in plaats van pluimvee.

In plaats van de dorpstimmerman opperden serieuze ontwerpers hun ideeën over de vakantieparken. Iemand als Gerrit Rietveld maakte op dit terrein nauwelijks naam. Jaap Bakema, eerder verantwoordelijk voor de Rotterdamse Lijnbaan, zou in belangrijke mate bijdragen aan de Sporthuis Centrum-formule van ondernemer Piet Derksen. Onder de latere naam Center Parcs zou de ontwikkeling naar luxe en bijna overdaad alleen nog maar verder gaan. Een door het bos gestrooide verzameling huisjes voldeed al lang niet meer. Ontwerpers dachten in sferen. Vakantie diende een belevenis te zijn. Met de welvaartstoename was de vrees voor 'vermaakfabrieken' en het 'massaal-passieve Amerikaanse karakter' van vakantieoorden verdwenen.

Bungalowparken gingen steeds meer lijken op attractieparken. Subtropische zwemparadijzen waren nog maar het begin. Andersom ontdekten de pretparken de vakantieaccommodatie als inkomstenbron en methode om mensen langer vast te houden. Nederland, ooit wat laat met de ontdekking van het huisje, liep inmiddels voorop. Toen topman Michael Eisner van Disney wilde kijken wat hij kon leren van succesvolle Europese leisure-concepten, kwam hij de kunst afkijken bij Center Parcs.

Dings gaat diep in op de geschiedenis van de Nederlandse vakantieparken, erg diep zelfs. Soms lijkt het erop alsof werkelijk geen planologische nota aan haar aandacht ontsnapt. Die uitvoerigheid is verklaarbaar. Behalve de historie van afzonderlijke vakantieparken of van bepaalde ketens en beschrijvingen van ontwerpen van architecten voor toeristische onderkomens verscheen er tot nu toe niet of nauwelijks geschiedschrijving die het totaalplaatje van een toch behoorlijk omvangrijke sector liet zien.

Dings is soms wat breedvoerig. Dat compenseert ze door haar enthousiasme. Daarbij komt dat 'Tussen tent en villa' een oogstrelend mooi boek is, bomvol illustraties die de tijdgeest van de verschillende periodes opnieuw tot leven brengen.

Een aantal vragen blijft goeddeels onbeantwoord. Zelfs Dings' dikke, op het oog behoorlijk volledige vakantieparkenbijbel vraagt om vervolgonderzoek. Wat was bijvoorbeeld de invloed van de Nederlandse stedenplanning met zijn bloemkoolwijken op de manier waarop vakantieparken werden aangelegd? Maar misschien nog wel belangrijker: welke invloed had de in deze lustoorden opgeroepen wereld op de nieuwe, minder sobere vormen van Nederlandse woonbuurten, het 'wilde wonen'? Huizen direct aan het water, liefst met een eigen steigertje. Het terugvallen op schaamteloos nostalgische of fantasievolle ontwerpen voor woningen. 'De herontdekking van leuk' begon mogelijk tijdens de vakantieweken.

Mieke Dings: Tussen tent en villa. Het vakantiepark in Nederland 1920-nu

Nai010; 544 blz. euro 39,50

undefined

Heilstrijd via hervormde huisjes

Goed hervormd recreëren. Ontspannen en tegelijkertijd dichter tot God komen. Dat was het doel van het vakantiepark dat begin jaren vijftig naast het landgoed De Horst in Driebergen verrees, waar Kerk en Wereld destijds was gevestigd. In de folder van 'Het Grote Bos', zoals het nieuwe oord ging heten, werd de noodzaak nog eens uitgelegd: "Vooral voor de mens, die gedoemd is in het mensenpakhuis 'stad' te leven, is een bewuste ontmoeting met de natuur opdracht van deze tijd. Want al is hij er ook in geslaagd zich te verpakken in een geriefelijke etagewoning van alle gemakken voorzien, ergens op de derde verdieping van een grote-stads-straat, hij blijft een zeer waardevolle zaak missen, namelijk het onmiddellijke contact met de natuur, door middel van de goede natte aarde."

Die 'goede natte aarde' werd toch een beetje op afstand gehouden. Waar aanvankelijk was gedacht aan kamperen, vonden de initiatiefnemers huisjes uiteindelijk toch wat geschikter voor hervormde families. Het Grote Bos wilde een op gezin en gemeenschap gericht alternatief voor de 'gedegenereerde stadscultuur' en de 'sport- en verdwazingsindustrie'. Na het park in Driebergen volgden er nog enkele. Kerkwerker Theo Rijks zag ruimte voor minstens 25 van dit soort 'kathedralen van de toekomst, waar de mens die van zichzelf, van zijn medemens, van de natuur en van God is vervreemd, zichzelf kan terugvinden'.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden