Venetianen zijn ware wanboffers

Drommen toeristen bewonderen Venetie. Geen stad met zoveel schoonheid is zo van haar gasten afhankelijk. Toch worden zij met minachting ontvangen. Venetie wentelt zich zelfvoldaan in het verleden. Is er toekomst voor dit openluchtmuseum? In een wijkje krijgt de cultuur van de twintigste eeuw voet aan de grond. Alle grenzen in de EG moeten na 1992 zijn geslecht, alleen de cultuur van de lidstaten afzonderlijk kan op bescherming rekenen. Trouw geeft een beeld van hun culturele identiteit. Na GRIEKENLAND, DUITSLAND, PORTUGAL, BELGIE, DENEMARKEN, IERLAND, GROOT-BRITTANNIE, NEDERLAND en FRANKRIJK vandaag deel 10:ITALIE. Zie ook pagina 6 en 7

Als Christofoor draag ik mijn metgezel op de rug over de oever van het canal de albergo binnen, met een reuzenstap over de ijzeren plaat die in de deurpost zit geklemd. Ik ken het hoogwater van foto's in de krant, komkommernieuws als het monster van Loch Ness. Maar in het echt is het anders. Hoe bestaat het! De hoteliere haalt gebukt boven een dweil haar schouders op: "Zolang er hier mensen wonen op Rialto, Cannareggio, Giudecca, is er acqua alta maar pas sinds het rara (uitzonderlijke) hoogwater van 1966 voelt de wereld umidita (nattigheid). Pas na nog een keer hoogwater in 1967 werd de wereld wakker. In november 1968 vloog de Amerikaanse televisie alvast over voor de gebeurtenis van het jaar. Hadden ze pech, geen hoogwater... We hebben het ieder jaar un poco (een beetje) en vandaag piu poco (een beetje meer). De stad rot langzaam weg, maar ach (zeggen haar schouders), ik ook. Het zal mijn tijd wel duren."

Onderwijl is de dweil uitgewrongen, zijn mijn schoenen uitgetrokken en wordt mij een sambuca ingeschonken: deze schat vraagt om een fooi. Tevreden neemt ik twee flessen water in ontvangst ( "Scusate! In heel Cannareggio is door het water de waterleiding gesprongen" ) en sop op mijn sokken naar boven, de nacht in.

Wit verdringt het zwart van de nacht - ontwaken in Venetie. Zonnestralen schieten de spleten van de luiken binnen. Water weerkaatst de dag. Een blik door het venster valt op de zilveren buik van een vis op een kraam. Kabeljauw in alle maten doet mij hevig naar een stevig ontbijt verlangen. Ik borstel het zout van mijn schoenen en stap naar buiten in het volle licht.

Om dit licht en om dit water ben ik van huis gegaan, een uit de schare reizigers die Venetie bestaansrecht geeft. De gemeentebegroting drijft immers op de kurk van de souvenirsbranche en de horeca. De beroepsbevolking is als nergens anders in Italie zo afhankelijk van het toerisme. Rome en Florence bieden meer dan kunst, zoals bedrijven, bordelen, conferentieoorden. Venetie is een openluchtmuseum.

De piazza San Marco voor de basiliek is tot het ochtendgloren pleisterplaats van interrailers en cruise-gangers. Gondeliers vragen hun vijftig gulden per persoon voor een boottochtje van een half uur. Hoe dichter je bij de San Marco komt, hoe feller het geel van de kodakdoosjes in de kiosken. Een een fles blauwe spa kost daar natuurlijk het driedubbele van die in het winkeltje naast het hotel, zoals een Italiaan op zijn beurt rond het Waterlooplein genept wordt.

Toch is Venetie ook een stad met inwoners die er hun leven slijten en sterven. Steenhouwers en bloemisten doen in de straatjes naar de Fondamente Nuove goede zaken - hier vertrekt de vaporetto naar San Michele, het kerkhof waar naast de componist Stravinsky en de choreograaf Diaghilew duizenden Venetiaanse doden liggen opgestapeld. Als ik er ben is het met drie begrafenissen spitsuur. De zaken gaan zo goed dat achter het eilandje nieuwe grond wordt aangeplempt.

Morte a Venezia, maar Mann en Visconti ten spijt, op de andere eilanden zindert het van het leven. Alleen het verst gelegen eilandje Torcello, in de oudheid machtiger dan Rialto, is vrijwel uitgestorven en slechts wat plukjes toeristen hebben er een flinke boottocht voor over om de indrukwekkend eenvoudige mozaieken in het kerkje te bewonderen: hemel, vagevuur en hel, een vroege afschildering van Dantes 'Divina Commedia'.

Elders in de stad bepalen toeristen het straat- en waterbeeld - unisex in regenjas, solo met rugzak bestaat ook nog altijd, struise Engelse bejaarden, kortgebroekte Scandinavische oudere jongeren, vierkoppige Nederlandse gezinnetjes. Maar daar tussendoor zijn ze te ontwaren: echte Venetianen. Buggy's hobbelen over de bruggen, op de campi showen vaders trots hun dochters, tieners slenteren langs de kades.

In het schemerige cafe Il Mascaron voeren twee studenten (beoordeel ik hen op hun uiterlijk) het hoogste woord over een postmodernistisch thema. Een patjepeeer van een barman bruskeert mijn goedwillende Italiaans en serveert vino frizzante in plaats van zonder belletjes bij de gekookte in plaats van gefrituurde inktvis. Een vrouw komt ongenood aan mijn zijde zitten en trapt haar pumps uit opdat haar voeten vrijuit ademen. Tegenover me reinigt een autochtoon met een tandestoker het grensgebied tussen montuur en brilleglazen. Ben ik Venetiaan onder de Venetianen? Toerist ben ik, op zoek naar schoonheid! Met dat soort plaatselijke gebruiken wil ik niets te maken hebben. Ik proest de droesem terug in het glas, verlaat hals over kop dit hol en spoed me naar de eerste de beste vaporetto. Na een rondje of wat over het water word ik een beetje dronken van het licht. Ik reis in mijn hoofd en bouw mijn eigen diffuse stad op uit een mozaiek van beelden. Het is mijn Baedeker die ik samenstel uit eerdere bezoeken, observaties van Ruskin en Couperus, 'Don't look now' en andere speelfilms, plus de ontdekkingen op deze reis.

Het oudste reisverslag uit Venetie uit 1480 verhaalt van de Sala del Maggior Consiglio in het Palazzo Ducale in de dagen van de doges. Over de schilderingen wordt niet gerept. De pelgrim van toen gaat het om de relikwieen die hij ziet en aanraakt: de arm van de evangelist Lucas, het dijbeen van de heilige Ursula, een doorn uit de doornenkroon van Christus. De reiziger van nu aanbidt kunst. In een tijd dat de bewijsstukken van het geloof curiosa zijn geworden, neem ik mijn toevlucht tot de beelden van de geest. Dit domein is in Venetie het werkterrein van i pittori, de schilders.

Ik word regelmatig overrompeld door schoonheid. Wel moet ik enige hindernissen overwinnen: een cassiere omkopen, een deur forceren, een suppoost om de tuin leiden. De gemiddelde museumemploye interesseert zich niet voor zijn clientele, heb ik empirisch onderzocht. 'Alcune sale sono chiuso' (enkele zalen zijn dicht) vermeldt een kladje achter de kassaruit geplakt: niemand in de Accademia legt me uit waarom ik deze mededeling pas mag ontcijferen als het briefje van 10 000 lire al uit mijn handen is gegrist, laat staan waarom mij het schilderij van mijn dromen in een van die zalen onthouden wordt. 'Il museo e temporaneamente chiuso per disallestimento mostra' (het museum is tijdelijk gesloten vanwege het afbreken van een tentoonstelling) is in hanepoten gekalkt op de deur van Museo Fortuny. Ik kom over bergen en zeeen hierheen om het atelier van mode-ontwerper/fotograaf/schilder Mariano Fortuny binnen te treden en alle kranten in Venetie melden in hun agenda dat het museum aperto (open) is!

Che peccato! (schande!) roep ik in hun moerstaal. De Accademia, met de status van het Rijksmuseum of het Louvre, is de helft van het jaar alleen 's ochtends open. Suppoosten zijn ziek of plassen en de zaal gaat voor het gemak dicht. Bordjes bij de schilderijen ontbreken, zijn in ieder geval nooit in het Frans of Engels. De portier van de Pala d'Oro (het gouden altaarstuk in de San Marco) ruikt naar ui en die van de Campanile (de toren op het plein) riekt naar bier. De minachting voor de kudde toeristen straalt van hen af. Het begint me zo te irriteren, die arrogantie van de toeristenindustrie: ik verklaar me solidair met de reisgezelschappen die de kerken in- en uitgejaagd worden. Ik beloof mezelf plechtig nooit meer neerbuigend te denken over Japanners en Duitsers en ander bevolkingsgroepen die het liefst collectief en snel cultuur genieten: wij allen dienen gastvrij ontvangen te worden. Natuurlijk, ik ken hem ook, de toerist die in een uur het Rembrandthuis en Anne Frank en de Zaanse Schans verschalkt en dus in Nederland is geweest. In Harry's Bar kom ik hem tegen in de persoon van Geoff, Johnno en Vic, drie gezellig gepensioneerde Australiers op wereldreis. Gisteren nog in Athene, vanochtend Rome, nu Venetie, morgen Parijs, overmorgen Londen. Europe is beautiful, vooral cafe's: hun vrouwen bezoeken de kathedraal van de dag en zij keuren het plaatselijke pilsje. Mogen ze? Hotel Danieli vaart er wel bij, met 700 gulden voor een nacht.

Ik ben hier voor i pittori. Want nergens dan in Venetie hangt 'La tempesta' ('De storm') van Giorgione. Ik sta met mijn neus op het doek van nog geen meter omvang. Na een uur schuifelen door de Accademia word ik bevangen door sensatie. Ik zie een jongen, rood hesje, witte blouse, korte strakke broek. Brutaal kijkt hij naar een vrouw die - bijna naakt - een kind de borst geeft. Ik zie de vrouw, zij kijkt naar mij. Betrapt. Op de achtergrond stormt het.

Ben ik getroffen door de uniciteit van de voorstelling, door Giorgione zo geschilderd en door niemand anders? Dat repetitie niet per se verveelt word ik gewaar na een Madonna of twintig. Zo'n Maria heb ik nog nooit gezien en dat zegt veel voor een katholiek opgevoed mens. 'La Madonna in trono' van Giovanni Bellini toont Franciscus, Sebastiaan, Johannes de Doper, Job, engeltjes met viool en luit, en op een troon boven hen Maria in het blauw, met het kindje Jezus op de knie. Alles is statisch, uitgezonderd het gezicht van Maria. Met een zweem van ongenaakbaarheid kijkt een bloedstollend mooie jonge vrouw vanaf een troon voor zich uit. Ik loop voor het doek heen en weer, ze vangt mijn ogen zoals me dat kan overkomen op de vaporetto, een gestolen blik tussen de menigte door. Sancta Maria, ora pro nobis.

Al deze schoonheid houdt zich staande in een omgeving van verval. Ik weet dat het de romantiek van Venetie is, maar als niemand ingrijpt blijft er helemaal niets meer van over. Ik dwaal door de straatjes en deel in de vredigheid die de wandelaars gemeenschappelijk hebben: geen drukke stad zo rustig als deze auto- en fietsvrije enclave. Maar het acqua sijpelt langs de stenen, fundamenten zijn poreus, de dieselwalm van de boten kleeft aan de muren. Als er niets gebeurt, woekert schimmel op de schilderijen en snijden bendes het doek uit de lijsten.

De Unesco en de EG zijn toch sinds jaar en dag in de weer de stad te redden? Ik leg mijn ongeduld voor aan Feliciano Benvenuti, die presidente is van het 'Istituto Veneto di Scienze, Lettere ed Arti', procuratore van de Tesori (schatten) di San Marco en nog zo een en ander. Hij mag bevestigen wat diverse notabelen me bezweren: "Studies en experimenten van het 'Consorzio Venezia Nuova' bieden uitzicht op een oplossing tegen het einde van deze eeuw. Binnen een jaar of vijftien moet het afgelopen zijn met uitzonderlijk hoog water." Maar Benvenuti is een wijs man en zegt er bedachtzaam dreigend bij: "Het probleem van het hoogwater is een test voor de gehele klasse van Italiaanse en Venetiaanse politici en ondernemers."

Schuifwanden in de mondingen van de lagune, die bij hoogwater dichtgaan, moeten straks rekening houden met de doorvaart van grote schepen en de vangst van mosselen. Het Nederlandse TNO onderzoekt hoe de stinkende algengroei bestreden kan worden. Maar al die studies duren zo verschrikkelijk lang. Snelle besluitvorming is Italie's sterkste punt niet. Ik maak een voorbeeld mee op een bijeenkomst, waar het bedrijf 'Tecnomare' een noviteit presenteert: een plastic meerpaal, ter vervanging van de houten paal. De zeventigduizend briccole markeren de vaargeulen in de lagune en je kunt er je gondel aan vastknopen. Een houten briccola kost drieduizend gulden en moet na vijftien jaar vervangen worden - de bomen komen uit de Ardennen en Slovenie. In plastica haalt een paal met gemak de eeuwigheid. Maar een onorevole verde (geachte afgevaardigde van de Groenen), de parlementarier Alessandra Cecchetto Coco, dient de vazal van 'Tecnomare' van repliek: "Geen namaak in de lagune! De levensduur van een paal komt trouwens mooi overeen met de groei van nieuwe aanplant."

Plastic palen of niet, in de stad wordt er tegen de klippen op gerestaureerd, van de facade van het Ca d'Oro aan het Canal Grande tot de Santa Maria dei Miracoli (wat een vriendelijke, geurloze suppoost heeft dit kerkje toch). En dan is er nog 'Wet 145', aanvaard door het Italiaanse parlement, die samenwerking tussen de nationale musea moet bevorderen. Professore Benvenuti is optimistisch over de plannen die een comitato tecnico in april presenteerde: de elf belangrijkste kerken worden tot de musea gerekend en krijgen met onder andere de Accademia geld voor verwarming en bewaking, tegen vocht en vandalisme. Benvenuti staat op goede voet met de Soprintendenza (inspecteur) kunstzaken van de gemeente die hem zojuist nog verzekerde "dat het programma met maar een heel korte vertraging uitgevoerd kan worden."

Daags na de bekendmaking van de plannen protesteren prompt de andere 96 kerken in La Nuova di Venezia: mogen zij van de zes miljoen gulden die het project kost misschien ook iets krijgen, liefst een half miljoen per jaar, om bewakers te betalen? Ze hebben al eerder gedreigd de poorten te sluiten.

In de San Giobbe heb ik het door: de Venetianen zijn ware wanboffers met hun kerken. Dit godshuis in Cannareggio is er een van dertien in een dozijn. Het schilderij van Bellini van de Madonna met Job en de andere heiligen hangt al lang niet meer boven het altaar, maar hoog en droog in de Accademia. Hier komen dagelijks tien mensen uit de buurt en anderhalve toerist. Waarom zou San Giobbe nog eens de dag des oordeels moeten beleven? Moet-ie soms in plastica gegoten worden? Kerken in Venetie zijn in middeleeuwen en renaissance gebouwd in triomf over de pest, of over het hoogwater, of over andere bedreigingen van buitenaf, of zomaar ter ere van Job, Zacharia, Sebastiaan, Johannes, Stefanus, Franciscus, Laurentius, Michael, Antonius, Martinus of Jacobus, en Maria. De kerken zijn vrucht van hun tijd: dat deed je toen met je goede geld als je dankbaar en dienstbaar wilde zijn. Nu hoeven er niet meteen overal meubelhallen in te komen, maar een vrolijker lot dan verval zou ik een aantal bedehuizen wel toewensen.

De San Stae neemt het lot in eigen handen. Ik had er op het concert op zaterdagavond in een afgeladen kerk liever het 'Exulta filia Sion' gehoord van Monteverdi, de maestro di cappella van de San Marco, of werk van een andere Venetiaanse componist, maar het hobo-vioolkwartet van Carl Stamitz was tenminste iets. De San Leonardo is als enige kerk een stapje verder gegaan. Hier repeteert de plaatselijke jazzvereniging: door de deur op een kier komt toerist na toerist naar binnen kijken.

Er zijn genoeg pogingen om het culturele leven een impuls te geven. Het jaarlijkse filmfestival, de Biennale; het Peggy Guggenheim museum brengt altijd en het Palazzo Grassi soms hedendaagse kunst, zoals in 1993 de Cobra-expositie die in de Amsterdamse Nieuwe Kerk te zien was. Het is allemaal prachtig, maar het kan overal ter wereld georganiseerd worden.

Wat wil ik nog meer dan de in het verleden zo prachtig geconserveerde lichtval op water en stenen? Om de hoek van de San Giobbe zie ik het - een piepklein wijkje nieuwbouw in gedekte tinten dat uitkijkt over de zee. Ronde poorten knipogen naar de Byzantijnse invloeden van vroeger, uitvergrote schoorstenen herinneren aan bedrijvigheid op deze plek in Cannareggio. De woninkjes binnen zijn ruim door langwerpige ramen die uitzien op water of plein. De huizen van architect Vittorio Gregotti zijn zowat de eerste nieuwbouw in het historisch centrum van Venetie in ruim een eeuw. Hier is gedurfd gebouwd. Hier hoef ik geen afstand meer te bewaren tot de pracht uit het verleden, deze huizen zou ik vandaag zo kunnen intrekken.

Iemand als Palladio in de zestiende eeuw - die in Venetie en omgeving overal gebouwen achterliet - wordt geboren, niet gemaakt. Maar architecten van de twintigste eeuw moeten wel de kans krijgen. Tot nu toe struikelden plannen op de schijn van onaantastbaarheid van Venetie. Maar de cultuur van vandaag verdient ook een plaats in het hart van de stad. Ten slotte moet Venetie geen groot museum en dus een dode stad worden.

Ik beeld me in te wonen in zo'n droomhuis van Gregotti. Kan ik hier meteen de kost verdienen: Thomas Manns Hotel des Bains vraagt in de krant om een tweede gouvernante! Basta, ik ben reiziger. Ik moet naar huis om te kunnen terugkeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden