Veiligheid / De hond zoekt zijn tanden

Van de vrees inboezemende ordehandhaver werd de politieagent onze beste vriend. En die krijgt nu het verwijt dat hij te weinig optreedt. De burger wil weer gezag op straat, maar niet het gezag waartegen hij te hoop liep in de jaren zestig.

Sommige politiefunctionarissen willen wel heel ver terug in de tijd om in Nederland orde op zaken te stellen. Neem korpschef K. Bakker van de regio Gelderland-Midden die pleit voor een 'moderne schandpaal' voor criminele jongeren. Zet ze midden in de stad op hun knieën en laat ze de kauwgum van de straat krabben. 'Niet in een softe setting', wat dat ook moge zijn, 'maar met een strenge werkmeester erbij die ze toeschreeuwt als ze verslappen', zo legde hij de plaatselijke pers uit.

Hoewel het voorstel doet terugdenken aan de kaak -vóór de Franse revolutie de meest verbreide erestraf maar in Nederland sinds 1854 uitgebannen- smaakt het idee van Bakker vooral naar de jaren vijftig. De 'strenge werkmeester', 'toeschreeuwen' en 'verslappen' zijn begrippen uit een tijd waarin burgers zich lieten onderwerpen door instituties als de politie. Er waren regels en wetten, en wee diegenen die al het lef hadden zich daaraan te onttrekken.

De radeloosheid waarmee Bakker teruggrijpt naar een idee van voor de Franse revolutie is kenmerkend voor deze eerste jaren van het nieuwe millennium. De korpschef gedraagt zich als een schoolmeester tegen de vut aan, voor een klas met puberende, drugsgebruikende jongeren die overal lak aan hebben, ook aan hem. Terwijl hij verkrampt met zijn stok op tafel slaat om de rust te laten weerkeren, stelt hij in die ritmiek tandenknarsend vast: VROEGER-LUISTERDEN-ZE-NOG-GEWOON-NAAR-ME!

Dat is inderdaad niet meer gewoon. Veel burgers doen al een hele tijd niet meer automatisch wat de staat, de politiek, de politie van hen verlangt. Ze rijden te hard, frauderen met hun belastingaangifte, lopen afgekeerd door als er ingegrepen moet worden, om maar eens wat te noemen uit de verzameling van misdragingen die kan worden samengevat in de term die niemand meer kan horen: normvervaging.

Maar burgers klagen op hun beurt over de politieambtenaren. Als je ze nodig hebt zijn ze er niet, het lukt ze niet de criminaliteit op te lossen, en dat is logisch want ze komen hun auto niet uit, of zij moeten zin hebben in kroketten. In dat geval rijden ze over de verboden trambaan naar de eerste de beste cafetaria waar zij hun auto dubbelparkeren, of er moet een invalideplaats vrij zijn.

Er is iets mis met de burgers, er is iets mis met de politie, en er is vooral iets mis in het contact tussen die twee. Waarop vaak de noodkreet volgt: waren we maar weer terug in de jaren vijftig, toen had de politie nog Gezag. En: konden we dat gezag maar herinvoeren. Dat zal niet lukken door de agenten in mooiere 'gezagsuitstralende' uniformen te hijsen en hun een grotere surveillanceauto aan te bieden, zoals voormalig LPF-minister Heinsbroek voorstelde. Misschien is het beter na te gaan waarom de politie haar gezag verlóór.

Wie opsomt wat die jaren vijftig nu precies kenmerkte, weet direct: daar kunnen we nooit meer naar terug. In de periode van werderopbouw en herstel, van arbeidzaamheid, huiselijkheid en rust, in die periode zaten de meeste Nederlanders opgesloten in een zuil waarin het goed toeven was. Er was verbondenheid en sociale controle, terwijl ook van boven strikte leefregels kwamen. God, Burgemeester, Politie, Pastoor, Dominee en Ouders werden met kapitalen geschreven.

In de jaren zestig kwam in de vruchtbare bodem van de wederopbouw de individuele ontplooiing op, die langzamerhand norm werd. Nederland ontzuilde, de seksuele moraal veranderde én de gezagsverhoudingen kwamen onder druk. Door de emancipatie van de burger kon er, volgens sociaal wetenschappers, niet langer sprake zijn van een bevelshuishouding. Nederland kreeg een onderhandelingshuishouding.

Nu de instituties hun kapitalen hadden verloren, waren hun ge- en verboden ook niet langer vanzelfsprekend. Het vertrouwen in de politie nam langzaam maar zeker af. Dat is ook gemeten, onder andere door het Sociaal en Cultureel Planbureau. In 1975, toen voor het eerst gegevens werden verzameld over het imago van de politie, bleek dat dit in de ogen van een minderheid van de Nederlanders (23,1 procent) slecht was. In de jaren daarop steeg dat percentage redelijk snel: in 1980 was het al 30,7, in 1981 33,4, en in 1993 was het percentage dat de politie een slecht imago toedichtte al opgelopen tot 38 procent.

Die kritische benadering van de agent, waar in de jaren vijftig zo tegen op werd gezien, is ten dele te verklaren uit de toename van het aantal Nederlanders dat als anti-autoritair gekenmerkt kan worden, alhoewel de term 'niet autoriteitsgevoelig' of 'autoriteitskritisch' hier meer op zijn plaats is. In 1970 was een derde van de Nederlanders anti-autoritair, in 1996 al 52 procent. Onder hen vooral hogeropgeleiden, wier aantal groeide.

In diezelfde periode bleek dat het de politie niet langer lukte de criminaliteit de kop in te drukken. In 1970 kwam er per 100 Nederlandse burgers één delict voor, in 1975 waren dat er drie, terwijl in het begin van de jaren negentig op 100 inwoners negen delicten werden genoteerd. In diezelfde periode nam het oplossingspercentage sterk af.

Soms wordt gesteld dat door het verminderde gezag van de politie er meer misdaad voorkomt, maar deze veronderstelling kan beter worden omgedraaid: omdat de misdaad groeit, neemt het vertrouwen in de politie af. En dat wantrouwen wordt nog eens versterkt als wordt gekeken naar de prioriteiten die de politie stelt. Die richt alle pijlen op de in de jaren zeventig en tachtig opgekomen georganiseerde criminaliteit. Maar daar merkt de burger niets van. De grootschalige handel in drugs is in feite slachtofferloos, de aanpak onzichtbaar.

Het enige moment waarop burgers te maken krijgen met de bestrijding van georganiseerde misdaad is als zij te horen krijgen dat de politie niet langer langskomt voor een inbraak of geweldpleging, omdat zij daar geen tijd voor heeft: grote vissen gaan voor. Terwijl juist die kleinere delicten het gevoel van onveiligheid voeden. Niets is slechter voor het imago van de politie dan de Rotterdamse korpschef A. Meijboom, die in de krant aankondigt geen tijd meer te hebben voor mishandelingen zonder duidelijk daderspoor.

In de jaren zeventig is 'oom agent' veranderd in 'je beste vriend' met een pet die ons allemaal past. Als reactie op de anti-autoritaire protesten van de jaren zestig is de politie vermaatschappelijkt. Dat zou de kloof tussen politie en burger moeten dichten. Dat gebeurde ook, ten dele, maar die beste vriend vergeet dat ook vermaning en repressie tot zijn middelen behoren. De politie is in zulke gevallen gekneveld door de goede contacten. Door al dat gepraat is de wijkagent een waakhond zonder tanden geworden.

De gaten die vielen in de opsporing heeft de politie proberen te dichten met technische hulpmiddelen. De panopticum-gedachte, noemen ze dat bij de korpsen (Grieks: panoptès, alles ziend). Wie een verkeersovertreding begaat wordt niet aangehouden en vermanend toegesproken door een agent, hij wordt -vaak zonder dat hij het merkt- geflitst en vindt maanden later een voorbedrukte overschijvingskaart in de bus. Als straf voor zijn overtreding hoeft hij alleen maar zijn handtekening te zetten. Soit.

De politie heeft de afgelopen twintig jaar ook last gekregen van wat door critici 'formalistisch professionalisme' wordt genoemd. Dat er niet alleen opgespoord wordt maar ook overlegd over de methode, daarvoor bestaat begrip. Maar de korpsen zijn uitgegroeid tot naar binnen gerichte managementtuinen die alle contact met de wijken hebben verloren. Illustraties van die cultuur zijn de termen waarmee agenten tegenwoordig de straat op worden gestuurd. De wijkagent van vroeger heet nu 'wijkcontactfunctionaris'. Of misschien klinkt 'netwerkinspecteur' wel beter, denken de managers die zelf al heel lang niet meer in functie op straat zijn geweest. Waren ze dat wel, dan hadden ze geweten dat zulke termen in het contact met de klanten, want dat zijn burgers, alleen maar drempels opwerpen.

Wie al die ontwikkelingen bij elkaar optelt, komt uit bij een conclusie die innerlijk tegenstrijdig is: terwijl steeds meer Nederlanders anti-autoritair worden en het imago -en daarmee het gezag van de politie- onder druk staat, vragen diezelfde burgers een kordaat korps dat orde op zaken stelt.

Ervaringsdeskundigen bij de politie en wetenschappers die zich met de veiligheidszorg bezighouden kennen geen panacee. Toch zijn ze het over één ding eens: het geslonken gezag van de politie moet weer groeien. Maar ze tekenen daarbij aan: dat kan nooit meer de macht van bovenaf zijn uit de jaren vijftig, het moet een nieuw gezag zijn dat van onderaf wordt toegekend. En dat begint allemaal op straat, in de wijk, waar burgers en agenten elkaar weer zouden moeten ontmoeten.

In dat nieuwe plan van aanpak zouden de wijkagent en de rechercheur, om maar twee diensten te personaliseren, niet langer onafhankelijk van elkaar moeten functioneren zoals nu gebeurt, maar samen optrekken.

De wijkagent staat op dit moment op de onderste sport van de carrièreladder van de politie. Hij zou juist de commissaris van de straat moeten zijn. Daartoe moet hij wel zijn optreden verbreden. Hij kan niet langer de begrijpende diender op de fiets zijn, hij moet ook handelend optreden, bekeuringen uitdelen en zichtbaar repressief zijn als daar aanleiding toe is. Juist omdat hij in de buurt bekend is en zich in andere situaties betrokken heeft getoond, juist omdat hij 'van de wijk' is, is hij de aangewezene om op te treden als grenzen worden overschreden. Daartoe heeft hij het 'gezag', wat meer is dan een huiszoekingsbevel dat een anonieme agent kan tonen.

Om de wijkagent te ondersteunen zou de centrale recherche, die zich nu vooral met moord, doodslag en georganiseerde misdaad bezighoudt, deels lokaal georganiseerd moeten zijn, in de grote steden op wijkteamniveau. De recherche kan de positie van de wijkagent verbeteren, en tegelijk snoepen van de informatie die de wijkagent op straat vergaart waardoor gerichter 'grote zaken' kunnen worden aangepakt.

Door die samenwerking kan de politie weer 'heterdaadjes' laten zien en die zijn belangrijker dan doorgaans wordt gedacht. Een kraak is maar een kraak, is nu de gedachte, en dus een verzekeringszaak. Maar door een snelle actie van burgers, wijkagenten en recherche wordt niet alleen een inbreker van de straat gehaald, maar krijgen burgers het gevoel dat het weer zin heeft een oogje in het zeil te houden en de politie te bellen. Ze zien dat de politie misdaad oplost en daadwerkelijk de veiligheid vergroot.

Die gebiedsgebonden werkwijze met 'korte lijnen' lijkt sterk op die van de landgroepen van de rijkspolitie en de districten van de gemeentepolitie. Die zijn in 1993 opgeheven om plaats te maken voor de regiopolitie. Het moest allemaal grootschaliger.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden