Review

Veilige plekken zijn er niet meer

Het postmodernisme: daar raken we voorlopig niet over uitgepraat. Bestaat de geschiedenis echt niet meer? Zijn de grote verhalen: het christelijke, het marxististische en noem maar op, door de tand des tijds uit de markt geprezen? Is er dan geen enkel zinvol verband meer dat onze persoon overstijgt?

Laat ik vooropstellen dat die gedachte mij niet sympathiek is. Dat laat onverlet dat er een groeiende groep antispirituelen is, in de dichtkunst bijvoorbeeld, want daar hebben we het hier over, die de zinloosheid en verbandloosheid van en tussen de levensbeginselen aanhangen als een joodse woestijnbewoner het gouden kalf. Waarom? En hebben zij gelijk?

De tweeëntwintigjarige dichter Joep Kuiper past zich met zijn debuutbundel 'Monarchieën' naadloos aan deze non-metafysische, lege levensbeschouwing aan. In hoeverre deze jongeman de één generatie oudere dichters als Holvoet-Hanssen, Van Bastelaere, Verhelst en in mindere mate K.Michel en Elma van Haren navolgt is moeilijk na te gaan. Kuiper heeft namelijk, en dat moeten we positief beoordelen, een geheel eigen toon. Hij schurkt tegen het postmodernisme aan, maar hij citeert zich niet suf uit grote voorbeelden, wat in het postmodernisme ('intertekstualiteit'!) toch heel gebruikelijk is.

De titel van Kuipers bundel doet nog wel een verhaal vermoeden, en als je de afdelingstitels erbij haalt wordt die indruk nog versterkt: 'De troonsbestijging', 'De troonrede', 'De regeerperiode', enzovoorts, tot aan de 'Troonsafstand' en 'De troonopvolger' toe. Van een verhaal komt echter niets terecht. Het is één grote, fragmentarische, naar toeval en taalspielerei hakende taalkluwen waarin zinvol verband nadrukkelijk wordt vermeden. Intussen betekenen de gebruikte woorden natuurlijk wel iets, en markeren ze ook enkele obsessies van deze jonge dichter.

Wat Joep Kuiper wel heel openhartig demonstreert is dat het postmoderne vers het zonder theatraliteit niet stellen kan. Je kunt wel iedere zingeving van het leven afpellen, maar dan heeft het ook weinig zin meer om erover te schrijven! Kuiper ondervangt dit, zoals zoveel postmodernen, met bluf en theater. 'Vaders vreten marktpleinen', heet het al in het eerste gedicht, met als theatraal vervolg: ,,Mannen! komt dan toch / uw huizen uit komt dit zien''. Interjecties: 'Nee!' 'Ja!' zijn kennelijk nodig om de lezer op superalert te krijgen, want anders volg je deze bewust warrige tekstfenomenen niet. In 'De martelaar' bijvoorbeeld begint Kuiper aldus: ,,Graaien gritsen dood vergroeien opgesloten / tussen dubbelglas als boter / op een warme tiet''. Welnu, 'gritsen' is geen bestaand werkwoord, maar die dood en die zo boterzacht opgevoerde warme tiet zie ik natuurlijk wel in een betekenisvolle tegenstelling staan. Want dat is het aardige aan postmoderne poëzie: het is fragmentarisch, het vertelt geen 'verhaal', maar het betekent toch wat!

Wat Kuiper door heel veel bluf en flauwekul heen laat merken is dat de wereld zoals wij die gemankeerd waarnemen ('Naakt op perron nul' heet een van zijn gedichten; wat valt daar nog te zien en te leren?), aan ons afbreuk doet. We kunnen er -hou u vast- met al onze 'fecaliën', 'psalmen' en 'borst en bil' tegenaangaan, maar het einde van het liedje is dat we naakte figuren zijn die geen existentiële poot hebben om op te staan. Bij alle onduidelijkheid en fragmentarisme in deze poëzie is dat toch wel een constante: ,,wij prevelen nog hier en daar / een ansichtkaart/ maar / nee maar nee,/ veilige plekjes zijn er sindsdien niet geweest''.

Die veilige plekjes zijn er ook elders in deze poëzie niet, uiteraard niet, want dat is niet postmodern. ,,De nachten tilden als altijd de galgenvelden / uit de klei, onze kinderen bleven / verdwijnen''. Nee, geen lekker plekje, evenmin als in: ,,En zwerk / spant zich als condoom in.'' Wel, daar hebben we voor onze veiligheid niks te zoeken!

Jong en brutaal is Kuiper wel. En ook wel een beetje tweeslachtig: 'want ik ben de eerste man // Ja ik ben de eerste vrouw'. En voorts mag hij graag seksueel getint uit de hoek komen: 'ruggen lekken sperma'; 'het / binnensmonds beroeren van haar bezwete // kut'; 'Laten we de zee besproeien. Zij /keert me de kut toe, dat is // pas sterven'. En als het zo uitkomt wil hij ook nog wel een onvervalst 'godverdomme' laten opklinken.

Of al die seksueel getinte fragmenten ook postmodern zijn betwijfel ik eerlijk gezegd. Wat zonder meer wel postmodern is, is de afwisseling van destructie en de wens daar iets nieuws op te bouwen. Je kunt hierbij aan de poëtica van good old Paul Rodenko denken, al heb ik niet de indruk dat Kuiper daar diep ingedoken is. In zijn gedicht 'Constructie' vind je er iets van terug. Aanvankelijk haalt de dichter er alle hulp bij: ,,Man zoekt vrouw om muur / der liefde mee te stutten, handen, / geest en nagels zullen me // omver krabben als stond ik / nog in het oude huis te wachten / op het gedicht dat ze nooit voor / me schrijven zou''. Het betreft hier niet zozeer de bouw van een huis, maar de bouw van een liefde. Prachtig is hoe Kuiper in het vervolg die liefde weer afpelt tot haar essentie, zonder meer:

'een muur, liefste zo begon het, ja! dit

is het, alles wat ik, ja! geen

nagels, geest of handen, alleen een

vrouw, een muur der liefde om

te stutten, een vrouw om muren

mee af te breken en te stutten,

zonder nagels, geest of handen om in

te verdwalen. een vrouw om

niet in te verdwalen.'

Een fraai gedicht, en het lijkt erop dat Kuiper zijn veilige plek in de slotregels van dit gedicht toch gevonden heeft.

Een belofte, deze Kuiper? Dat is nog maar de vraag. Hij is vooralsnog zeer aan de navolging van de oudere generatie gebonden. Maar een tegendraads en eigenzinnig idioom heeft hij toch wel. Er valt dus wat van hem te verwachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden