Vegetarisch universum

Zijn ze wel eetbaar, de vruchten van de schilder Adriaen Coorte? Nicolaas Matsier zou het zo zeker niet weten. „Al het fruit van deze onnavolgbare stillevenschilder heeft toch vooral ook iets onthechts, een bijna zwevende vorm van bestaan, even ver verwijderd van de aarde als van de eettafel.”

Hoe komt het dat het stilleven, de underdog uit de kunstgeschiedenis, zich sinds driekwart eeuw gestaag omhoog heeft gewerkt in de waardering van de musea en van het publiek, in Nederland en daarbuiten? Komt het doordat we geen boodschap meer hebben aan grote verhalen? Kan onze blik alleen nog maar details en fragmenten en uitvergrotingen aan? En hoe is het mogelijk dat uitgerekend het extreem sobere werk op kleine formaten van Adriaen Coorte, werk dat in de achttiende en de negentiende eeuw volkomen vergeten was, nu aan zijn kleine triomftocht in het Mauritshuis is begonnen? Zijn we nu pas in staat de eigenzinnige poëzie van het werk van de stillevenschilder Adriaen Coorte naar waarde te schatten?

De woorden ’misschien’, ’vermoedelijk’ en ’waarschijnlijk’ zijn onvermijdelijk als het om Adriaen Coorte gaat. Deze schilder is bijna een hypothese. Zijn leven is een gevolgtrekking uit zijn werk. Akkoord, dat hij een Zeeuw was staat vast. Evenals de periode van zijn werkzaamheid: 1683-1707. Want gelukkig signeerde en dateerde hij zijn werk meestal. Maar hiermee zijn de spaarzame spijkerharde feiten de revue gepasseerd. Meer is er eigenlijk niet.

Tussen 1700 en 1900, grofweg de twee eeuwen na zijn (vermoedelijke) dood, heeft het werk van Adriaen Coorte zich steeds in en rond Middelburg bevonden – volgens bronnen als boedelbeschrijvingen en wat dies meer zij. Daarna beginnen zijn schilderijen of liever schilderijtjes, want bij deze kunstenaar gaat het om kleine tot zeer kleine formaten, de grenzen van de provincie Zeeland en ook die van Nederland te passeren. En sinds de jaren vijftig worden de contouren van het oeuvre steeds zichtbaarder.

Dat is vooral te danken aan weer een andere Zeeuw, Laurens J. Bol (1898-1994). Van origine onderwijzer, ontwikkelde Bol zich, mede door geduldig archiefonderzoek in Middelburg, tot groot kenner en bevorderaar van een aantal tot dan toe veronachtzaamde zeventiende-eeuwse Zeeuwse stillevenschilders.

Hij bracht een waar ABC van Zeeuwen aan het licht: Balthasar van der Ast, Ambrosius Bosschaert, Adriaen Coorte. Het zijn inmiddels, voor wie stillevens interesseren, stuk voor stuk klinkende namen geworden.

Met zijn onderzoek was Bol, achteraf gezien, nog maar net op tijd. Het archief van Middelburg ging tijdens de oorlog in vlammen op. In 1958 kon Bol, die directeur was geworden van het Dordrechts Museum, een eerste overzicht laten zien van Coorte’s werk. Daarmee, en met een catalogus, heeft Bol diens oeuvre onder de aandacht gebracht.

Het Mauritshuis, waar nu een ’Ode aan Coorte’ plaatsvindt, is zelf een exponent van de geschetste ontwikkelingen. De status van het stilleven verandert nog steeds – de ster van Coorte heeft nog nooit zo helder gestraald. Nog maar een eeuw geleden, in 1903, was er welgeteld één Coorte die het tot een museum had weten te brengen. Dat was dan wel het Rijksmuseum. Het duurde tot de jaren tachtig van de vorige eeuw voordat het daar aanwezige ’Stilleven met asperges’ de dichters Ed Leeflang en Hans Faverey, ieder op eigen wijze, tot hun tribuut bracht. Zij maakten deel uit van de zich geleidelijk uitbreidende kring liefhebbers en voortzeggers.

In het Mauritshuis was tot 1995 geen Coorte te bekennen. Maar in dat jaar raakte de zaak aan het rollen door een schenking (een stilleven met aardbeien). Zó heb je geen enkele Coorte en zó heb je er zes. Nou ja, daar moet je wel het Mauritshuis voor zijn natuurlijk. Want vervolgens kreeg het museum er in 2004 maar liefst vier in bruikleen. Samen met het Rijksmuseum: deze vier Coortes dienen om de vijf jaar een reisje te maken. (Vanaf 2009 is het Rijksmuseum aan de beurt.) Alsof het niet op kon, kwam daar in 2006 nog eens een schenking bovenop: het stilleven met vijf abrikozen. Daarmee kwam de stand – bezit en bruikleen bij elkaar opgeteld – op zes.

Kijk, daar kun je iets mee. Mede ter ere van de per 1 januari 2008 vertrokken voortreffelijke directeur Frits Duparc (die een meester was in het verwerven van fondsen en het loskrijgen van bruiklenen en schenkingen) stelt het Mauritshuis nu vijfendertig Coortes tentoon. Dat is iets meer dan de helft van het in de afgelopen jaren steeds verder in kaart gebrachte oeuvre. Het is een oeuvre dat normaal voor ongeveer tweederde permanent onzichtbaar is in particuliere verzamelingen. Dit is dus een buitenkans. Om niet te zeggen een groot feest, op een prachtige locatie. Want als er één Nederlands museum is dat als voormalig woonhuis verregaand tegemoetkomt aan de hoogst bescheiden formaten van het werk van Coorte, dan is dat natuurlijk het Mauritshuis.

Ja, wat doet een formaat eigenlijk? Het is een vraag waar je als modaal museumbezoeker niet zo gauw bij stil staat. Toch brengen je voeten en je ogen je vanzelf daar waar het schilderij jou hebben wil. Elk schilderij legt zijn eigen afstand op. Het formaat en de manier waarop het schilderij gemaakt is, zorgen daarvoor. Je moet er niet te ver vanaf staan, maar zeker ook niet met je neus erop (tenminste, zolang het om de voorstelling als geheel gaat). Alhoewel: bij sommige van Coorte’s schilderijtjes is dat laatste bijna onvermijdelijk. De suppoosten hebben het druk, op deze tentoonstelling.

Historieschilderingen hebben gewoonlijk forsere formaten dan genrewerkjes. Portretten, ook portretten ten voeten uit, zijn vaak een slag kleiner dan historieschilderingen. Zou de traditionele hiërarchie van de genres – van de historieschilderingen bovenaan, naar de kleinere stillevens helemaal onderaan – min of meer parallel lopen met de afnemende hoeveelheid vierkante meters schilderwerk? Grote onderwerpen, grote formaten. Een klein beetje lijkt het daar toch wel op. Bescheiden historieschilderingen zijn net zo zeldzaam als gigantische stillevens.

Helaas. Zo goed als alles aan het werk van Coorte ontglipt aan generalisaties. Ik wilde eigenlijk beweren dat het werk van de kunstenaar zich ontwikkeld heeft van gebruikelijke formaten naar extreem klein, en van ’meer’ voorstelling naar ’minder’. Neem het oudste werk (circa 1682). Dat meet 57 x 69 cm. Het schitterende late stilleventje van twee walnoten (1702) daarentegen komt uit op 10,9 x 15,6 cm. Ofwel: het laatstgenoemde schilderij kan ongeveer vijfendertig keer in het eerste. Maar het lastige is dat er nou ook weer niet zo verschrikkelijk veel ontwikkeling zit in dat werk.

Misschien met uitzondering van een enkel vroeg werk heeft het oeuvre een volstrekt onverwisselbaar karakter. Coorte’s fruit, de noten en de schelpen kunnen onmogelijk aangezien worden voor het werk van iemand anders. De asperges, de aardbeien (het zijn bosaardbeien, geen frambozen zoals Ed Leeflang in zijn gedicht dacht, maar een destijds gekweekte variëteit), de kruisbessen, de perziken, de mispels – het lijkt wel een vegetarisch universum. Maar zijn ze wel eetbaar, die vruchten van Coorte? Ik zou het niet zo zeker weten. Al het fruit van deze onnavolgbare stillevenschilder heeft toch vooral ook iets onthechts, een bijna zwevende vorm van bestaan, even ver verwijderd van de aarde als van de eettafel.

Bij alle andere raadsels waarmee Coorte zijn bewonderaars heeft opgezadeld, hoort ook zijn techniek. Het meeste van zijn werk is geschilderd op papier. Dat papier is dan weer (door de schilder zelf? door handelaren?) vastgelijmd op paneel en soms op doek. Dat heeft onder meer tot gevolg dat er geen craquelé optreedt. Bij twee zeer vergelijkbare werkstukken uit hetzelfde jaar 1704, waarop twee maal hetzelfde Wan-li-schaaltje met aardbeien afgebeeld staat, is het verschil goed te zien. Het ene schilderij (op papier) is totaal niet, het andere (op doek) heel erg gecraqueleerd. Het is de moeite waard om bij dit tweetal eens even langs de huid van het schilderij te kijken.

Wie de ’Ode aan Coorte’ goed bekijkt, zal ongetwijfeld ook wel enige tekortkomingen kunnen opmerken die aan het werk van de Middelburgse meester kleven. Hij was een tikje onhandig als het gaat om de perspectief van de tafels en die van de testen met aardbeien. Misschien maalde hij daar gewoon niet om en concentreerde hij zich volledig op datgene waar het hem om te doen was, wat er op die tafels lag en wat er in die testen zat. Maar er is geloof ik niemand die de schilder hier hard om zou willen vallen.

De aardbeien, de asperges, de mispels, de walnoten, de schelpen van Adriaen Coorte blijven bij al hun ogenschijnlijke eenvoud buitengewoon geheimzinnig. Misschien is het de mise-en-scène. Coorte is de schilder van de ene hoek van een stenen tafel en van wat zich daarop bevindt. Wat zich op het overige driekwart van die tafel af zou kunnen spelen, daarmee wil hij ons niet lastigvallen. Net zoals wat er boven en onder die tafel is duister blijft. Het blad zweeft. Op de rand van die tafel – het is een rand die vrijwel altijd een barst vertoont – laat Coorte zijn signatuur achter.

Die rand vangt een vreemd en betoverend strijklicht op, dat soms is teruggebracht tot maar één streep: de snijlijn van de vlakken van het blad en de rand. En op dat hoekje van dat tafelblad liggen dan meestal producten van de Zeeuwse zomer. Ze glanzen in datzelfde minimale strijklicht. Misschien staat de tafel in een kelder, ver bij de zomer vandaan.

Hoe laat het in die kelder zou kunnen zijn, en of dit het lage licht is van de ochtend danwel de avond, het is met geen mogelijkheid te zeggen. Maar er kan geen twijfel aan bestaan: dit moet precies het uur zijn, van de aardbeien, de asperges, de mispels, dat Coorte heeft willen verlengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden