Veertig dagen lopen naar de slachthuizen van Egypte

Met gierende motor baant de vrachtwagen zich een weg door het rulle woestijnzand. De wagen is omgebouwd tot een voertuig dat Soedanezen een bus noemen. Bovenop de laadbak is een cabine gebouwd, waarin stalen bankjes staan. Op die bankjes is ruimte voor ongeveer vijftig personen. Aan weerszijden van de cabine zijn vensters zonder ramen waardoorheen naast frisse lucht ook grote hoeveelheden woestijnstof binnen waaien.

GERBERT VAN DER AA

De auto is onderweg naar de Soedanese hoofdstad Khartoem en volgt de Nijl. Regelmatig passeren we in witte gewaden gehulde boeren die aan het werk zijn op hun geïrrigeerde akkers. In westelijke richting liggen de eindeloze zandvlaktes van de Sahara. “Kijk daar”, zegt een van de passagiers, terwijl hij met zijn vinger wijst. Uit de verte komt langzaam een kudde van enige tientallen kamelen naderbij. Vier groezelig geklede mannen begeleiden de dieren. Gezeten op hun kamelen drijven ze de kudde voort.

De mannen behoren tot de Kababisch, een islamitisch nomadenvolk uit Soedan dat leeft van het fokken en verhandelen van kamelen. Ze zijn onderweg naar de Zuid-Egyptische stad Daraw, een tocht van 1200 kilometer (vergelijkbaar met de afstand Amsterdam-Marseille), waar ze ongeveer veertig dagen over doen. De grens tussen Soedan en Egypte is officieel gesloten, maar voor de Soedanese kamelenhandelaren is een uitzondering gemaakt. In Daraw worden de kamelen verkocht en per trein of vrachtwagen naar de Egyptische hoofdstad Cairo vervoerd. Daar gaan ze naar het slachthuis. Uiteindelijk belanden de dieren als vlees op de borden van Egyptische consumenten.

De karavaanroute tussen Egypte en Soedan is de enige trans-Sahararoute die nog intensief met kamelen wordt bereisd. Terwijl nomaden in andere delen van de Sahara hun kamelen hebben ingeruild voor four-wheel drives, is er voor de Kababisch de afgelopen honderd jaar nauwelijks iets veranderd. Nog steeds staat de kameel centraal in hun leven. Soedan heeft een kudde van drie miljoen kamelen. Na Somalië is dat de grootste ter wereld. Per jaar worden er daarvan 50 000 naar Egypte getransporteerd. Daar leveren ze ongeveer duizend gulden per stuk op.

De karavaanroute tussen Soedan en Egypte is al eeuwen oud. In de Middeleeuwen stond de route bekend als de Darb el-Arbaïn, de veertig-dagen-weg, een naam die verwijst naar het aantal dagen dat de karavanen erover deden om van Soedan naar Egypte te reizen. In die tijd bestond de handel voornamelijk uit slaven. Tijdens de strooptochten in het zuiden van Soedan namen de Kababisch duizenden mensen gevangen, die ze vervolgens als vee dwars door de Sahara naar het noorden dreven. Veel slaven kwamen om het leven tijdens deze honderden kilometers lange woestijnmars. Negentiende-eeuwse Europese ontdekkingsreizigers die het gebied bezochten verhaalden over de talloze halfvergane lijken die langs de route lagen.

In 1926 verbood de Britse koloniale overheid het houden van slaven in Soedan. De Kababisch stapten daarop over op de kamelenhandel. Onder de snelgroeiende bevolking van Egypte bleek veel vraag naar kamelenvlees, dat goedkoper is dan schapenvlees en rundvlees. De trans-Saharahandel tussen Egypte en Soedan bleef daardoor floreren. Op de plaatsen waar vroeger de lijken van slaven lagen, liggen nu skeletten van kamelen die de tocht niet overleefden.

Het is vroeg in de ochtend als de vrachtwagen in Khartoem arriveert. De Soedanese hoofdstad verschilt in tal van opzichten van de rest van het land. Huizen zijn er van steen in plaats van leem of stro en in de restaurants zijn talloze verschillende gerechten te koop. In de rest van het land bestaat het voedsel meestal uit bonen met uien, het liefst drijvend in een schaal vol met olie. Iets anders is daar eenvoudigweg niet voorhanden.

Vanuit Khartoem vertrekt het grootste deel van de kamelenkaravanen naar Egypte. In Souk el-Mouilih, een markt aan de westrand van de stad, arriveren de dieren uit verschillende delen van het land. De kuddes die naar Egypte gaan bestaan gemiddeld uit honderd dieren en staan opgesteld binnen houten omheiningen. In de theehuisjes op de markt wachten de kamelendrijvers op hun vertrek. De vrouwen die de thee bereiden vullen de glaasjes eerst voor de helft met suiker, alvorens ze de thee inschenken.

'Soedanezen houden erg van suiker', zegt Ahmed, een kamelendrijver die net terug is uit Egypte. Hij is een klein pezig mannetje met dicht bij elkaar staande groenbruine ogen. Net als de meeste Soedanezen draagt hij een lang wit gewaad en een al net zo'n witte tulband. Ahmed werkt voor een rijke kamelenhandelaar en drijft al tien jaar lang kamelen naar Egypte. Hij benadrukt dat het zwaar werk is. “We marcheren ongeveer veertien uur per dag”, vertelt hij. “Een groot probleem is gebrek aan water. Gedurende de tocht wassen we ons daarom nauwelijks. Ook hebben we regelmatig last van zandstormen, waardoor al onze spullen onder het stof komen te zitten.”

De kamelendrijvers worden verhoudingsgewijs goed betaald voor hun ontberingen. In de drie maanden dat het kost om naar Egypte te reizen en weer terug verdient Ahmed 500 000 pond (500 gulden). Dat is ongeveer gelijk aan het gemiddelde Soedanese jaarinkomen per hoofd van de bevolking. “Er zijn baantjes die slechter verdienen”, zegt Ahmed. “Bovendien houd ik van de leegte van de woestijn.”

De meeste kamelen worden gefokt in het westen van Soedan. In dit gebied loopt de Sahara over in savanne. Voor kamelen is het de ideale leefomgeving. De struiken en het gras die er groeien zijn hun belangrijkste voedingsbron. Ook zijn er genoeg plaatsen waar de dieren hun dorst kunnen lessen. Umm Badr, een oase 600 kilometer ten westen van Khartoem, is een van die waterplaatsen. Het voornamelijk uit riet opgetrokken dorp is gesitueerd rondom een meer. Het blauwe water steekt fel af hij de beige kleuren van de woestijn.

Elke ochtend komen de nomaden die in de omgeving van Umm Badr hun tenten hebben opgeslagen met hun dieren naar het meer. Het zijn er honderden. De kamelen kunnen niet rechtstreeks van het water drinken omdat de oever van het meer zo drassig is dat de dieren er tientallen centimeters in wegzakken. De nomaden hebben daarom kanalen gegraven om het water naar de kamelen te leiden. Ook de vrouwen van de Kababisch helpen daarbij. Ze zijn voor islamitische begrippen frivool gekleed. Hun schouders zijn ontbloot, ze dragen strak over hun borsten gespannen kleding en door hun neus is een grote gouden ring 'gepiercet'.

Als de vlaktes in de omgeving van Umm Badr zijn kaalgevreten, reizen de nomaden naar andere plaatsen. Contact met de rest van de wereld hebben ze nauwelijks. Bijna niemand kan lezen of schrijven en van Nederland hebben de meesten nog nooit gehoord. “Heel ons leven draait om kamelen”, zegt een van de nomaden, terwijl hij een schaal kamelenmelk te drinken aanbiedt. “Leren lezen en schrijven is niet belangrijk. De kameel geeft ons alles wat we nodig hebben.” Behalve melk, zijn de kamelen een bron van vlees en huiden, waarvan de Kababisch schoenen en tassen maken. Van het geld dat ze verdienen met het verkopen van kamelen schaffen ze stoffen en groentes aan.

Een leven in de dorpen die ze op hun tochten bezoeken, zien de meeste Kababisch niet zitten. “Voor ons zou het vreselijk zijn heel ons leven op dezelfde plaats te moeten doorbrengen”, zegt de nomade met de schaal kamelenmelk. “Wij trekken liever met onze kamelen door de woestijn. Aan auto's en tv's hebben wij geen behoefte. Ook onze voorouders leefden op deze manier. Wij zetten die traditie voort.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden