Veeleisende competitie

Op kleine afstand kunnen ideeën over opvoeding soms radicaal verschillen. Deel 3 van een serie over opvoeden in Europa: Hongarije. Daar onderwerpen ouders hun kinderen aan strak georganiseerde buitenschoolse activiteiten.

Runa Hellinga

Boldizsár was bijna tien toen hij op voetbal wilde. Zijn ouders vonden het prima, maar clubs bleken minder geïnteresseerd. Tien jaar, dat betekent minstens vier verloren jaren zonder training. Zo kon er nooit wat van die jongen worden. Uiteindelijk werd er toch een club gevonden. Tot verbazing van de ouders moest er wel een officieel contract ondertekend worden, met een heuse transferclausule: Boldizsár mag alleen naar een andere club overstappen als er geld wordt betaald. Terwijl hij alleen maar een lekker potje wilde voetballen.

Maar lekker een balletje trappen, een beetje gezond sporten, een aardig moppie op de piano kunnen spelen, daar doe je het in Hongarije niet om. Buitenschoolse lessen zijn een net zo serieuze zaak als school zelf. Waarom zou je als ouders geld investeren als het alleen maar voor de lol is?

Sportactiviteiten horen voor een competitie op te leiden en muzieklessen voor het concertpodium. En dan niet leuk wat spelen voor de verzamelde ouders, maar serieuze optredens voor publiek. Lesschema’s zijn daar dan ook op aangepast. Een zesjarige die naar ballet wil, moet twee of drie keer per week opdraven. Wie piano wil leren spelen, krijgt behalve twee muzieklessen per week ook twee keer verplicht solfège. En dat een basketbaltrainer een ploeg negenjarigen collectief laat opdrukken als straf voor de fout die één van hen heeft gemaakt, vinden veel ouders niet echt vreemd.

Die ambitieuze lesprogramma’s komen naast een onderwijssysteem dat ook al veel vergt van de kinderen. Het Hongaarse onderwijs is ouderwets en op de meeste scholen is huiswerk vanaf de eerste klas lagere school heel gewoon. De meeste ouders zouden er ook niet gerust op zijn als dat niet zo was. Huiswerk geeft hen de mogelijkheid hun kind achter de broek te zitten als de schoolprestaties achterblijven.

„Gelukkig had Balint een vijf voor zijn proefwerk”, zegt onze zoon als hij thuiskomt. Zelf heeft hij een vier, ook niet slecht. Maar een vijf is het hoogste cijfer dat je kunt krijgen, en als zijn beste vriend iets anders haalt (een vier, lager gaat hij nooit) moet hij uren extra leren van zijn moeder. Hij is zeker niet de enige, veel ouders nemen met minder dan een vijf geen genoegen.

Bij het uitdelen van de rapporten maakt de klassenleraar altijd bekend welke leerlingen tot de top van de klas behoren. Het wedstrijdelement is een belangrijk onderdeel in het onderwijs, niet alleen binnen de klas maar ook daarbuiten. Scholen organiseren competities op allerlei gebied: wiskunde, het opzeggen van gedichten, kennis van geschiedenis, muziek of Engels.

Wie op school wint, kan door naar stedelijke, provinciale of zelfs landelijke wedstrijden. „Voor ambitieuze ouders is de organisatie van zulke wedstrijden een criterium om een school te kiezen”, zegt üva Balázs, onderzoekster aan het Onderwijskundig Onderzoekscentrum, „Ze zien het als een bewijs van kwaliteit. Scholen die er niet aan meedoen, worden als minder goed gezien.”

Zij ziet in het Hongaarse onderwijssysteem een duidelijke splitsing. Er is een klein aantal elitescholen (zo’n 15 procent van de scholen), die het bij wedstrijden en examens veel beter doen dan andere. Bemiddelde ouders hebben er alles voor over om hun kind op zo’n school te krijgen, de concurrentie is enorm en kinderen volgen vaak speciale trainingen om het toelatingsexamen te halen. „Maar daarnaast is er een hele grote groep van scholen die blij zijn met iedere leerling die komt, omdat ze eerder een leerlingentekort dan een -overschot hebben.”

De houding van de ouders heeft goede redenen. Toelating tot de universiteit vindt plaats op basis van de punten die je bij je eindexamen haalt, en de resultaten van de leerlingen van topscholen zijn aanzienlijk beter dan die van kinderen van andere scholen. Dat blijkt ook uit internationale onderzoeken zoals het wereldwijde PISA-onderzoek, waarin het Hongaarse onderwijs als geheel bepaald niet hoog scoort maar de topscholen zich kunnen meten met scholen uit de beste onderwijslanden.

Zowel de strak georganiseerde buitenschoolse activiteiten als de wedstrijdcultuur zijn een erfenis uit de communistische tijd. Hoewel gelijkheid de theorie was, investeerde het systeem veel in een kleine talentvolle bovenlaag. Via wedstrijden werden de meest getalenteerde wiskundigen en de beste sportlieden opgespoord. Zij kregen vervolgens middelen en kansen waar de grote massa alleen maar van kon dromen. Zo blonken Hongarije en andere communistische landen uit op internationale wiskundewedstrijden, terwijl het rekenonderwijs voor een groot deel van de leerlingen achterbleef.

Daarin is eigenlijk niet zoveel veranderd, meent psychologe Marta Fülöp, lid van de Hongaarse Academie van Wetenschappen: „Het competitie-element is nog steeds heel sterk. Er is nooit echt onderzoek naar gedaan, maar ik denk dat de gedachte dat muzieklessen of sporttraining alleen zin hebben als je er een echt niveau mee wilt bereiken, ook veel te maken heeft met de schaarste aan middelen en met de opvatting dat de weinige middelen die er zijn, ter beschikking moeten staan van het echte talent.”

Hongaren neigen er volgens haar toe het leven als een constant gevecht te zien waarbij je plaats in de hiërarchie alles bepaalt, winnen alles is en verliezers niet meetellen. „Uit een vergelijkend onderzoek tussen het Britse, Sloveense en Hongaarse schoolsysteem kwam het Hongaarse systeem als het meest competitieve uit de bus, daarna volgde Engeland en vervolgens Slovenië. In dat land ligt de nadruk sterk op samenwerking. Weliswaar staat samenwerking tegenwoordig ook in het Hongaarse curriculum, maar de meeste leraren gebruiken nog steeds vooral competitieve lesmethodes”, zegt Fülöp.

Opvoedkundige sites op het internet noemen het deelnemen aan wedstrijden een goed middel om kinderen voor te bereiden op de concurrentiestrijd waar ze als volwassenen mee worden geconfronteerd. Het effect is heel anders, meent Fülöp. In vergelijking met andere Europeanen staan Hongaren juist heel negatief tegenover competitie. „Ze zien rivalen als vijanden en zijn ervan overtuigd dat mensen vooral winnen door te liegen en te bedriegen. Pakweg de helft van de Hongaren staat negatief tegenover winnen en verliezers zullen zelden erkennen dat hun tegenstander gewoon beter was.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden