Veel ziektebeelden en therapieën doorstaan de tand des tijds niet. Het jubilerend Tijdschrift voor Geneeskunde verzamelde verdwenen medische pareltjes.

De achterhaalde geneeskunde staat deze week beschreven in een feestelijke editie van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Het medisch-wetenschappelijke vakblad, een van de oudste ter wereld, viert deze week zijn 150-jarig bestaan. Het blad blikt terug op de laatste vijftig jaar, een tijdperk waarin de geneeskunde ingrijpend is veranderd. Er kwamen veel nieuwe inzichten en behandelingen bij, maar andere moesten juist het veld ruimen.

Amerikaanse artsen hebben in 1937 de term ’hyperventilatiesyndroom’ gemunt. Ze meenden een nieuw ziektebeeld te hebben ontdekt waarbij mensen onder psychische stress te snel zouden gaan ademen en zo een tekort aan koolzuurgas zouden oplopen. Door dat tekort zouden ze vervolgens symptomen als spierkramp, tintelingen en duizeligheid krijgen.

In de jaren zeventig werd hyperventilatie een ware hype. Vooral jonge vrouwen leden eraan, net als mannen van middelbare leeftijd. De therapie bestond uit ademen in een plastic zak, om het koolzuurniveau te verhogen.

In 1996 schreven Amsterdamse psychologen echter dat het hyperventilatiesyndroom helemaal niet bestaat. Bij patiënten hadden ze dagenlang het koolzuurgehalte in het bloed gemeten. Ze konden geen duidelijk verband met de klachten vinden. En als ze het koolzuurniveau kunstmatig op peil hielden zonder dat patiënten dit wisten, kregen de meeste van die patiënten naar eigen zeggen toch klachten. Daar klopte iets niet. De ’patiënten’ lijden niet aan een syndroom, concludeerden de psychologen, ze hebben gewoon last van angst en stress. Sindsdien wordt er heel wat minder in plastic zakjes geademd.

Halverwege de twintigste eeuw bestonden er nog geen gebruiksvriendelijke zwangerschapstests. Wel konden vrouwen bij hun huisarts de zogeheten ’kikkerproef’ aanvragen. Die hield in dat een klein beetje van hun urine werd ingespoten in de rug van een vrouwtjeskikker. Legde dit dier daarna binnen 24 uur eitjes, dan was de vrouw vrijwel zeker zwanger.

De kikkerproef – geen kwakzalverij, maar een betrouwbare test – was in 1930 ontwikkeld door de Britse arts-bioloog Lancelot Hogben. De werking berustte op het hormoon hCG (humaan chorion gonadotrofine), dat aanwezig is in de urine van zwangere vrouwen. Ook bij de kikvors stimuleert dit stofje kennelijk het voortplantingsapparaat.

De proef verkreeg een grote populariteit. Er moesten testfaciliteiten met duizenden kikkers in het leven worden geroepen. Het werk was niet altijd even gezond voor de kikkers. Soms lagen de labs lange tijd plat vanwege virusuitbraken onder het ’personeel’.

In 1962 kregen de kikkers concurrentie van een biochemische test van de firma Organon. Deze nieuwe proef – vergelijkbaar met de moderne zelftests – presteerde aanvankelijk onder de maat, maar dankzij technische verbeteringen wist hij de kikkerproef in een paar jaar tijd te verdringen.

Het klonk aannemelijk: drukke kinderen met concentratieproblemen hebben tijdens hun geboorte een zuurstoftekort gehad. Daardoor zouden ze een milde hersenbeschadiging hebben opgelopen. Op deze schade plakten artsen de naam MBD – ’minimal brain damage’ of ’minimal brain dysfunction’ – en een nieuw ziektebeeld was geboren.

Maar helaas. Hoewel de diagnose na 1960 vele malen werd gesteld, kon het idee erachter niet worden gestaafd. In 1988 maakten artsen er korte metten mee. Uit hun onderzoek bleek dat hyperactieve kinderen gemiddeld geen moeizamere geboorte hadden gehad dan rustige leeftijdgenootjes. Het verhaal van het zuurstoftekort en de hersenschade kon dus niet kloppen. Zo verdween de diagnose MBD, om plaats te maken voor de zuiver beschrijvende term ADHD.

Bij kinderen met een acute oorontsteking is het lange tijd gebruikelijk geweest om het trommelvlies door te prikken. De kwaal zou dan sneller overgaan omdat de etter goed kon ontsnappen. Een flinke snee in het trommelvlies – volgens ingewijden een uiterst pijnlijke ingreep – werkte nog beter, dacht men.

Maar in werkelijkheid had noch het gaatje noch de snee een heilzaam effect. Dat bewees de Tilburgse KNO-arts dr. F. van Buchem in 1982. Hij liet zien dat veruit de meeste kinderen ook zonder gaatje of sneetje snel genezen; symptoombestrijding, in de vorm van pijnstillers en neusdruppels, zou vrijwel altijd voldoende zijn. Exit de massale oorprikkerij.

In diezelfde dagen maakten trommelvliesbuisjes een stormachtige entree. Deze werden in de jaren tachtig bijna standaard geplaatst als kinderen tijdens een langdurige oorontsteking vocht achter een trommelvlies hadden. Het idee was dat dit vocht het gehoor verminderde, met als gevolg dat kinderen een spraakachterstand konden oplo/pen.

Maar dat blijkt bij nader inzien mee te vallen; alleen als er erg veel vocht in het oor zit, horen kinderen geen verschil meer tussen bijvoorbeeld ’paard’ en ’baard’, of tussen ’stoel’ en ’doel’. Daarom krijgen elk jaar toch nog steeds 40.000 kinderen buisjes, maar de grote hausse uit de jaren tachtig is voorbij.

Begin jaren zeventig ontstond de trend om baby’s op hun buik te laten slapen. Het zou goed zijn voor hun houding, en de kans op oorontstekingen en misselijkheid zou erdoor afnemen. De ’buikmode’ won snel terrein; in 1987 sliep al zeker 60 procent van de Nederlandse zuigelingen op zijn buik. Binnen een paar maanden zou dat abrupt veranderen. Want eind 1987 presenteerde de Amsterdamse kinderarts prof. dr. G. A. de Jonge een analyse van 150 gevallen van wiegendood; maar liefst 85 procent van de overleden kinderen bleek op de buik te hebben gelegen, tegen slechts 61 procent van de gezonde baby’s. De Jonge moest veel ongeloof en tegenstand overwinnen, maar mede dankzij overweldigende media-aandacht wist hij de buikligging in een rap tempo terug te dringen. Tegelijkertijd daalde het aantal gevallen van wiegendood spectaculair, van 130 in 1986 naar 76 in 1988, en naar 11 in 2004. Inmiddels is algemeen aanvaard dat de rugligging het veiligst is voor jonge kinderen, al kunnen baby’s aan die houding een licht afgeplat achterhoofd overhouden.

De maagzweer was vroeger een langdurige kwaal. Patiënten die zo’n bloedende wond in hun maag hadden, moesten vooral bedrust houden en een streng dieet volgen. Ook dienden ze nodig te ontstressen, want aan hun aandoening lagen overmatige spanningen ten grondslag – dacht men.

In 1983 meldden de Australische artsen Marshall en Warren dat de ziekte gewoon door een bacterie wordt veroorzaakt: de Helicobacter pylori. In eerste instantie wilde niemand hen geloven, want volgens de medische leer was de maag veel te zuur om levende bacteriën te herbergen. Om de sceptici te overtuigen besmette Marshall zichzelf met een zelfgebrouwen bacteriedrankje. En bingo! Sindsdien wordt de maagzweer uiterst effectief behandeld met antibiotica. Wel jammer voor de farmaceutische industrie, die net dure maagzuurremmers op de markt had gebracht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden