Veel technologie-overdracht is gewoon een kwestie van handel

Van 3 tot 14 juni wordt in Rio de Janeiro de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling gehouden. De deelnemende landen zullen daar een verdrag ondertekenen over de overdracht van technologie. Daarin beloven de rijke landen de arme dat zij behulpzaam zullen zijn bij het leveren van milieuvriendelijke technologie. Is die toezegging veel waard? Doen bedrijven vrijwillig afstand van hun patenten? Kunnen ontwikkelingslanden nu gebruik gaan maken van de schoonste produktiemethoden?

KOOS SCHWARTZ

Kraaijvelds visie op de overdracht van technologie lijkt wat cru. Hoezo handel? Is het niet in ieders belang dat schone technologieen zo goedkoop mogelijk zijn, zodat ze een snelle verspreiding vinden over de hele wereld? Waarom zou Polen nog langer de smerige lucht inademen van haar fabrieken en elektriciteitscentrales als schonere technologieen beschikbaar zijn? Waarom het Mexicaanse Guadalajara niet snel voorzien van deugdelijke riolen en gasleidingen? Waarom nog verouderde, vuile produktieprocessen in ontwikkelingslanden accepteren als er nieuwere, schone zijn?

Toch is de visie, die de vertegenwoordiger van Shell uitdroeg, ook bij de onderhandelaars over het technologieverdrag breed geaccepteerd. Volgens Marten van den Berg, werkzaam bij Economische zaken, die betrokken was bij de onderhandelingen, heeft de erkenning van het principe dat technologie-overdracht en -handel alles met elkaar te maken hebben, er juist voor gezorgd dat er in Rio een verdrag komt over technologische samenwerking. Op zichzelf is dat al iets. Want over ontbossing bijvoorbeeld komt helemaal geen verdrag, hoogstens een vage verklaring.

Bij de voorbereidende onderhandelingen over het technologie-verdrag lagen de standpunten aanvankelijk ver uiteen. Vooral uit ontwikkelingslanden klonken geluiden dat het westen maar over de brug moest komen met milieuvriendelijke technologie. Maar voor het rijke westen was dat volstrekt onacceptabel.

De argumentatie evan het westen was simpel. Veel technologie is eigendom van bedrijven. Nieuwe procedes zijn vaak het produkt van jarenlange studies en een hoop geld. Bedrijven hebben er geen enkel financieel belang bij om de vruchten van hun arbeid gratis beschikbaar te stellen aan iedereen die er belangstelling voor heeft. Tenslotte is technologie handel en is een bedrijf geen filantropische instelling.

Het westen beschouwt het dan ook als een belangrijke stap dat de ontwikkelingslanden hebben beloofd om rekening te houden met patenten. Fundamenteel is die toezegging weliswaar niet, maar de rijke landen zien er in elk geval winst in. In het verleden werden patenten met voeten getreden en werden produkten domweg nagemaakt. Ook rijke landen zoals Japan hadden daar trouwens een handje van.

Anderzijds heeft ook het westen beloften gedaan. Het zal behulpzaam zijn bij de verspreiding van milieuvriendelijke technologie. In de praktijk kan dat betekenen dat ministers van ontwikkelingssamenwerking patenten opkopen of een bijdrage leveren als een ontwikkelingsland dat wil doen. Zij kunnen ook goedkope leningen verschaffen.

Minstens zo belangrijk is dat het westen andersoortige vormen van assistentie gaat verlenen. Bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, scholing en bewustwording. Westerse bedrijven klagen vaak dat het moeilijk is om personeel te vinden dat geschoold is. Anderzijds klagen ontwikkelingslanden dat sommige technieken niet zijn toegesneden op hun situatie. Er is grote behoefte aan vakkennis, aan uitwisseling tussen universiteiten en onderzoeksinstellingen.

Behoefte is er ook aan, wat economen noemen, een doorzichtige markt. In andere woorden: een overzicht van alle milieutechnologie op de wereld, waar iedereen meteen kan zien of er op een bepaald terrein kennis en techniek aanwezig is en of daarop een patent berust.

Plannen voor zo'n gigantische informatiebank zijn er geweest, maar zijn te ambitieus gebleken. Wel denkt de EG nog aan de oprichting aan een soortgelijke informatiebank in eenvoudiger vorm voor zaken die met energie te maken hebben.

De behoefte aan informatie moet niet onderschat worden, al was het alleen maar omdat op veel produktietechnieken geen patenten van toepassing zijn. Talloze technieken zijn al vrij van patenten of zijn ontwikkeld door overheidsinstanties. Ze zijn in principe vrij om gebruikt te worden.

Bovendien hebben ontwikkelingslanden in lang niet alle gevallen behoefte aan ingewikkelde know how, die ze vaak toch niet kunnen toepassen of onderhouden. Vaak zijn simpele oplossingen de beste. Landen moeten dan wel weten dat die technologie beschikbaar is.

Een paar eenvoudige ingrepen hebben er bijvoorbeeld voor gezorgd dat een aantal Indiase leerlooierijen zware metalen kunnen scheiden van afvalwater. De metalen komen niet langer in de rivieren terecht. In Indonesie plaatst een Nederlands bedrijf eenvoudige zonnecollectoren, die huizen van stroom kunnen voorzien. De bewoners kunnen de apparaten zelf onderhouden en doen dat ook omdat ze er belang bij hebben. Informatie en scholing zijn bij dergelijke projecten essentiele onderdelen.

Wat het verdrag van Rio de Janeiro uiteindelijk in de praktijk zal opleveren, is volstrekt onzeker. Voor de onderhandelaars is daarmee niet gezegd dat het verdrag bestaat uit gebakken lucht. "Een verdrag waar meer dan 160 landen over meepraten is natuurlijk abstract. Dat kan niet anders" , betogen zij.

Het is de bedoeling dat het verdrag in eerste instantie een stimulans oplevert voor verdere ontwikkelingen, bijvoorbeeld in de vorm van projecten. Voorlopig zijn die projecten er nog niet.

Maar op termijn zijn die projecten en het geld dat daar eventueel mee gemoeid is, geeneens het belangrijkste. Het gaat vooral om het uitstralingseffect dat de conferentie in Rio heeft: een extra steun in het bewustwordingsproces dat investeren in milieuvriendelijke technologie nodig is, zowel in het noorden als in het zuiden, en dat samenwerking daarbij kan helpen.

"De lange mars van Mao is ook met een stapje begonnen" , vatte een van de onderhandelaars de stand van zaken samen.

Of de overheden na het verdrag van Rio veel zullen toevoegen aan de overdracht van technologie die toch wel zal plaatsvinden is eveneens ongewis. Want het is een feit dat bedrijven om puur economische belangen al aan technologieoverdracht doen.

Zij passen daarbij verschillende vormen toe, zoals een joint venture waarbij een bedrijf in een ontwikkelingsland zorgt voor de levering van grondstoffen en een goede infrastructuur en het westerse bedrijf de technologie levert. Een bedrijf kan ook technologie leveren in ruil voor de toezegging dat bepaalde markten opengaan.

Niet uitgesloten is dat ontwikkelingslanden bij dit soort deals meer aandacht besteden aan het milieuaspect van de technologie. Diverse deskundigen gaan er van uit dat bedrijven daar zelf ook belang bij hebben. Al was het maar omdat multinationale ondernemingen stevig door het slijk gaan als blijkt dat zij zich in een ontwikkelingsland onverantwoordelijk gedragen. Een ongeluk is genoeg om de naam van een bedrijf duchtig te besmetten, zoals het Amerikaanse bedrijf Union Carbide ondervond na de ramp in het Indiase Bhopal.

Toch zal het verdrag van Rio niet voorkomen dat bedrijven inderdaad vluchten voor strenge milieuwetgeving in eigen land. Het idee om buitenlands opererende bedrijven te verplichten om dezelfde milieustandaarden te hanteren als in eigen land, is wel ter sprake geweest, maar is inmiddels van de onderhandelingstafel verwijderd. Argument daarbij was dat het niet aangaat om alle bedrijven over een en dezelfde kam te scheren.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden