Veel liever was ik bij mijn onderduikouders gebleven

Een aantal Joodse kinderen werd in de oorlog ondergebracht bij onderduikouders. Dat leidde na de bevrijding, als overlevende ouders of familieleden de kinderen weer opeisten, soms tot schrijnende taferelen waarbij het belang van het kind niet voorop stond.

De pleegzussen van Lea kennen ze nog: de Joodse liedjes die de kleuter zong die in februari 1943 bij hen kwam wonen. De kleine Lea leerde al snel dat die liedjes gevaarlijk waren. Bijna vijf was ze toen ze opgehaald werd door iemand uit het verzet. Haar moeder zwaaide haar huilend uit. "Ik kom je halen", zei ze. Lea is dat tot ver na de oorlog blijven geloven. "Ik geloofde niet dat ze dood was. Ze zou mij komen halen, dat had ze beloofd."

Lea Tropp (1938) las mijn roman Parnassia, waarin een kind slachtoffer wordt van de strijd die na de bevrijding woedde over de Joodse onderduikkinderen. "Die roman gaat over mij, ook al was bij mij de situatie precies andersom. En over heel veel mensen die ik ken." Ze besloot haar verhaal te vertellen. "Het helpt me", zegt ze, "door het door te geven wordt tenminste niet vergeten hoe er gesold werd met ons, de onderduikkinderen. Er werden beslissingen genomen die niet in ons belang waren."

Met haar vader, moeder en haar twee jaar oudere broer, woonde ze in de Manegestraat, midden in de Amsterdamse Jodenbuurt. Haar vader werd al in 1942 weggehaald. Haar moeder vertelde haar dat hij doodgeschoten was. Begin 1943 liet moeder haar beide kinderen onderduiken. Ze dook zelf ook onder, maar werd verraden, op transport gesteld en in Auschwitz vermoord.

undefined

Twaalf huizen

Lea wordt ondergebracht bij een bakkersgezin in Abbega, een kerk en twaalf huizen, uit meer bestond het Friese terpdorp niet. Vader en moeder Kampen hebben zeven kinderen, één dochtertje is gestorven. Lea wordt de benjamin van het gezin, ze slaapt in het ledikantje van het overleden meisje. Een van haar pleegzussen lijkt op een tante van Lea. "Ik klampte me aan haar vast, ze was het enige dat bekend leek in dit vreemde nieuwe leven."

Het is een warm gezin waar Lea terecht gekomen is, ze heeft het er goed, maar tot de bevrijding zijn het angstige kinderjaren. Er zitten veel onderduikers in het kleine dorpje. Zo nu en dan houden de Duitsers razzia's.

Het gezin is hervormd. Lea gaat mee naar de kerk, hoort dagelijks de bijbelverhalen en de kinderliedjes over Jezus. "Ik was een heel gelovig kind, ik was vijf, voor mij was alles wat ze vertelden de waarheid."

Toen ze nog in Amsterdam woonde was Joods zijn vanzelfsprekend, ze woonde te midden van het Joodse leven, haar ouders waren niet religieus maar hadden wel een koosjere huishouding. Haar twee jaar oudere broer vertelde haar dat hij op de hoge feestdagen met zijn vader mee mocht naar de Hoogduitse Synagoge aan het Waterlooplein. "Ik bleef mij met hart en ziel Joods voelen, hoe thuis ik ook raakte in het christelijke milieu van mijn onderduikfamilie."

undefined

Gelukkigste jaren

Na de bevrijding blijkt Lea's broer de onderduik overleefd te hebben, net als een tante, een schoonzuster van Lea's ouders. Zij heeft een eigen dochtertje en is niet in staat nog twee kinderen te verzorgen. Lea's broer kan niet bij zijn onderduikouders blijven en belandt in een Joods kindertehuis. Lea mag bij de familie Kampen blijven. "Het waren de gelukkigste jaren van mijn leven."

De tante van Lea is er echter van overtuigd dat het de wens van Lea's ouders was dat hun kinderen zouden terugkeren in het Joodse milieu. Dat meldt zij dan ook voortdurend bij de Commissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK), die de voogdij over de twee kinderen heeft. Er ontstaat een jarenlang getouwtrek tussen de OPK en de tante die actief op zoek gaat naar Joodse pleegouders. "Als we bij haar op bezoek waren, kwamen er altijd Joodse mensen langs die een pleegkind zochten. We waren iedere keer 'op zicht'."

Via een ver familielid komt een man in beeld die Auschwitz heeft overleefd. Een Duitse vrouw die al voor de oorlog Duitsland was uitgezet en die tijdens de bezetting actief was geweest in het Nederlandse verzet, heeft zich bij zijn terugkeer over hem ontfermd. Dit net getrouwde paar neemt het broertje van Lea in huis en ijvert vanaf dat moment om Lea ook bij zich te krijgen. De man had zijn vrouw en zijn dochtertje verloren. "Ze zochten een vervangster. Dat was ik."

Als Lea haar broertje bezoekt, wordt zij overladen met cadeautjes en mooie kleren. "Het was pure omkoperij, mijn pleegouders in Friesland waren arm, ze hadden met mij erbij acht kinderen te voeden. In Den Haag was ik de prinses. Mijn tante benadrukte hoe fijn het zou zijn als ik weer bij mijn broertje zou wonen en hoe graag mijn ouders dat gewild zouden hebben. Ik werd voortdurend onder druk gezet. Uiteindelijk liet de OPK de beslissing aan mij over. Maar ik was tien, hoe kon ik overzien wat de gevolgen zouden zijn?"

Met Kerst 1947 geeft Lea toe. In januari 1948 neemt ze afscheid van haar onderduikouders. "Mem huilde. Ze zou mij alles gegeven hebben zei ze, en mij nooit gedwongen hebben om mij te laten dopen."

De afspraak is dat Lea iedere vakantie in Friesland mag logeren, maar als blijkt dat ze na de eerste keer ziek wordt van heimwee, blokkeren haar nieuwe pleegouders die regeling. "Alles was anders daar in Den Haag. Ik had een kinderbijbel meegekregen van mijn mem. Ik was erg gelovig, ik wilde in de Bijbel lezen en bidden voor het eten, maar dat mocht niet. Dus deed ik het stiekem, dan stond mijn broer op de uitkijk zodat ik niet gesnapt zou worden. Op een dag heeft mijn pleegvader mijn kinderbijbel verbrand. In het begin was ik echt in verwarring. Ik moest op Joodse les en werd lid van een Joodse jeugdverening. Dat was wel leuk, de kinderen waren aardig." Ze laat een foto zien. "Hier ben ik verkleed ter ere van Poerim. Een jaar daarvoor vierde ik nog gewoon kerstmis. Mijn pleegvader leerde mij Hebreeuws. Dat is het enige waar ik hem dankbaar voor ben, nu ben ik blij dat ik goed Hebreeuws kan lezen."

De jaren die volgen zijn koud en eenzaam. Broer en zus hebben wel goed contact, maar tussen de pleegouders en haar broer botert het niet. "Mijn pleegmoeder was echt een goede vrouw, maar ik kon me niet aan haar hechten. Ik wachtte nog altijd op mijn echte moeder en daarnaast was ik ziek van verlangen naar mijn mem in Friesland. Mijn pleegvader was een beschadigde man. Zijn gedrag leek erg op dat van de man met wie Anneke in de roman Parnassia trouwt. Voor mij was dat een heel herkenbaar deel in het verhaal. Ik was bang voor die man, hij vertelde de vreselijkste dingen over wat hij had meegemaakt en had enorme driftbuien. De OPK had moeten zien dat hij niet in staat zou zijn om voor kinderen te zorgen."

In 1950 besluiten de nieuwe pleegouders van Lea naar Israël te emigreren. Lea mag geen afscheid nemen van de familie Kampen. Ze wordt met haar broer in een kibboets geplaatst, maar na een half jaar krijgen de pleegouders spijt en halen de kinderen terug. In 1951 keert het gezin terug naar Nederland. "Het gekke was, in Israël was het heel gewoon om Joods te zijn, daar is het hele leven Joods. Maar toen we terugkwamen deden ze er opeens niets meer aan."

undefined

'Dom en lui'

Op haar veertiende heeft Lea slechts vijf jaar lagere school. Haar pleegouders zeggen dat ze dom en lui is. Ze belandt op de huishoudschool waar blijkt dat ze meer kan en mag dan een jaar naar de vakschool waar ze leert naaien. Haar pleegvader wil dat ze hem in zijn atelier komt helpen maar na veel strijd krijgt ze toestemming om bij de Bijenkorf te gaan werken waar ze binnen het bedrijf aanvullende scholing krijgt.

De verhouding tussen Lea's broer en de pleegouders is dusdanig verslechterd dat zij de jongen op straat zetten. Hij is dan zestien en belandt in het Joodse jongenshuis waar hij tot zijn negentiende zou wonen. "Het was een nare tijd, maar gelukkig mocht ik wel weer zo nu en dan in Friesland logeren. Daar was mijn thuis, ik kon er altijd terecht."

Lea woont nog tot haar twintigste bij haar pleegouders in Den Haag en vlucht dan in een huwelijk. "Hij was ook Joods en kwam uit een gezin dat in zijn geheel de oorlog overleefd had. Ik vond het heel bijzonder, zo'n compleet gezin. Het duurde jaren voor ik doorhad dat ook zij niet onbeschadigd uit de onderduik waren gekomen. Zelf ben ik heel lang onvolwassen gebleven: ik was het kind dat maar bleef wachten op mijn moeder die gezegd had dat ze me zou komen halen."

Jarenlang was het Jodendom voor Lea op de achtergrond. "Het deed er niet toe vond ik, ik was wereldburger. Maar door met een Joodse man te trouwen rolde ik er langzaam weer in. Niet omdat hij het belangrijk vond, maar we waren veel in Joodse kringen, we hadden Choeppa (Joods bruiloftsritueel) en toen onze oudste geboren werd lieten we hem besnijden. De kinderen gingen naar de Joodse school en omdat het met het eten lastig was als er orthodoxe vriendjes en vriendinnetjes over de vloer kwamen, begonnen we in 1984 een koosjere huishouding."

Lea's mem accepteerde dat Lea een Joods leven was gaan leiden, hoewel ze zeker in het begin vond dat Lea niet orthodox genoeg was. 'Als je het doet, dan doe je het goed, dus volgens de wet.' Toch is ze altijd blijven hopen dat Lea zou gaan geloven dat Jezus de Messias was.

undefined

Altijd naar de kerk

Lea kent binnen de Joodse gemeenschap veel mensen die in christelijke gezinnen ondergedoken zaten, daar na de oorlog gebleven zijn maar op latere leeftijd hun Joodse wortels zijn gaan zoeken. "En zo zou het met mij ook zijn gegaan als ik in Friesland had mogen blijven. Ik heb altijd geweten dat ik Joods was, dat werd ook niet ontkend. Ik hield van de sfeer in de kerk, van de kerstboom met Kerst. Als ik in Friesland ben, ga ik altijd mee naar de kerk. En dat doet me dan nog steeds veel, zelfs meer dan een synagoge. En toch weet ik zeker dat ik hoe dan ook weer Joods geworden was. Maar dan had ik wel een gelukkige jeugd gehad."

De OPK had Lea bij haar onderduikouders moeten laten wonen, vindt ze. "Ik hield van mijn onderduikouders. Maar misschien dan de voorwaarde stellen dat ik naar Joodse les zou gaan." Ze zwijgt een tijdje. "Ja, dat was het beste geweest..."

Josha Zwaan schrijft romans, artikelen en essays. In 2010 verscheen haar debuutroman Parnassia, over de strijd om de Joodse onderduikkinderen. (Artemis & Co, 18e druk 2014)

undefined

Stolpersteinen ter nagedachtenis

Bij Manegestraat 36, het voormalige nummer 10, werden op 3 maart 2013 twee Stolpersteinen gelegd ter nagedachtenis aan Jakob Tropp en Manja Malka Tropp-Kolenbrener.

Jakob Tropp (Radomysl, Polen, 1904) vluchtte voor de oorlog vanuit Polen naar Nederland. Hier ontmoette hij Manja Malka Kolenbrener (Leczyca, Polen, 1904), eveneens een vluchteling uit Polen. Beiden werden in Auschwitz vermoord. Jakob in augustus 1942, Manja in januari 1944.

undefined

Commissie voor Oorlogspleegkinderen

Al voor de bevrijding werd in Londen bepaald dat alle onderduikkinderen in eerste instantie onder voogdij van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK) gesteld zouden worden. Tussen 1945 en 1949 werd over een grote groep kinderen strijd gevoerd, met als inzet de vraag wat voor het kind beter was: opgroeien in een christelijk milieu of in de Joodse traditie. Het belang van het kind werd daarbij nogal eens uit het oog verloren.

Bij de OPK werden 3942 onderduikkinderen geregistreerd

902 kinderen gingen na de bevrijding terug naar hun (meestal ook ondergedoken) ouders

1363 kinderen kwamen onder voogdij van de OPK

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden